← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:4076

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/1153 proces-verbaal van mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2022 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) (gemachtigde: G. Naber). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres heeft op 22 december 2020 een aanvullende beurs aangevraagd. Bij aanvraag van 5 maart 2021 heeft eiseres gevraagd om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar ouders. DUO heeft deze aanvraag met het besluit van 11 augustus 2021 afgewezen. Bij besluit van 16 november 2021 heeft DUO de aanvullende beurs toegekend vanaf 1 april

  1. Met het hernieuwde bestreden besluit op bezwaar van 14 januari 2022 heeft DUO het besluit van 16 november 2021 ingetrokken en de aanvullende beurs toegekend vanaf 1 september
  2. DUO heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 2 augustus 2022 op zitting behandeld. Hierbij was eiseres aanwezig. De gemachtigde van DUO heeft via beeldverbinding deelgenomen. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Beoordeling door de rechtbank
  3. Met de ingetrokken beslissing heeft DUO de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat eiseres alsnog aanvullende beurs zou krijgen vanaf 1 april
  4. De vraag is of DUO gehouden was om aan die verwachting te voldoen. Zwaarwegende belangen, zoals het algemeen belang, kunnen daaraan in de weg staan. Bij de belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van het gewekte vertrouwen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden.
  5. DUO heeft een fout gemaakt door eerst de aanvullende beurs toe te kennen vanaf 1 april
  6. Eiseres heeft namelijk pas op 22 december 2020 een aanvullende beurs aangevraagd en uit de Wet studiefinanciering 2000 volgt dat aanvullende studiefinanciering alleen toegekend kan worden vanaf het studiejaar waarvoor de studiefinanciering is aangevraagd. Het is onwenselijk om de fout van verweerder voort te laten bestaan omdat het zou leiden tot toekenning van studiefinanciering in strijd met dwingend recht. Het algemeen belang staat dus aan de weg om DUO te houden aan de gewekte verwachting. In beginsel mag DUO die fout herstellen.
  7. Er zijn geen belangen aan de kant van eiseres die zo zwaar wegen dat dit toch niet was toegestaan. Natuurlijk, het was in haar voordeel geweest als DUO de aanvullende beurs met een eerdere ingangsdatum had verleend, maar eiseres heeft geen handelingen verricht of nagelaten op basis van het gewekte vertrouwen. Eiseres was los hiervan namelijk in 2019 al bezig met haar bachelor en ze had over dat jaar geen aanvullende beurs aangevraagd. De situatie van eiseres is dan ook niet veranderd door het bestreden besluit, toen de ingangsdatum van de aanvullende beurs was gewijzigd naar 1 september
  8. Ze is in juridische zin hierdoor dan ook niet benadeeld. Conclusie en gevolgen
  9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat DUO de aanvullende beurs met loskoppeling van het inkomen van de ouders van eiseres terecht heeft toegewezen per 1 september
  10. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober
  11. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bij wijze van voorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 mei 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:1188). Artikel 3.21, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.