← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:4307

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/561 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2022 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: M.J.M. Bergers), en Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder heeft op 22 maart 2022 gereageerd op dit verzoek. Overwegingen

  1. Verweerder heeft op 17 januari 2022 een besluit genomen. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 21 februari 2022 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op het besluit van 17 januari 2022 en heeft hij een nieuw besluit genomen. Bij dit besluit is het bedrag aan proceskosten aangepast van € 534,- naar € 541,-. Verweerder heeft hiermee gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
  2. De rechtbank/voorzieningenrechter kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
  3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en aangegeven dat hij geen proceskosten aan verzoeker wil betalen. Volgens verweerder had eiser telefonisch contact kunnen opnemen, zodat verweerder de kennelijke fout had kunnen herstellen. Beroep instellen met verzoek om proceskosten staat niet in verhouding tot het gemiste bedrag van € 7,-. Er is daarom geen sprake van redelijkerwijs gemaakte kosten aan de zijde van eiser die verweerder zou moeten vergoeden. Verweerder trekt daarnaast het procesbelang van eiser in twijfel. Het procesbelang of het doel met het rechtsmiddel kan worden bereikt en van feitelijke betekenis is. Deze betekenis en het te bereiken doel betwist verweerder, nu de kosten om in beroep te gaan hoger zijn dan het gevorderde bedrag van € 7,-. Verweerder stelt, gelet op voorgaande, dat sprake is van onredelijk gebruik van procesrecht.
  4. De rechtbank geeft verweerder geen gelijk. Met het besluit van 21 februari 2022 is volledig tegemoet gekomen aan het beroep van eiser. De ten onrechte te laag vastgestelde proceskostenveroordeling levert voldoende procesbelang op. Dat het gaat om een relatief klein bedrag van € 7,- doet niet ter zake. Tussen partijen is immers niet in geschil dat het besluit van 17 januari 2022 op dat punt onjuist is. Eiser heeft daarom terecht beroep ingesteld. Verweerder zal gelet op het voorgaande de proceskosten van verzoeker dus moeten betalen.
  5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 189,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,25(zeer licht)).
  6. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoeker betalen (artikel 8:41 van de Awb). Beslissing De rechtbank: veroordeelt verweerder tot betaling van € 189,75 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober
  7. (De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen) griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH7680 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2009:BH7680)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.