RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/009567-21 (ontneming) Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming in de zaak tegen [veroordeelde] geboren op [1959] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] ,hierna te noemen: veroordeelde. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 februari
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. A.E. Lohuis en van hetgeen veroordeelde en zijn raadsvrouw mr. A. van der Poel, advocaat te Veenendaal, naar voren hebben gebracht. 2VORDERING 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft op 4 januari 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie wordt geschat op € 804.416,
- Ter terechtzitting heeft de officier van justitie haar standpunt gewijzigd en gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 550.971,94 moet worden geschat. De officier van justitie gaat daarbij voor de hennepkwekerij uit van begindatum 1 maart 2013 en zestien oogsten waarbij met een kweekcyclus van tien weken en tijd voor het schoonmaken en opstarten van een nieuwe kwekerij wordt gerekend. Voor de tijd die verdachte gedetineerd heeft gezeten, trekt zij vijf oogsten af van die berekening. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn verzoekt de officier van justitie de betalingsverplichting met € 20.000,- te verminderen. De officier van justitie vordert de betalingsverplichting van veroordeelde vast te stellen op € 530.971,
- 2.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair verzocht de ontnemingsvordering af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw, in het geval van een bewezenverklaring, aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet meer is dan € 6.000,-. Dit is het bedrag dat veroordeelde heeft ontvangen voor het op zijn naam zetten van het huurcontract. Verder is verzocht rekening te houden met de draagkracht van veroordeelde. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting op nihil dient te worden gesteld. 3BEOORDELING VAN DE VORDERING 3.1 De grondslag van de vordering De veroordeelde is bij vonnis van heden, 15 februari 2022, van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het volgende strafbare feit: Feit 1 subsidiair medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht). 3.2 Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel In het dossier (PL0900-2017004725) bevindt zich een Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (pagina’s 231-240), waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 801.416,
- Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, acht de rechtbank het echter niet aannemelijk dat veroordeelde heeft gedeeld in de opbrengst van de hennepkwekerij en ander voordeel heeft genoten dan de € 6.000,- die hij heeft ontvangen voor het op zijn naam zetten van het huurcontract. De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wordt geschat, daarom vast op € 6.000,-. 3.3 Toerekening van het voordeel De rechtbank acht bewezen verklaard dat veroordeelde opzettelijk behulpzaam is geweest bij het telen van 382 hennepplanten, door een huurcontract op zijn naam te zetten en de gehuurde ruimte ter beschikking te stellen voor de hennepkwekerij. Hiervoor heeft hij € 6.000,- ontvangen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde: € 6.000,-. 3.4 Betalingsverplichting De rechtbank heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De hennepkwekerij is op 14 december 2016 ontmanteld en veroordeelde is op 11 augustus 2017 hierover verhoord door de politie. Op dat moment kon veroordeelde in redelijkheid verwachten dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Het vonnis wordt op 15 februari 2022 gewezen. Daarmee is de redelijke termijn met ruim twee en een half jaar overschreden. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient overschrijding van de redelijke termijn te worden gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag. Deze hoogte van de vermindering is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het bedrag van € 6.000,- moet worden verminderd en acht bijstelling van het bedrag naar € 4.000,- passend en een voldoende compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt het bedrag dat veroordeelde dient te betalen aan de Staat, vast op € 4.000,-. 4TOEGEPAST WETSARTIKEL De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5BESLISSING De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 6.000,-; - legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 4.000,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 80 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. H.F. Koenis, voorzitter, mrs. S.M. Schothorst en J.O. Zuurmond, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H. Lagerweij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 februari 2022.