RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/1458 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2022 in de zaak tussen [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , [eiser 10] , [eiser 11] , samen eisers, allen uit [woonplaats] (gemachtigde: M.E. van den Kommer) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug (het college), verweerder (gemachtigde: W. van der Wel) Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], uit [woonplaats] , de derde-belanghebbende. Inleiding 1. Eisers en de derde-belanghebbende wonen allen op of rond de [adres] in [woonplaats] . Tussen partijen hebben in een eerder stadium de beroepsprocedures met zaaknummers UTR 21/3601 en UTR 21/3514 plaatsgevonden. Die procedures zagen op een door het college aan de derde-belanghebbende verstrekte omgevingsvergunning voor het realiseren van een bed- en breakfastvoorziening (hierna: B&B) in haar tuinhuis aan de [adres] te [woonplaats] . De rechtbank heeft in die procedures het beroep van eisers gegrond verklaard voor zover het college een aantal omwonenden niet-ontvankelijk had verklaard, maar de omgevingsvergunning in stand gelaten. 2. De onderhavige procedure gaat over het feit dat met het tuinhuis de maximaal toegestane oppervlakte wordt overschreden voor vergunningvrij bouwen, zoals die volgt uit artikel 2, aanhef en derde lid, onder f, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Die overschrijding is door de toezichthouder geconstateerd tijdens een op 16 juni 2021 uitgevoerde (her)controle op het perceel van de derde-belanghebbende. Voor die overschrijding is geen omgevingsvergunning verstrekt. Het college heeft daarom in het besluit van 9 november 2021 (het primaire besluit) een last onder dwangsom opgelegd aan de derde-belanghebbende wegens overtreding van artikel 2.1 aanhef en eerste lid, onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 3. De derde-belanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij onder andere een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, omdat in een eerder controlerapport van 30 juli 2020 was aangegeven dat geen sprake was van een overschrijding van het maximaal toegestane oppervlakte voor vergunningvrij bouwen. Met het besluit van 22 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de last onder dwangsom ingetrokken. 4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en hebben daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De derde-belanghebbende heeft een zienswijze ingediend. 5. De zaak is behandeld op de zitting van 1 september 2022. Van de kant van eisers zijn in persoon verschenen [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 9] , bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-belanghebbende is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het geschil 6. Eisers stellen dat het college ten onrechte het beroep op het vertrouwensbeginsel van de derde-belanghebbende heeft gehonoreerd. Zij stellen dat daarmee een aanzienlijke hoeveelheid illegale bebouwing op het achtererf van de derde-belanghebbende feitelijk wordt gelegaliseerd. Onder die bebouwing valt een tuinhuis dat geschikt is gemaakt voor bewoning. De omwonenden stellen dat zij overlast ondervinden van het gebruik van dat tuinhuis. 7. Het college blijft bij het bestreden besluit. Beoordeling door de rechtbank 8. De rechtbank stelt voorop dat het in deze zaak uitsluitend gaat om de vraag of het college mocht afzien van handhaving en hij terecht het beroep op het vertrouwensbeginsel van de derde-belanghebbende heeft gehonoreerd met betrekking tot de overschrijding van het maximale oppervlak voor vergunningvrij bouwen op het achtererf van de derde-belanghebbende. De rechtbank komt aan die vraag echter slechts toe indien eisers ontvankelijk zijn in hun beroep. Die vraag zal de rechtbank daarom eerst behandelen. Zijn eisers belanghebbenden? 9. Het college heeft zich in zijn verweer primair op het standpunt gesteld dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk is, omdat eisers geen belanghebbenden waren bij de bestuurlijke besluitvorming. Het college wijst er in dat kader op dat het hier niet gaat om een last onder dwangsom die is opgelegd naar aanleiding van een handhavingsverzoek van eisers. Het gaat hier daarentegen om een handhavingstraject dat door het college ambtshalve is gestart. 10. De rechtbank volgt het college niet in dit standpunt. Uit vaste rechtspraak volgt dat de omstandigheid dat geen handhavingsverzoek is ingediend door degene die bezwaar heeft gemaakt dan wel beroep heeft ingesteld, op zichzelf niet meebrengt dat deze niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit omtrent het al dan niet toepassen van handhavingsmaatregelen. In die rechtspraak is overwogen dat betekenis toekomt aan het feit dat een dergelijk besluit niet slechts op verzoek, maar ook ambtshalve door het bevoegd gezag kan worden genomen. Een andere opvatting zou tot het gevolg leiden dat een eiser alsnog een verzoek om handhaving zou kunnen doen, waarna na een bezwaarprocedure materieel hetzelfde geschil in een aparte procedure aan de bestuursrechter zou kunnen worden voorgelegd. Dat is uit het oogpunt van effectieve geschilbeslechting niet wenselijk. 11. Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, normaal gesproken belanghebbende is bij dat besluit. Dat wordt slechts anders wanneer er geen sprake is van feitelijke gevolgen van enige betekenis. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ is ook van toepassing in zaken waarin sprake is van een handhavingsbesluit, zoals hier. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkenen zodanig gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Wanneer er twijfel mogelijk is over de vraag of betrokkenen gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden, moet de betrokken procespartij het voordeel van de twijfel krijgen. Bij percelen die grenzen aan het perceel waarover het besluit gaat of percelen die gelijk te stellen zijn met een aangrenzend perceel, wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn. Belanghebbendheid wordt dus aangenomen bij bewoners en eigenaren van zulke percelen. 12. Tegen die achtergrond oordeelt de rechtbank als volgt. Naar de rechtbank begrijpt zijn [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] en [eiser 5] bewoners van de percelen die direct grenzen aan het perceel van de derde-belanghebbende. Daarmee zijn die eisers zonder meer als belanghebbenden aan te merken. Voor de overige eisers geldt dat zij slechts belanghebbenden zijn voor zover zij feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervinden van de overschrijding van het maximale vergunningvrij bouwoppervlak op het perceel van de derde-belanghebbende. Ter zitting is door eisers aangegeven dat alle eisers vanaf hun perceel zicht hebben op het achtererf van de derde-belanghebbende. Om die reden kan volgens de rechtbank niet worden uitgesloten dat deze eisers gevolgen van enige betekenis ondervinden van de overschrijding. Gelet op de hierboven genoemde rechtspraak moeten deze omwonenden het voordeel van de twijfel krijgen. Daarmee zijn alle eisers dus ontvankelijk in hun beroep. Mocht het college op grond van het vertrouwensbeginsel afzien van handhaving? 13. Eisers stellen zich op het standpunt dat het college in de bestreden beslissing ten onrechte niet heeft gehandhaafd omdat hij het beroep van de derde-belanghebbende op het vertrouwensbeginsel heeft gehonoreerd. 14. Bij haar beoordeling gaat de rechtbank uit van het volgende beoordelingskader. In handhavingszaken kan een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel een bijzondere omstandigheid opleveren op grond waarvan kan of moet worden afgezien van handhaving. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.