← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:4079

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/2979 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2022 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. R. Jethoe), en Belastingdienst/Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. [A] ). Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 14 januari 2021 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Op 22 augustus 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Overwegingen

  1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
  2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
  3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van 17 januari 2022, ontvangen door verweerder op 19 januari 2022, is verweerder in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten op 23 juni 2022, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek.
  4. Het beroep is kennelijk gegrond. Verweerder moet alsnog een besluit nemen
  5. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan dient dit in principe te doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Verweerder heeft gemotiveerd verzocht om een langere termijn, namelijk dertien weken. Er is volgens verweerder sprake van een bijzonder geval. Verweerder heeft uiteengezet dat de procedure die hij volgt bij de herbeoordelingen zoveel tijd kost.
  6. Eiser heeft de rechtbank verzocht verweerder een termijn van twee weken te geven om een beslissing te nemen.
  7. De rechtbank is van oordeel dat de beslistermijn van twee weken voor verweerder te kort is, gezien het grote aantal aanvragen en de complexiteit van de herbeoordelingen en verweerders uitleg over het besluitvormingsproces. Gelet op wat verweerder heeft aangevoerd, is er volgens de rechtbank sprake van een bijzonder geval.
  8. Omdat de rechtbank ziet dat verweerder om verschillende termijnen heeft verzocht in voorgaande soortgelijke zaken, en ook de onderbouwing daarvan verschilt, heeft de rechtbank besloten om zelf een vaste termijn te bepalen in reactie op verweerders verzoeken in dergelijke zaken. De rechtbank verleent verweerder in principe een termijn van twaalf weken vanaf de datum van het verweerschrift om een besluit bekend te maken, met de mogelijkheid om daarvan af te wijken in voorliggende gevallen.
  9. In deze zaak ziet de rechtbank geen aanleiding om van die termijn af te wijken. De rechtbank geeft verweerder dus een termijn van twaalf weken om een besluit bekend te maken. Verweerder moet daarom uiterlijk 14 november 2022 een beslissing bekendmaken. Om te voorkomen dat verweerder een rechtelijke dwangsom verbeurt zonder dat hij daaraan iets kan doen, bepaalt de rechtbank dat de termijn van twaalf weken wordt verlengd met de periode die eiseres de termijn van zes weken voor het indienen van een zienswijze bij verweerder overschrijdt.
  10. De rechtbank bepaalt met toepassing van dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.
  11. Dit is het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken. Bestuurlijke dwangsom
  12. Eiseres heeft aan de rechtbank verzocht om de hoogte van de dwangsom van te stellen. Uit de stukken blijkt dat verweerder al een besluit heeft genomen waarin de hoogte van de verschuldigde bestuurlijke dwangsom is vastgesteld op het maximale bedrag en dat dit bedrag al aan eiser is uitbetaald. De rechtbank hoeft zich daarom hierover niet meer uit te laten. Proceskostenvergoeding en griffierecht
  13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 0,
  14. Toegekend wordt € 379,
  15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.Dossier
  16. De rechtbank merkt tot slot nog op dat zij binnen haar bevoegdheden in dit beroep geen mogelijkheden heeft om verweerder te verplichten om een kopie van het dossier aan eiseres te verstrekken, zoals door haar gevraagd. Dit betreft namelijk een feitelijke handeling en niet een besluit in de zin van de Awb. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op uiterlijk 14 november 2022 alsnog een besluit bekend te maken met dien verstande dat deze termijn wordt geacht verlengd te zijn met de periode die eiseres de zes weken voor het indienen van een zienswijze bij verweerder overschrijdt; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 379,50;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 september
  17. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb artikel 8:55d, derde lid, van de Awb artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb Artikel 8:55c van de Awb

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.