beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rekestnummer: C/16/544000 / HA RK 22-183 Beschikking van 9 november 2022 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, advocaat mr. R.J. Ruiter te Maastricht, tegen de naamloze vennootschap ALLIANZ BENELUX N.V., gevestigd te Rotterdam, verweerster, advocaat mr. M.R. Lauxtermann te Amsterdam. Partijen worden hierna [verzoeker] en Allianz genoemd. 1De procedure 1.1. Dit is een deelgeschilprocedure zoals geregeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 1.2. Op 26 augustus 2022 is op de griffie van de rechtbank het verzoekschrift met 24 producties van [verzoeker] ontvangen. Met de brief van 9 september 2022 heeft de griffier van de rechtbank partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 5 oktober 2022. Op 23 september 2022 is het verweerschrift met 4 producties van Allianz ontvangen. 1.3. De mondelinge behandeling heeft op 5 oktober 2022 plaatsgevonden in het gebouw van de rechtbank. Daarbij was de heer [verzoeker] , vergezeld door zijn vriendin mevrouw [A] , aanwezig, met mr. Ruiter. Namens Allianz was mevrouw [B] , dossierwaarnemer voor mevrouw [C] , aanwezig met mr. Lauxtermann en mr. G.H. Nagel. De griffier heeft tijdens de zitting aantekeningen gemaakt. Mr. Ruiter heeft het standpunt van [verzoeker] nader toegelicht met “Spreekaantekeningen t.b.v. mondelinge behandeling”. Ook mr. Lauxtermann en mr. Nagel hebben het standpunt van hun cliënte mondeling toegelicht. Verder hebben de advocaten en partijen vragen van de rechtbank beantwoord en over en weer op elkaars standpunten gereageerd. 1.4. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechter partijen meegedeeld dat 16 november 2022, of eventueel eerder, uitspraak wordt gedaan. 2De overwegingen inleiding 2.1. Op 21 mei 2018 is [verzoeker] als voetganger betrokken geraakt bij een aanrijding met een auto die bestuurd werd door [D] (hierna: [D] ), met wie hij op dat moment een affectieve relatie had. Kort daarvoor was tussen hen ruzie ontstaan. Er was alcohol in het spel. [verzoeker] heeft door het ongeval onder meer verschillende botbreuken opgelopen, schaaf- en snijwonden aan zijn hoofd en in zijn gezicht, longkneuzingen en zware kneuzingen aan nek, armen, rug, ribben, heup en linkerbeen. Allianz heeft als WAM-verzekeraar de kwestie op 12 december 2018 in behandeling genomen. hoe is het toen verder gegaan? 2.2. Partijen zijn gestart met het afwikkelen van de schade: een schade-expert van Allianz heeft [verzoeker] thuis bezocht, er is medische informatie verzameld en er zijn voorschotten op de schade betaald van in totaal € 60.000. Eind 2020, toen [verzoeker] om een aanvullend voorschot vroeg en in gesprek wilde over (begeleiding bij zijn) re-integratie is de schadeafwikkeling gestagneerd. Tijdens een telefoongesprek op 9 februari 2021 waarin voor [verzoeker] (weer) naar de stand van zaken werd gevraagd, liet Allianz weten zich te beraden over de aansprakelijkheid en de eigen schuld. In een brief van 17 februari 2021 heeft Allianz vervolgens uiteengezet op grond waarvan zij vindt dat bij [verzoeker] sprake is van (twee derde deel) eigen schuld en daarom geen aanleiding ziet voor een nader voorschot. Diezelfde dag is daarop namens [verzoeker] gereageerd, kort gezegd, dat dit standpunt erg laat wordt ingenomen, zich niet verdraagt met de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL) en er overigens ook geen sprake is van eigen schuld. Daarna zijn over en weer verschillende brieven en e-mailberichten gestuurd. Ook heeft [verzoeker] op 18 juni 2021 een klacht ingediend bij Allianz, die zij ongegrond heeft verklaard. Vervolgens is tussen de advocaten van partijen in het kader van de eigen schulddiscussie nog gesproken over camerabeelden van de aanrijding. Die beelden heeft de advocaat van [verzoeker] uiteindelijk op 12 november 2021 op het kantoor van de advocaat van [D] kunnen bekijken. [verzoeker] heeft Allianz daarop bij brief van 14 december 2021 laten weten zich te kunnen vinden in een causale verdeling van 80/20 in het voordeel van [verzoeker] , en daarbij aangegeven dat door de billijkheidscorrectie volledige vergoeding van zijn schade op zijn plaats is. Ondanks verschillende herinneringen, waarvan de laatste per e-mail op 25 maart 2022 met een uiterste reactietermijn van zeven dagen, bleef een reactie van Allianz uit. Op 4 april 2022 heeft [verzoeker] Allianz, kort gezegd, meegedeeld dat de eigenschulddiscussie een gepasseerd station is. Op 25 mei 2022 laat Allianz dan weten dat de “gehanteerde 50% goed verdedigbaar” is. Namens [verzoeker] is daarop op 8 juni 2022 afwijzend gereageerd en is verzocht om een aanvullend voorschot. Daar is van Allianz geen reactie meer op gekomen. waar loopt het op vast? 2.3. Allianz houdt vast aan haar standpunt dat [verzoeker] eigen schuld heeft aan het ongeval, wat door de 50%-regel leidt tot een vergoedingsplicht voor Allianz van 50% van de schade. [verzoeker] vindt dat Allianz hem geen eigen schuld (meer) kan tegenwerpen. Zij komt daar niet alleen veel te laat mee, er is ook, in ieder geval na toepassing van de billijkheidscorrectie, geen sprake van eigen schuld. wat vraagt [verzoeker] ? 2.4. Om de impasse over de mate waarin Allianz zijn schade moet vergoeden te doorbreken is [verzoeker] deze deelgeschilprocedure gestart. [verzoeker] verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: voor recht te verklaren dat hem op basis van de toedracht en overige omstandigheden geen eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW kan worden tegengeworpen; Allianz te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een voorschot van € 52.829,70; Allianz te veroordelen in de kosten van deze procedure inclusief het [verzoeker] opgelegde griffierecht. deelgeschil? 2.5. Allianz meent dat deze zaak zich niet leent voor behandeling als deelgeschil omdat in haar optiek nadere bewijslevering nodig is voor het vaststellen van de toedracht en de schade van [verzoeker] . Ook is zij van mening dat de deelgeschilbeslissing niet kan bijdragen aan het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank gaat hier niet in mee. Het verzoek van [verzoeker] kan, gelet op de discussie over de (mate van) aansprakelijkheid voor letsel na een ongeval, en in het verlengde daarvan of aanspraak bestaat op een aanvullend voorschot op de schade, als deelgeschil worden behandeld. Als voor de beoordeling daarvan nadere bewijslevering nodig zou zijn, betekent dat niet dat de zaak niet geschikt is om als deelgeschil te worden behandeld maar is dat een reden om het verzoek af te wijzen. Dat deze uitspraak niet zou kunnen bijdragen aan het bereiken van een vaststellingsovereenkomst, betekent ook niet dat de zaak niet onder het bereik van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade valt: als de rechtbank een oordeel kan geven over de mate van aansprakelijkheid, en eventueel ook over een nader voorschot, kán de impasse die tussen partijen is ontstaan worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. te laat met een beroep op eigen schuld? 2.6. [verzoeker] vindt dat Allianz te laat is met het doen van een beroep op eigen schuld van zijn kant. Allianz vindt juist dat het goed te verklaren is dat zij later dan inderdaad gebruikelijk en wenselijk is de eigen schuld tegen [verzoeker] heeft ingeroepen. Allereerst wijst zij erop dat zij bij het erkennen van aansprakelijkheid een voorbehoud heeft gemaakt “mocht zich nieuwe informatie aandienen”. Daarnaast voert zij aan dat zij niet beschikte over de camerabeelden, de lezing van [verzoeker] en het volledige proces-verbaal, waardoor zij lange tijd geen definitief standpunt kon innemen. [D] had voor de strafzaak en de civiele zaak ten opzichte van Allianz een eigen advocaat en die belemmerde dat Allianz de camerabeelden kon zien. De lezing van [verzoeker] ontbrak in het deel van het proces-verbaal waarover Allianz wel beschikte, zodat zij genoodzaakt was die informatie bij haar verzekerde op te vragen, wat moeizaam verliep. Tot slot werd pas op een veel later moment voor Allianz uit de toegezonden medische informatie van [verzoeker] duidelijk dat (ook) bij [verzoeker] sprake was van hevig alcoholgebruik. Dit was voor Allianz aanleiding een beroep op eigen schuld te doen. De camerabeelden die daarna uiteindelijk beschikbaar kwamen bevestigden voor Allianz dat zij terecht een beroep op de eigen schuld van [verzoeker] doet. 2.7. De rechtbank is van oordeel dat het Allianz begin 2021 niet meer vrij stond een beroep op eigen schuld van [verzoeker] te doen. Dat wordt als volgt toegelicht. De rechtbank stelt om te beginnen voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat Allianz in december 2018 de aansprakelijkheid heeft erkend en ook niet dat zij daarop (voor het eerst) in februari 2021, naar aanleiding van onder meer een verzoek van [verzoeker] om een nader voorschot, terugkomt. Daarnaast staat vast dat Allianz is gebonden aan de Gedragscode Behandeling Letselschade (hierna: GBL), dat is ook niet in geschil. De GBL bevat voor verzekeraars geldende gedragsnormen. In deze zaak komt dan vooral betekenis toe aan de gedragsregels 3 en 4 over het starten van onderzoek en het innemen van het standpunt. Gedragsregel 3 van de GBL luidt: “De verzekeraar handelt alert en zorgvuldig door het onderzoek naar de aansprakelijkheid bij haar verzekerde direct na de aansprakelijkstelling te starten.” Gedragsregel 4 luidt: “Binnen drie maanden na ontvangst van de aansprakelijkstelling neemt de verzekeraar een onderbouwd standpunt over de aansprakelijkheid in.” Dat is in deze zaak van [verzoeker] niet gebeurd. Allianz beschikte medio november 2018 over delen van het proces-verbaal, dat is tijdens de mondelinge behandeling duidelijk geworden. Op basis van dat (incomplete) proces-verbaal is zij de zaak van [verzoeker] gaan behandelen. Vanaf het in behandeling nemen op 12 december 2018 - wat tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde gedragsregels al rijkelijk laat is (de aansprakelijkstelling dateert van 14 juni 2018) - heeft Allianz voldoende gelegenheid gehad om desgewenst aanvullende informatie, waaronder het volledige proces-verbaal, de lezing van [verzoeker] en de camerabeelden, te achterhalen. Tijdens het huisbezoek in februari 2019 heeft Allianz in ieder geval aanvullende informatie over de toedracht volgens [verzoeker] ontvangen. Dat het ruime tijdsverloop voor het loskrijgen van meer informatie (mede) toe te schrijven is aan een moeizaam contact met (de advocaat van) haar eigen verzekerde ( [D] ) is een omstandigheid die voor risico van Allianz komt en die zij niet aan [verzoeker] kan tegenwerpen. Allianz had bij [verzoeker] kunnen navragen of hij beschikte over de ontbrekende verklaringen (van [verzoeker] zelf en getuige [getuige] ) in het proces-verbaal ter aanvulling op het gedeelte van het proces-verbaal waarover zij in november 2018 al beschikte. Ook had Allianz haar verzekerde met het oog op haar eigen civiele belangen - ter zitting is gebleken dat Allianz regres zoekt op haar verzekerde - kunnen dwingen het volledige proces-verbaal aan haar ter beschikking te stellen en hetzelfde geldt voor het kunnen bekijken van de camerabeelden. Dat heeft Allianz allemaal niet gedaan, terwijl die informatie wel opvraagbaar was. Bij de afwikkeling van de claim van [verzoeker] heeft Allianz naar het oordeel van de rechtbank zodoende in strijd gehandeld met de Gedragscode Behandeling Letselschade door in februari 2021 - dat wil zeggen meer dan twee jaar na het in behandeling nemen van de letselschade van [verzoeker] - terug te willen komen op de aansprakelijkheidsvraag. Daarbij wijst de rechtbank er ook op dat het voorbehoud dat Allianz in december 2018 heeft gemaakt onvoldoende specifiek is in het licht van de toelichting op Gedragsregel 4 van de GBL. De GBL is geen recht in de zin van artikel 79 RO maar is wel (op dit onderdeel voor verzekeraars) materieel bindende regelgeving. Dat betekent dat het gedrag/nalaten van Allianz als rechtsverwerking aangemerkt moet worden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.