RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/1468 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 februari 2022 in de zaak tussen [eiseres] , in de hoedanigheid van bewindvoerder van [A], uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest), en Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., verweerder (gemachtigden: mr. S. Gezer, mr. D. Uwamahoro, M. de Kleine en mr. H. Arnold). Verder nemen als partij aan het geding deel: [eiseres] , uit [woonplaats] (gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest) en mr. A.P.G. Gielen, in de hoedanigheid van curator van [zorgverlener] B.V., gevestigd in Utrecht. Inleiding
(2016)of toekenning (2017 en 2018). De bewijslast daarvan rust dus op het zorgkantoor. Als hij daartoe relevante feiten aandraagt, is het vervolgens aan de bewindvoerder om die te betwisten en om die betwisting te onderbouwen. De standpunten van partijen over het lager vaststellen van het pgb 2016 22. Het zorgkantoor heeft nadat de pgb-fraude bij [zorgverlener] was ontdekt, het pgb over 2016 lager vastgesteld op een bedrag van € 17.154,53. Volgens het zorgkantoor is de administratie van [zorgverlener] die hij in januari 2019 van de Inspectie SZW heeft ontvangen, een feit of omstandigheid waarvan hij ten tijde van de vaststelling van het pgb op 20 mei 2017 niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan hij het pgb lager zou hebben vastgesteld. Het zorgkantoor heeft verwezen naar het onderzoek van de Inspectie SZW en de uitkomst van het strafproces dat is gevoerd tegen de medewerkers van [zorgverlener] . In dat verband heeft het zorgkantoor erop gewezen dat hem pas uit de administratie van [zorgverlener] duidelijk werd dat de budgethouder niet of maar zeer beperkt voorkomt op het personeelsrooster van [zorgverlener] , in de individuele planningen van medewerkers van [zorgverlener] of in de presentielijsten die [zorgverlener] bijhield. In 2016 is er ambulante zorg/begeleiding individueel (BGind) gedeclareerd ten behoeve van de budgethouder terwijl in de administratie van [zorgverlener] geen enkele registratie is aangetroffen waaruit blijkt dat deze zorg daadwerkelijk was ingepland en is geleverd. Verder zijn in budgetjaar 2016 ten behoeve van de budgethouder 44 dagdelen Begeleiding Groep (BGgrp) gedeclareerd, terwijl uit de administratie van [zorgverlener] blijkt dat er slechts acht dagdelen BGgrp zijn ingepland/geleverd. Daarnaast is uit de administratie van [zorgverlener] gebleken dat er zorg is geleverd die niet onder de Wlz valt, aldus het zorgkantoor. Ten slotte zijn de declaraties niet ondertekend door de zorgverlener(s). 23. De bewindvoerder heeft onder meer aangevoerd dat een meer intensieve controle al aan het licht zou hebben gebracht dat uit de declaraties niet blijkt welke zorgverlener van [zorgverlener] de zorg heeft geleverd en dat de zorgverlener de declaraties niet heeft ondertekend. Omdat het zorgkantoor geen intensieve controle heeft verricht, is er volgens de bewindvoerder geen grondslag voor wijziging van het pgb. De bewindvoerder heeft daarnaast aangevoerd dat zij niet wist en ook niet kon weten dat de vaststelling van het pgb onjuist was. De bewindvoerder heeft verder aangevoerd dat het zorgkantoor niet zomaar kan uitgaan van de juistheid van de documenten van [zorgverlener] . Het is inmiddels immers duidelijk geworden dat [zorgverlener] grootschalige fraude heeft gepleegd, waarvoor zij ook strafrechtelijk is vervolgd. De administratie van [zorgverlener] is daarom volgens de bewindvoerder onbetrouwbaar. Een intensieve controle had niet uitgemaakt 24. De rechtbank overweegt dat het bestuursorgaan de subsidievaststelling kan intrekken of ten nadele van de ontvanger kan wijzigen op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) hanteert als hoogste bestuursrechter in pgb-zaken een vaste lijn over gevallen waarin het zorgkantoor voorafgaand aan de subsidievaststelling heeft volstaan met een globale controle van de verantwoording van de besteding van het pgb in de administratie van de budgethouder. Die lijn houdt in dat de omstandigheid dat een globale controle is uitgevoerd, er niet aan afdoet dat het zorgkantoor had kunnen overgaan tot een meer intensieve beoordeling van die verantwoording. Voor zover het zorgkantoor daardoor redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van relevante feiten en omstandigheden, staat het naderhand op de hoogte raken van die feiten en omstandigheden in de weg aan het intrekken of wijzigen op grond van die later bekend geworden feiten en omstandigheden. De rechtbank volgt deze lijn van de CRvB ook in deze zaak. 25. Het zorgkantoor heeft er terecht op gewezen dat hij bij de vaststelling van het pgb niet op de hoogte kon zijn van de inhoud van de administratie van [zorgverlener] omdat hij deze administratie pas eind januari 2019 van de Inspectie SZW heeft ontvangen. Meer specifiek gaat het om de planningen van [zorgverlener] (van ambulante zorg en dagbesteding), het personeelsrooster en de individuele planningen van de medewerkers van [zorgverlener] . De rechtbank oordeelt daarom dat dit geen feiten en omstandigheden zijn die aan het licht waren gekomen als het zorgkantoor al eerder een intensievere controle had verricht van de administratie van de bewindvoerder. In zoverre slaagt de beroepsgrond niet. De bewindvoerder had onjuistheid van [zorgverlener] -administratie beter moeten onderbouwen 26. De rechtbank oordeelt vervolgens dat het zorgkantoor zich vanwege de discrepanties in de administratie van [zorgverlener] op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de budgethouder (alle) zorg heeft ontvangen die is gedeclareerd en uit het pgb is betaald. Hierbij speelt ook mee dat in een proces-verbaal van de Inspectie SZW staat dat [zorgverlener] over 2014, 2015 en 2016 een personeelskostendruk van slechts 10% van de omzet had terwijl dit bij soortgelijke instanties 71% is. Verder valt uit onderzoek naar de geldstromen van [zorgverlener] op te maken dat ruim 80% van de ontvangen pgbgelden door [zorgverlener] niet aan zorg is uitgegeven. Dit volgt uit het proces-verbaal ‘Schadebeperkende maatregelen zorgfraude’ van 28 juni 2018. Het zorgkantoor heeft hiermee aan zijn bewijslast – zoals bedoeld in overweging 21 – voldaan. 27. Dit betekent niet dat de rechtbank zonder meer uitgaat van de juistheid van deze administratie. De bewindvoerder wijst er terecht op dat er bij [zorgverlener] veel niet goed is gegaan. In het licht van de discrepanties waarop het zorgkantoor wijst, lag het vervolgens echter wel op de weg van de bewindvoerder om de documenten van [zorgverlener] gemotiveerd te betwisten en (met andere stukken) aannemelijk te maken dat de budgethouder wel degelijk alle (gedeclareerde) zorg heeft ontvangen en dat dit ook zorg was die onder de Wlz viel. De bewindvoerder had tegenbewijs moeten leveren, tegenover de [zorgverlener] -administratie waarop het zorgkantoor zich beroept. De enkele stelling dat de zorg wel is verleend en dat de administratie van [zorgverlener] niet te vertrouwen is, is onvoldoende om daarvan uit te gaan. De bewindvoerder heeft geen andere verklaring kunnen geven voor de (grote) verschillen tussen de gedeclareerde zorg en de geplande zorg zoals die uit de administratie van [zorgverlener] blijken. Zij heeft ook niet zelf aannemelijk kunnen maken dat de betreffende zorg in afwijking van de administratie van [zorgverlener] wel degelijk is ontvangen. Ook op dit punt slaagt de beroepsgrond daarom niet. Conclusie over het lager vaststellen van het pgb 2016 28. Uit het voorgaande volgt dat aannemelijk is dat als het zorgkantoor eerder op de hoogte was geweest van de administratie van [zorgverlener] dit een reden was geweest om het pgb lager vast te stellen. Hieruit volgt dat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Het zorgkantoor is op grond van dit artikelonderdeel bevoegd om het pgb over het jaar 2016 lager vast te stellen, uitgaande van de bedragen die aan de besluitvorming ten grondslag zijn gelegd en waarvan de hoogte door de bewindvoerder niet is betwist. 29. Deze grondslag kan het besluit zelfstandig dragen voor wat betreft de bevoegdheid van het zorgkantoor tot het lager vaststellen van het pgb over 2016. De rechtbank zal daarom niet beoordelen of het zorgkantoor (ook) bevoegd was om het pgb over 2016 lager vast te stellen op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, omdat de bewindvoerder niet zou hebben voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen. Het lager vaststellen van het pgb over 2017 en 2018 30. Uit de overwegingen 24 tot en met 27 volgt dat het zorgkantoor aannemelijk heeft gemaakt dat de budgethouder niet alle gedeclareerde pgb-zorg heeft gekregen, en dat de bewindvoerder er niet in is geslaagd daarvan tegenbewijs te leveren. Dit oordeel van de rechtbank werkt vervolgens door naar het pgb over 2017 en 2018, omdat het onderzoek naar [zorgverlener] ook op die jaren betrekking heeft. De rechtbank oordeelt in het verlengde van haar overwegingen hiervoor dan ook dat het zorgkantoor het pgb over 2017 en 2018 lager heeft kunnen vaststellen. De beroepsgrond slaagt niet. 31. Het zorgkantoor is op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb bevoegd om het pgb over het jaar 2017 en 2018 lager vast te stellen, uitgaande van de bedragen die aan de besluitvorming ten grondslag zijn gelegd en waarvan de hoogte door de bewindvoerder niet is betwist. 32. Deze grondslag kan het besluit zelfstandig kan dragen voor wat betreft de bevoegdheid van het zorgkantoor tot het lager vaststellen van het pgb over 2017 en 2018. De rechtbank zal daarom niet beoordelen of het zorgkantoor (ook) bevoegd was om het pgb over die jaren lager vast te stellen op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b en onder c van de Awb. Beroep op opgewekt vertrouwen door huisbezoek 33. De bewindvoerder heeft aangevoerd dat het zorgkantoor over 2017 en 2018 het pgb niet lager mocht vaststellen omdat zij erop mocht vertrouwen dat de pgb-administratie in orde was. Naar aanleiding van het huisbezoek op 2 november 2017 heeft het zorgkantoor op 24 november 2017 namelijk laten weten dat het pgb-beheer in orde was. 34. Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel moeten op grond van de rechtspraak van de CRvB drie stappen worden doorlopen. De eerste stap is dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. 35. De rechtbank oordeelt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Het opgewekte vertrouwen waar de bewindvoerder zich onder verwijzing naar het huisbezoek op beroept, ziet op de vraag of zij erop kon en mocht vertrouwen dat het zorgkantoor geen gebruik zou maken van zijn bevoegdheid het pgb lager vast te stellen omdat niet is voldaan aan de daaraan verbonden (administratieve) verplichtingen. De grondslag van die bevoegdheid is artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Het vertrouwen dat zou zijn opgewekt ziet dus niet op de uitoefening van de bevoegdheid van het zorgkantoor tot het lager vaststellen van het pgb op een van de andere gronden genoemd in artikel 4:48, van de Awb. Zoals de rechtbank in overweging 32 heeft geoordeeld kan artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb het besluit waarbij het zorgkantoor het pgb lager heeft vastgesteld, zelfstandig dragen. Omdat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet ziet op deze bevoegdheid, komt de rechtbank ook aan de bespreking daarvan verder niet toe. Conclusie over de bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen 36. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het zorgkantoor bevoegd is om het pgb over de jaren 2016, 2017 en 2018 lager vast te stellen. De rechtbank zal hierna beoordelen of het zorgkantoor in dit specifieke geval van deze bevoegdheid gebruik kon maken. Waar de rechtbank het hierna heeft over het lager vaststellen van het pgb doelt zij ook op het in 2016 op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb ten nadele van de budgethouder gewijzigde vaststellingsbesluit. Overwegingen over de toetsing door de bestuursrechter Regelgeving en rechtspraak 37. Bij de uitoefening van de bevoegdheid om een pgb lager vast te stellen moet een belangenafweging worden gemaakt, die niet mag leiden tot een voor de budgethouder onevenredige uitkomst. Bij die afweging moet worden gekeken naar het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting(
- en)en de gevolgen van de verlaging voor de budgethouder, waarbij ook de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is. Deze verplichting tot een evenredige belangenafweging volgt uit artikel 3:4 van de Awb; de hiervoor genoemde concrete invulling daarvan volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB. 38. In dit geval is sprake van een lagere vaststelling van een pgb van een budgethouder met een gewaarborgde hulp. Om de toepassing van de verplichting tot een evenredige belangenafweging in deze situatie te kunnen preciseren, gaat de rechtbank eerst in op de wettelijke systematiek van de gewaarborgde hulp bij een pgb. 39. Op grond van artikel 5.6 van de Regeling langdurige zorg (Rlz) moet een budgethouder met bepaalde zorgprofielen beschikken over een gewaarborgde hulp voordat een pgb kan worden verstrekt. Ook in andere gevallen mag de budgethouder er echter voor kiezen om, onverplicht, een gewaarborgde hulp in te schakelen. Zowel de verplichte als de onverplichte gewaarborgde hulp moet aan bepaalde voorwaarden voldoen, die zijn neergelegd in artikel 5.11 van de Rlz. Op grond daarvan moet de gewaarborgde hulp voldoende waarborg bieden voor het nakomen van de voor de budgethouder aan het pgb verbonden verplichtingen. Deze bepalingen uit de Rlz vinden hun grondslag in de Wlz en het Besluit langdurige zorg. 40. In de toelichting bij de Rlz staat het volgende over de invoering van de gewaarborgde hulp: “(…). Het begrip ‘gewaarborgde hulp’ betreft hulp van een derde die door de verzekerde is ingeschakeld en van wie voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze kan in staan voor nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen. Het gaat dus om bijvoorbeeld een vertegenwoordiger of een andere derde, die de verzekerde helpt om te voldoen aan de voorwaarden van verlening van een persoonsgebonden budget, zoals het voeren van regie over de zorg. Het begrip is ontleend aan de jurisprudentie die mede ten grondslag ligt aan de verleningsvoorwaarden zoals die zijn beschreven in artikel 3.3.3 van de wet. (…) Voorop blijft staan dat een verzekerde in staat moet zijn de verplichtingen na te komen die aan het pgb zijn verbonden. Als de verzekerde dat niet zelf kan, dan mag hij hulp inschakelen. Die hulp moet dan gewaarborgd zijn. Dat wil zeggen dat de derde ervoor moet instaan dat de verplichtingen (die formeel gelden en blijven gelden voor de verzekerde als budgethouder) worden nagekomen. Het voorgestelde artikel vult deels in wat géén gewaarborgde hulp is en geeft het zorgkantoor de bevoegdheid om in die situaties een pgb te weigeren. Het gebruik van die bevoegdheid levert een beperking op van de kring van personen die een verzekerde kan helpen om voor een pgb in aanmerking te komen. Als de derde bijvoorbeeld in de schuldsanering zit dan kan worden geweigerd. Maar ook als de derde eerder als vertegenwoordiger optrad voor een budgethouder die zich niet heeft gehouden aan de regels. Het gaat dus nu al over beperkingen aan de kring van vertegenwoordigers. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de verplichtingen omtrent het pgb, evenals de gevolgen bij niet-naleving daarvan, rusten in de eerste plaats nog steeds voor de budgethouder. Die zal ook nog steeds aan alle verplichtingen moeten voldoen die rondom het pgb gelden. De budgethouder die een derde inschakelt, doet er daarom goed aan zich ervan te vergewissen dat een hulppersoon (of organisatie) die hij inschakelt integer is en ook kan waarborgen dat de budgethouder zal voldoen aan verplichtingen rond het pgb die de budgethouder zonder diens hulp mogelijk niet kan nakomen.(…)”. 41. De nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen is de eigen verantwoordelijkheid van de budgethouder. Dit uitgangspunt blijft in beginsel ook overeind als een gewaarborgde hulp is ingeschakeld. Dat volgt uit de rechtspraak van de CRvB. 42. Het gevolg van deze wettelijke systematiek is dat een zorgkantoor een gewaarborgde hulp niet kan aanspreken via de bestuursrechtelijke weg, als diegene niet goed functioneert. De Wlz biedt geen grondslag voor het terugvorderen bij de gewaarborgde hulp na de lagere vaststelling van een pgb, omdat het zorgkantoor immers niet onverschuldigd heeft betaald aan de gewaarborgde hulp. Als een gewaarborgde hulp ten onrechte declareert of de administratie niet goed bijhoudt, kan het zorgkantoor het onverschuldigd betaalde pgb als bestuursorgaan via de lagere vaststelling van het pgb alleen op de budgethouder verhalen. De gewaarborgde hulp zal hij via de civiele rechter moeten aanspreken. Bescherming budgethouders te goeder trouw: de huidige lijn 43. In de brief van 7 december 2015 heeft de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (de staatssecretaris, inmiddels: de minister voor Langdurige Zorg en Sport) de Tweede Kamer geïnformeerd over situaties van pgb-fraude waarin budgethouders te goeder trouw hebben gehandeld en een zorgverlener feitelijk de zorg hebben laten regelen en het pgb laten beheren. In de brief staat dat als de budgethouder te goeder trouw heeft gehandeld, het zorgkantoor hier expliciet en zo snel mogelijk over communiceert naar de budgethouder. De vordering van het zorgkantoor op de budgethouder wordt dan stopgezet. Dat neemt niet weg dat de budgethouder een vordering kan hebben op de vermoedelijk frauderende zorgverlener. Het zorgkantoor neemt deze vordering op de zorgverlener (door middel van cessie) over. De zorgkantoren pakken de vermoedelijk frauderende zorgverleners op civielrechtelijke wijze aan. 44. In de brief van 10 april 2017 heeft de staatssecretaris de Tweede Kamer vervolgens geïnformeerd over de afspraken die met branchevereniging Zorgverzekeraars Nederland en de zorgkantoren zijn gemaakt over het vorderen van pgb-schulden bij minderjarigen. In de brief staat dat met de zorgkantoren en Zorgverzekeraars Nederland is afgesproken dat jongvolwassen budgethouders niet meer worden aangesproken door het zorgkantoor tot terugbetalen, maar dat de schuld wordt verlegd naar de wettelijk vertegenwoordiger. Hiervoor is een stappenplan opgesteld. De staatssecretaris heeft in dit kader opgemerkt dat de situatie dat jongvolwassenen worden aangesproken voor een pgb-schuld die is ontstaan tijdens hun minderjarigheid, zeer onwenselijk is. Deze situatie is ontstaan doordat de budgethouder primair verantwoordelijk is voor alle onderdelen van het pgb-beheer (zorginhoudelijk, administratief en financieel). Als een budgethouder minderjarig is, dan vraagt de wettelijk vertegenwoordiger (vaak de ouder van de budgethouder) echter het pgb aan en beheert het feitelijk ook. Indien gedurende de minderjarigheid het beheer niet goed gaat en daardoor een vordering ontstaat, dan wordt de budgethouder zodra deze meerderjarig wordt helaas ook voor de ontstane vordering aanspreekbaar. Hierdoor kunnen jongvolwassenen door toedoen van hun wettelijk vertegenwoordiger met een pgb-vordering te maken krijgen. De jongvolwassene is echter niet de veroorzaker van deze pgb-schuld. Met deze afspraken wordt voorkomen dat jongvolwassen budgethouders worden gedupeerd met een pgb-schuld die buiten hun toedoen om is ontstaan, en waardoor zij mogelijk in de schuldsanering terecht komen. 45. Over deze brieven heeft de CRvB overwogen dat het doel en strekking ervan is dat frauderende zorgverleners worden aangepakt en dat budgethouders die te goeder trouw zijn, worden beschermd dan wel dat minderjarige budgethouders niet meer worden aangesproken op een pgb-schuld die zijn oorsprong vindt in het handelen van hun ouder/wettelijk vertegenwoordiger tijdens hun minderjarigheid. De CRvB heeft vervolgens geoordeeld dat uit de brieven moet worden afgeleid dat deze bescherming niet moet worden geplaatst in het kader van de beoordeling van het besluit van het zorgkantoor over de vaststelling of de terugvordering van het pgb, maar in het kader van de invordering. Strekking van die bescherming is immers dat het zorgkantoor de budgethouder beschermt door de uit de terugvordering voortvloeiende vordering door middel van cessie over te nemen om deze op de (vermoedelijk) frauderende zorgverlener te verhalen. Daarmee verdraagt zich volgens de CRvB niet dat de vordering als zodanig – lees: de terugvordering – wordt aangetast. Deze lijn in de rechtspraak is in 2017 tot stand gekomen. Vervolgens is in 2019 op dezelfde wijze geoordeeld ten aanzien van een budgethouder met het downsyndroom. Recent is deze lijn in 2021 door de CRvB nog bevestigd, waarbij nog is benadrukt dat de kwetsbaarheid van de budgethouder niet afdoet aan de hiervoor bedoelde aan het pgb verbonden verplichtingen en diens eigen verantwoordelijkheid daarbij. 46. Uit deze lijn in de rechtspraak van de CRvB volgt dat de (rechts)bescherming van budgethouders die te goeder trouw zijn en van minderjarige budgethouders, niet plaatsvindt bij de bestuursrechter, maar bij de civiele rechter in het kader van de invordering. Nieuwe lijn: rechtsbescherming bij de bestuursrechter voor twee groepen kwetsbare budgethouders 47. De rechtbank oordeelt dat er in een procedure over de lagere vaststelling van een pgb bij de bestuursrechter ruimte moet zijn om gewicht toe te kennen aan de kwetsbaarheid en de goede trouw van de budgethouder. Die ruimte moet worden gezocht in de toetsing door de bestuursrechter van de vraag of de belangenafweging door het zorgkantoor die tot een lagere vaststelling van een pgb heeft geleid, een evenredige uitkomst oplevert. 48. De rechtbank onderscheidt de volgende categorieën van kwetsbare budgethouders voor wie deze nieuwe lijn moet gelden. Ten eerste budgethouders die verplicht een gewaarborgde hulp hebben moeten inschakelen om in aanmerking te komen voor een pgb. Ten tweede budgethouders die door de wet niet verplicht worden om een gewaarborgde hulp in te stellen, maar van wie vaststaat dat zij niet in staat zijn om zelf de aan het pgb verbonden verplichtingen na te komen – bijvoorbeeld omdat dat is gebleken tijdens een bewustkeuzegesprek – en die daarom onverplicht en in samenspraak met het zorgkantoor een gewaarborgde hulp hebben ingeschakeld. De rechtbank oordeelt dat de bescherming van deze kwetsbare budgethouders wél kan worden geplaatst in het kader van de lagere vaststelling en de terugvordering van het pgb. Afwijken van de oude lijn noodzakelijk 49. De rechtbank wijkt voor deze gevallen af van de rechtspraak van de CRvB, omdat het wenselijk is dat kwetsbare budgethouders die op een gewaarborgde hulp vertrouwen, bescherming krijgen tegen vorderingen die zeer ingrijpend kunnen zijn. De rechtbank benoemt in dat kader ook de omstandigheid dat kwetsbare budgethouders vaak een bewindvoerder hebben, wat betekent dat de kantonrechter heeft vastgesteld dat de budgethouder vanwege van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is om ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Bovendien is die bewindvoerder in sommige gevallen tevens aangesteld als gewaarborgde hulp. 50. De problematiek in de relatie tussen kwetsbare budgethouders, de rol van de gewaarborgde hulp en die van een eventuele bewindvoerder is in 2017 al onderkend in het rapport ‘Onderzoek terugvordering bij budgethouders te goeder trouw’, en komt ook naar voren in het recente rapport ‘Pgb-toekenning gebaat bij juridisch borgen gewaarborgde hulp en betere sturingsinformatie’. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (inmiddels: de minister voor Langdurige Zorg en Sport) heeft over dat laatste rapport recent, op 10 november 2021, aan de Tweede Kamer laten weten dat het aan een volgend kabinet is om te bepalen of en op welke wijze invulling wordt gegeven aan de aanbevelingen. Deze rapporten beschrijven een zwakke plek op het snijvlak van het bestuursrecht en het civiele recht waar het gaat om de regeling voor het pgb, de gewaarborgde hulp en vaak ook bewindvoering. 51. De rechtbank ziet die zwakke plek ook. De wetgever heeft gekozen voor een systeem met een gewaarborgde hulp op basis van de Wlz, zodat ook mensen van wie vast staat dat zij zelf niet in staat zijn om het pgb te beheren, in aanmerking kunnen komen voor een pgb. De wetgever heeft in die wet tegelijkertijd de verantwoordelijkheid om aan de verplichtingen van het pgb te voldoen bij deze budgethouders gelaten. De budgethouder is en blijft bestuursrechtelijk dus verantwoordelijk voor de aan het pgb verbonden verplichtingen. Het is in dat licht onwenselijk dat kwetsbare budgethouders, die moeten kunnen vertrouwen op het handelen van de door hen daartoe ingeschakelde gewaarborgde hulp, diezelfde gewaarborgde hulp vanwege hun onrechtmatig handelen aansprakelijk moeten stellen voor het door het zorgkantoor teruggevorderde bedrag en daartoe op de civiele rechter aangewezen zijn. 52. De rechtbank betrekt bij dit oordeel bovendien dat de bestuursrechter geen zicht heeft op een eventueel toekomstig invorderingstraject nadat de terugvordering van het pgb komt vast te staan. Het verloop van dit traject is onzeker, waardoor het eventueel moeten terugbetalen van een groot bedrag voor de budgethouder in de lucht blijft hangen met alle onzekerheid en stress die daarmee gepaard kunnen gaan. Een budgethouder zal zich dan in de toekomst bij de civiele rechter op zijn goede trouw moeten beroepen, terwijl die procedure ook aanzienlijke proceskosten met zich mee kan brengen. Daar komt bij dat hij ook in die procedure afhankelijk is van de inzet van derden zoals bijvoorbeeld een bewindvoerder en/of familieleden. 53. De rechtbank vindt dat kwetsbare personen hiervan niet de dupe mogen worden en ziet hierin aanleiding om kritischer te kijken naar de omvang en reikwijdte van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming die zij voor de in overweging 47 omschreven groepen moet bieden in zaken over pgb-fraude. De rechtbank weegt daarbij nadrukkelijk mee dat het in de genoemde situaties gaat om een kwetsbare budgethouder, terwijl de positie van een burger tegenover een bestuursorgaan als het zorgkantoor per definitie ongelijkwaardig is. Het is de taak van de bestuursrechter hierop toe te zien en om deze ongelijkwaardige positie zo nodig in zijn beoordeling te betrekken. Er is nog geen zicht op concrete acties door het nieuwe kabinet en/of de wetgever, gericht op aanpassing van de Wlz. Omdat de wetgever er nu voor kiest (nog) niet te reageren op de geschetste ontwikkelingen, moet de noodzakelijke bescherming in afwachting daarop door de rechter kunnen worden geboden. Het is bovendien de taak van de bestuursrechter om actief te onderzoeken wat de gevolgen van een besluit zijn en of die evenredig zijn. Ook moet de bestuursrechter zich met het oog op de rechtsvorming vrij voelen om van een vaste lijn in de rechtspraak af te wijken als de zaak daarom vraagt. Dit is nogmaals bevestigd door de toeslagenaffaire. De rechtbank voelt zich in het licht hiervan genoodzaakt om in het kader van de procedure over de lagere vaststelling van het pgb, via de evenredigheidstoets rechtsbescherming te bieden bij de bestuursrechter, waarbij de goede trouw van de omschreven groepen kwetsbare budgethouders zal worden betrokken. Uitwerking evenredigheidsbeginsel Raad van State toegepast 54. Voor de invulling van de evenredigheidstoetsing zoekt de rechtbank aansluiting bij de uitwerking die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State daaraan recent heeft gegeven. Die invulling geldt voor gevallen waarbij het bestreden besluit berust op een discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan. Daarvan is ook in deze zaak sprake bij het lager vaststellen van het pgb door het zorgkantoor, wat bovendien een belastend besluit is. De rechtbank toetst de (uitkomst van
- de)belangenafweging die het zorgkantoor heeft gemaakt aan de norm die is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Bij deze toetsing spelen de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het besluit een rol, waarbij de intensiteit van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt bepaald door onder meer de aard en de mate van de beleidsruimte van het zorgkantoor, de aard en het gewicht van de met het lager vaststellen van het pgb te dienen doelen en de aard van de betrokken belangen en de mate waarin deze door het besluit worden geraakt. De toetsing door de rechtbank zal intensiever zijn naarmate die belangen zwaarder wegen, de nadelige gevolgen van het besluit ernstiger zijn of het besluit een grotere inbreuk maakt op fundamentele rechten. Overwegingen over de belangenafweging in deze zaak 55. Dat de rechtbank onderzoekt of de bescherming van een kwetsbare budgethouder in het bestuursrechtelijke spoor is gewaarborgd, betekent nog niet dat die toets altijd in het voordeel van de budgethouder uitvalt. De rechtbank ziet zich nu dan ook voor de vraag gesteld of het zorgkantoor in deze zaak in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het pgb over de jaren 2016, 2017 en 2018 lager vast te stellen. 56. Het zorgkantoor heeft in dit kader gesteld dat het belang van de handhaving van de niet nagekomen verplichtingen zwaarder weegt dan het belang van de budgethouder. Het gaat om gemeenschapsgeld dat achteraf ten onrechte als pgb is verstrekt en dat moet volgens het zorgkantoor terug worden betaald. Het zorgkantoor heeft op de zitting toegelicht dat zijn belangenafweging zo moet worden begrepen dat hij daarbij de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze tekortkoming aan de budgethouder kan worden verweten, heeft betrokken. 57. De bewindvoerder voert aan dat de budgethouder 24 uur per dag zorg nodig heeft omdat hij het downsyndroom heeft en het intelligentieniveau van een 4-jarige. De budgethouder is als te goeder trouw aangemerkt en hem valt niets te verwijten. De regelgeving rondom het pgb is complex en het gaat in de regel om grote bedragen die moeten worden terugbetaald. Dat legt een bijzondere verantwoordelijkheid bij het zorgkantoor. Het zorgkantoor heeft dit onvoldoende onderkend. Budgethouder te goeder trouw 58. De rechtbank stelt voorop dat de mate waarin de budgethouder een verwijt kan worden gemaakt een rol kan spelen bij de beoordeling van de vraag of het bestreden besluit voldoende is afgestemd op de concrete situatie. In dit geval oordeelt de rechtbank dat die afstemming onvoldoende is. Daarvoor is bepalend dat het zorgkantoor de budgethouder als te goeder trouw heeft beoordeeld met als gevolg dat het zorgkantoor daarom bereid is om de ten onrechte betaalde pgb-gelden niet bij hem in te vorderen. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt. 59. Met de kamerbrief van 7 december 2015 heeft de staatssecretaris beoogd bescherming te bieden aan budgethouders die (te goeder trouw) slachtoffer zijn geworden van pgb-fraude en een zorgverlener het pgb hebben laten beheren. De rechtbank oordeelt dat die bescherming ook moet gelden voor deze budgethouder (te goeder trouw) waarbij de beherende rol door de verplichte gewaarborgde hulp werd opgepakt. In deze zaak waarin de budgethouder onder bewind staat ziet de rechtbank bovendien parallellen met de situatie uit de brief van 10 april 2017. Een budgethouder die onder bewind staat is immers net als een minderjarige afhankelijk van (het handelen/nalaten van) zijn wettelijk vertegenwoordiger. 60. Het zorgkantoor heeft in de aanloop naar de zitting aan de bewindvoerder een voorstel gedaan om tot een schikking te komen en heeft de budgethouder als te goeder trouw beoordeeld. Het zorgkantoor verbindt aan het afzien van invordering de voorwaarde dat de budgethouder een vaststellingsovereenkomst tekent, althans dat als de budgethouder dit niet doet, het zorgkantoor zich het recht voorbehoudt om alsnog de onverschuldigd betaalde pgb-gelden bij hem in te vorderen. Hiermee lijkt het zorgkantoor de beoordeling of een budgethouder te goede trouw is afhankelijk te stellen van het al dan niet meewerken aan deze voorwaarde. De rechtbank acht dat in de deze zaak onaanvaardbaar. De rechtbank betrekt daarbij de zware verstandelijke beperking van de budgethouder en het gegeven dat hij voor het nakomen van deze voorwaarde de toestemming van de bewindvoerder nodig heeft. De rechtbank stelt daarom nu al zelf vast dat sprake is van goede trouw aan de zijde van de budgethouder. Handhaving jegens budgethouder zinledig 61. De rechtbank overweegt dat het belang van handhaving in het algemeen zwaar weegt, omdat het gaat om de besteding van gemeenschapsgeld. De rechtbank oordeelt echter dat het doel dat met het bestreden besluit wordt gediend niet kan zijn de handhaving van de Wlz jegens deze budgethouder. Omdat vaststaat dat de budgethouder te goeder trouw is, is aannemelijk dat die zich bij een eventueel invorderingstraject daarop kan beroepen, overeenkomstig het beleid van het zorgkantoor. Het alleen maar lager vaststellen en terugvorderen is jegens de budgethouder echter zinledig als niet ingevorderd zal of kan worden. Handhaving van de Wlz mag dan een begrijpelijk algemeen uitgangspunt zijn van het zorgkantoor, maar kan jegens deze budgethouder hier niet het met het bestreden besluit te dienen doel zijn. 62. Uit het handelen van het zorgkantoor in deze procedure leidt de rechtbank af dat hij in beginsel de gewaarborgde hulp wil aanspreken en op die manier het ten onrechte uit het pgb betaalde geld wil laten terugbetalen. De rechtbank vindt dat een redelijk doel dat voortkomt uit de taak van het zorgkantoor om gemeenschapsgeld goed te besteden. Bij de evenredigheidstoetsing die de rechtbank maakt moet vervolgens worden beoordeeld of het jegens de budgethouder genomen besluit om het pgb lager vast testellen noodzakelijk is om dit doel te bereiken, of dat het zorgkantoor met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan. Gewaarborgde hulp kan zelfstandig worden aangesproken 63. Het zorgkantoor heeft toegelicht dat hij een sterkere positie heeft in een eventuele civielrechtelijke procedure jegens de gewaarborgde hulp, als de lagere vaststelling en de terugvordering van het pgb bij de bestuursrechter in stand blijft. Op de tweede zitting lijkt het zorgkantoor in dit kader het standpunt in te nemen dat de civiele rechter feiten eerder bij zijn beoordeling zal betrekken, als die feiten in de bestuursrechtelijke procedure zijn komen vast te staan. 64. De rechtbank volgt dit niet en oordeelt dat het – volgens het zorgkantoor – onrechtmatige handelen van de gewaarborgde hulp het bestreden besluit niet noodzakelijk maakt. Zoals volgt uit overweging 42 kan het zorgkantoor een gewaarborgde hulp niet aanspreken via de bestuursrechtelijke weg als diegene niet goed functioneert. De grondslag van het bestreden besluit is gelegen in de Awb en de Wlz en is niet gericht op civielrechtelijk onrechtmatig handelen. Zoals het zorgkantoor in antwoord op de vragen van de rechtbank op 5 november 2021 heeft toegelicht, vraagt hij de budgethouder niet langer om diens – gestelde – vorderingen die door de besluitvorming zijn ontstaan aan het zorgkantoor te cederen, omdat het zorgkantoor ook zonder een cessie een zelfstandige civielrechtelijke vordering jegens een zorgverlener of de gewaarborgde hulp kan instellen. 65. De rechtbank begrijpt dat het zorgkantoor zich sterker voelt staan in de aanloop naar een civiele procedure, als eerst jegens de budgethouder het pgb lager wordt vastgesteld en wordt teruggevorderd. Deze besluiten zijn echter in juridische zin niet noodzakelijk voor de beoogde civielrechtelijke vordering. De civiele rechter is ook niet gehouden om de feiten uit de bestuursrechtelijke procedure te volgen. Het gaat om een eventuele vordering op de gewaarborgde hulp, omdat [zorgverlener] failliet is. Voor zover het zorgkantoor vindt dat de gewaarborgde hulp in strijd met de op basis van de Wlz gestelde regels en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, kan dat aan de civiele rechter worden voorgelegd. Voor zo’n civielrechtelijke procedure is het niet nodig dat een jegens de budgethouder genomen besluit tot het lager vaststellen en terugvorderen van het pgb in rechte komt vast te staan en formele rechtskracht krijgt. De bevoegdheidsverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter en het beginsel van formele rechtskracht brengen met zich mee dat de civiele rechter, als het bestreden besluit in rechte komt vast te staan, zal moeten aannemen dat het pgb bij de budgethouder lager is vastgesteld en is teruggevorderd. Dat is immers het rechtsgevolg van het bestreden besluit. De formele rechtskracht daarvan brengt echter niet mee dat de civiele rechter bij de beoordeling van een geschilpunt dat niet de geldigheid van het besluit betreft, is gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van de bestuursrechter over dat besluit. Voor zover het handelen dat het zorgkantoor de gewaarborgde hulp verwijt ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, gaat dat over de motivering of de feitenvaststelling. Die motivering of feitenvaststelling kan dus zonder beperking in volle omvang bij de civiele rechter worden voorgelegd. 66. De conclusie is dus dat het zorgkantoor het bestreden besluit niet nodig heeft voor een procedure tegen de gewaarborgde hulp. Omdat uit het handelen van het zorgkantoor naar voren komt dat hij in beginsel juist de gewaarborgde hulp wil aanspreken is zo’n civiele procedure dan ook een minder ingrijpend middel waarmee het beoogde doel kan worden bereikt. Grote gevolgen voor de budgethouder 67. De rechtbank overweegt verder dat de gevolgen voor de budgethouder groot zijn. Omdat het zorgkantoor niet nu al expliciet wil toezeggen dat hij van de invordering bij de budgethouder afziet hangt voor de budgethouder dus invordering van een groot bedrag (€ 36.208,89) in de lucht met alle stress en onzekerheid van dien. Verder is van belang dat budgethouder het downsyndroom heeft en een zogenoemde VG 4 indicatie, waardoor hij verplicht is om een gewaarborgde hulp in te schakelen om een pgb te krijgen waarmee de door hem gewenste zorg kan worden ingekocht. Niet in geschil is dat de budgethouder kwetsbaar is, in die zin dat hij niet in staat is om zelf de aan het pgb verbonden taken en verplichtingen na te komen. Het zorgkantoor stelt in zijn brief aan de rechtbank van 5 november 2021 vast dat dit al bleek tijdens het bewustkeuzegesprek op 13 mei 2016. Verder is de budgethouder te goeder trouw beoordeeld en daaruit leidt de rechtbank af dat ook het zorgkantoor vindt dat hem niets te verwijten valt. In dit geval is het daarom onwenselijk dat de budgethouder wordt aangesproken voor een pgbschuld enkel omdat hij volgens de wet als budgethouder primair verantwoordelijk is voor alle onderdelen van het pgb-beheer (zorginhoudelijk, administratief en financieel). De budgethouder staat onder bewind en het pgb is dus aangevraagd door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het beheer van het pgb lag bij de gewaarborgde hulp, die de budgethouder gelet op zijn zorgindicatie verplicht zelf moest aanstellen. De budgethouder is dus niet de veroorzaker van deze pgb-schuld. De rechtbank wijst in dit kader ook op een rapport van QConsult waarin de complexiteit van het pgb-systeem wordt benadrukt en waarin oplossingen worden genoemd om onduidelijkheid in de rolverdeling en aansprakelijkheid te voorkomen. 68. De rechtbank komt tot de conclusie dat het belang van het zorgkantoor bij handhaving in dit geval niet duidelijk is vast te stellen. Het doel dat het zorgkantoor met het besluit lijkt na te streven, kan niet worden bereikt. Aan de andere kant heeft de budgethouder er veel belang bij dat zijn pgb niet lager wordt vastgesteld. Hij heeft te maken met een hoge terugvordering waarvan het zorgkantoor nu niet expliciet wil afzien, terwijl het zorgkantoor tegelijkertijd van mening is dat hem niets te verwijten valt. Onder deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat het zorgkantoor de belangenafweging in deze zaak in redelijkheid niet in het nadeel van de budgethouder heeft kunnen laten uitvallen. Het lager vaststellen van het pgb is onevenredig in verhouding tot de met dat besluit door het zorgkantoor te dienen doelen. Het bestreden besluit is dus in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Terugvordering 69. Gelet op al het voorgaande heeft het zorgkantoor ten onrechte het pgb over de jaren 2016, 2017 en 2018 lager vastgesteld. Daarom is er geen sprake van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en kan ook de terugvordering op grond van artikel 4:57, van de Awb geen stand houden. Conclusie 70. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen. Een andere uitkomst is in het licht van deze uitspraak immers niet meer mogelijk. 71. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het zorgkantoor aan de bewindvoerder het door haar betaalde griffierecht vergoeden. 72. Omdat het beroep gegrond is, krijgt de bewindvoerder een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het zorgkantoor moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 5 punten op (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 541,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen op de zittingen met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 3.359,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; herroept het primaire besluit en bepaalt dat dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; draagt het zorgkantoor op het betaalde griffierecht van € 48,- aan de bewindvoerder te vergoeden; veroordeelt het zorgkantoor in de proceskosten van de bewindvoerder tot een bedrag van € 3.359,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, voorzitter, en mr. J.G. Nicholson en mr. K. de Meulder, leden, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk en L.S. Lodder, griffiers. De beslissing is uitgesproken op 11 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Bijlage 1 Procesverloop 1. Met het besluit van 9 juni 2016 heeft het zorgkantoor aan de budgethouder een pgb toegekend vanaf 27 juni 2016 van € 16.463,35. 2. Met het besluit van 20 mei 2017 heeft het zorgkantoor het pgb over de periode van 27 juni 2016 tot en met 31 december 2016 vastgesteld op € 23.794,53. 3. Met het besluit van 7 december 2016 heeft het zorgkantoor voor het jaar 2017 een pgb toegekend van € 48.941,-. 4. Met het besluit van 7 december 2017 heeft het zorgkantoor voor het jaar 2018 een pgb toegekend van € 50.664,-. 5. Op 20 april 2018 heeft het zorgkantoor de betaling van het pgb voor [zorgverlener] stopgezet. 6. Met het besluit van 19 juli 2018 (het primaire besluit) heeft het zorgkantoor het pgb van budgethouder ingetrokken met ingang van 27 juni 2016. Het totale pgb dat is betaald over deze periode wordt teruggevorderd (€ 84.946,92). Hiertegen heeft de bewindvoerder bezwaar gemaakt. 7. Met het besluit van 28 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar van de bewindvoerder gedeeltelijk gegrond verklaard. De intrekking van het pgb is komen te vervallen en het pgb is met ingang van 1 augustus 2018 beëindigd. Het pgb over de jaren 2016, 2017 en 2018 is gewijzigd vastgesteld op respectievelijk € 17.154,53, € 22.989,50, en € 10.434,34. Dit betekent dat de terugvordering van € 84.946,92 is gewijzigd naar € 36.208,89. 8. De bewindvoerder heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend. 9. Het beroep is op 11 maart 2021 op de zitting van de enkelvoudige kamer behandeld. 10. Op 19 april 2021 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en [eiseres] in haar hoedanigheid van gewaarborgde hulp in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende aan het geding deel te nemen. [eiseres] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Daarnaast neemt de curator als belanghebbende aan het geding deel. 11. Het zorgkantoor heeft een tweede verweerschrift ingediend. 12. De rechtbank heeft de zaak naar de meervoudige kamer verwezen. 13. De rechtbank heeft op 19 oktober 2021 schriftelijke vragen gesteld aan het zorgkantoor. Het zorgkantoor heeft die vragen op 5 november 2021 schriftelijk beantwoord. 14. Het beroep is op 16 november 2021 op de zitting van de meervoudige kamer behandeld, tegelijk met de beroepen met zaaknummers UTR 19/5325 en UTR 20/3039. [eiseres] was aanwezig, in haar hoedanigheid van bewindvoerder en van gewaarborgde hulp, bijgestaan door haar gemachtigde. De budgethouder en de curator waren niet aanwezig. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. 15. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst, om de bewindvoerder in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op het door het zorgkantoor op de zitting overgelegde vragenformulier en om partijen de gelegenheid te geven om te onderzoeken of er nog schikkingsmogelijkheden zijn. De bewindvoerder heeft niet meer gereageerd. 16. Op 26 november 2021 heeft het zorgkantoor aan de rechtbank geschreven dat hij na uitvoerig en zorgvuldig intern overleg tot de conclusie is gekomen dat er op dit moment geen aanleiding is om te schikken. 17. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 27 januari 2022. Bijlage 2 Wettelijke bepalingen Bepalingen over intrekking, wijziging en terugvordering van subsidies Artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht: 1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien: de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid; […] Artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht: 1. Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen: op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld; indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen. […] Artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht: Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen. […] Het evenredigheidsbeginsel Artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht: […] De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Bepalingen over de gewaarborgde hulp bij een pgb Artikel 3.3.3 van de Wet langdurige zorg: […] 4. Het persoonsgebonden budget wordt, onverminderd het vijfde lid en andere bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarden of beperkingen, verleend, indien: […] de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, de aan een budget verbonden taken en verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren; de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, de door hem verkozen zorgaanbieders en mantelzorgers op zodanige wijze aan te sturen en hun werkzaamheden op elkaar af te stemmen, dat sprake is of zal zijn van verantwoorde zorg; […] 5. Het persoonsgebonden budget wordt in ieder geval geweigerd indien: […] de vertegenwoordiger van de verzekerde niet voldoet aan regels inhoudende beperkingen of eisen die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan de kring van vertegenwoordigers kunnen worden gesteld in het belang van de bescherming van de verzekerde of van het waarborgen van de hulp, bedoeld in de onderdelen b en c van het vierde lid. Artikel 3.6.2 van het Besluit langdurige zorg: […] 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de verlening of weigering van een persoonsgebonden budget. Artikel 5.6 van de Regeling langdurige zorg: Tenzij de verzekerde beschikt over gewaarborgde hulp, wordt een persoonsgebonden budget niet verleend aan een verzekerde die: a. krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen op zorgprofiel: VV Beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging, VV Beschermd wonen met intensieve dementiezorg, VV Beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging, VV Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op begeleiding, VG Wonen met begeleiding en intensieve verzorging, VG Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging, VG Wonen met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering, VG Besloten wonen met zeer intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering, VG Wonen met begeleiding en volledige verzorging en verpleging, of GGZ wonen met intensieve begeleiding, GGZ wonen met intensieve begeleiding en verzorging, GGZ wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering, GGZ wonen met intensieve begeleiding en intensieve verpleging en verzorging, of b. op 31 december 2014 recht had op zorgzwaartepakket 4 VV, 5 VV, 6 VV, 7 VV, 4 VG, 5 VG, 6 VG, 7 VG en 8 VG. Artikel 5.11 van de Regeling langdurige zorg: […] 2. De verlening van een persoonsgebonden budget kan worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de door de verzekerde overeenkomstig het eerste lid ingeschakelde hulp: […] 5 ° anderszins onvoldoende waarborg zal bieden voor het nakomen van de voor de verzekerde aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen. Artikel 5.20 van de Regeling langdurige zorg: […] 2. Het zorgkantoor kan de verleningsbeschikking intrekken of wijzigen: […] b. met ingang van de dag waarop de verzekerde, of de derde die aan de verzekerde gewaarborgde hulp biedt, de opgelegde verplichtingen niet nakomt of niet langer voldoet aan de voorwaarden of verleningsgrond van het persoonsgebonden budget dan wel verhoging van het budget als bedoeld in artikel 5.1c, vijfde lid, of aan de eisen van gewaarborgde hulp; of […] Zorgprofiel 4 VG uit bijlage A bij de Regeling langdurige zorg (Rlz). Op grond van artikel 5.6 van de Rlz. Vonnissen van deze rechtbank van 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2814, ECLI:NL:RBMNE:2021:2815 en ECLI:NL:RBMNE:2021:2816. Op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:769. Zie de uitspraak van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1791, overweging 4.2. Staatscourant 2014, nr. 36917, p. 67. Staatscourant 2014, nr. 36917, p. 76. Bijvoorbeeld de uitspraak van 10 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:525, overweging 5.3. Brief van 7 december 2015, kenmerk 880304-144941-LZ. Brief van 10 april 2017, kenmerk 1091643-161000-LZ. Zie de uitspraken van 14 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2408, overwegingen 4.5.1 en 4.5.2. en 26 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2653, overwegingen 4.3.1. en 4.3.2. Zie de uitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4331. Bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:61, overweging 4.5.2. Op grond van artikel 5.6 van de Rlz. In de zin van artikel 1:431, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek. Rapport van de Nederlandse Zorgautoriteit van 19 oktober 2017, te raadplegen op puc.overheid.nl/nza. Rapport van Berenschot van 1 oktober 2021, bijlage bij het in voetnoot 20 genoemde kamerstuk. Kamerstukken II 2021/22, 25 657, nr. 338. De rechtbank verwijst naar het rapport ‘Recht vinden bij de rechtbank, lessen uit kinderopvangtoeslagzaken’ van de Werkgroep reflectie toeslagenaffaire rechtbanken, oktober 2021, te raadplegen op rechtspraak.nl. Uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128. Het rapport “Regie en vertegenwoordiging bij pgb-beheer” van Q-Consult zorg van 19 december 2017.