RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/3163 uitspraak van de enkelvoudige van 3 februari 2022 in de zaak tussen [verzoekster], te [woonplaats] , verzoekster, (gemachtigde: mr. P.H. Lammerts) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft bezwaar ingediend tegen verweerders besluit van 1 april
- Verweerder heeft op 30 juni 2021 een besluit op dit bezwaar genomen (het bestreden besluit) en beslist dat het bezwaar ongegrond is. Verzoekster heeft op 20 juli een beroepschrift per post naar de rechtbank gestuurd die op 26 juli 2021 door de rechtbank is ontvangen. Op 22 juli 2021 heeft verweerder het besluit op bezwaar van 30 juni 2021 ingetrokken en is verweerder verder gegaan met de bezwaarprocedure. Op 28 september 2021 heeft verweerder een nieuw besluit genomen. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. Verweerder heeft op 4 januari 2022 gereageerd op dit verzoek. In zijn reactie heeft verweerder medegedeeld dat hij geen aanleiding ziet voor een vergoeding van de proceskosten, dan wel alleen aanleiding ziet voor het toekennen van een lager bedrag. Overwegingen
- Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
- Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van verzoekster moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
- Verweerder heeft in zijn reactie op de vraag om proceskostenvergoeding gereageerd. Hij zegt geen aanleiding te zien om de proceskosten te vergoeden, omdat uit de datumstempel op het beroepschrift blijkt dat het beroepschrift van 20 juli 2021 pas op 26 juli 2021 is aangekomen bij de rechtbank. Dat is nadat de beslissing op bezwaar is ingetrokken. Indien de rechtbank van oordeel is dat verweerder wel de proceskosten moet vergoeden, moet dit een lager bedrag zijn, want er is alleen een voorlopig beroepschrift ingediend.
- De rechtbank overweegt als volgt. De datum die is vermeld op het beroepschrift is 20 juli
- De rechtbank gaat er vanuit dat het beroepschrift op deze datum ook per post is verzonden aan de rechtbank. Dit betekent dat het bestreden besluit op het moment van verzending van het beroepschrift nog niet was ingetrokken. Dat het beroepschrift pas op 26 juli 2021 is aangekomen bij de rechtbank doet daar niet aan af. Verzoekster kon niet van te voren weten op welke dag het beroepschrift door de rechtbank ontvangen zou worden, dan wel dat het bestreden besluit op 22 juli 2021 ingetrokken zou worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat verzoekster ten aanzien van dit beroepschrift heeft mogen verzoeken om een vergoeding van haar proceskosten.
- Verder overweegt de rechtbank dat in artikel 6:4, derde lid van de Awb staat dat het instellen van beroep bij de bestuursrechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de rechter. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoekster dit gedaan op 20 juli 2021, waardoor de proceskostenvergoeding niet lager hoeft uit te vallen.
- Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 28 september 2021 is verweerder geheel tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster. Dit geeft aanleiding tot een vergoeding van de proceskosten van verzoekster door verweerder. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
- Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:41 Awb). Dit volgt rechtstreeks uit de wet. In verzoeksters geval gaat het om een bedrag van € 360,-. Verzoekster zal zich hierover tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank: veroordeelt verweerder tot betaling van € 759,- aan proceskosten. veroordeelt verweerder tot betaling van € 360,- aan griffierecht. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier. De beslissing is uitgesproken op 3 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.