RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.067456.22 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 6 december 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [2001] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] te [woonplaats] hierna: verdachte 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 juni 2022 (pro forma), 13 september 2022 (pro forma) en 22 november 2022 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. E. Wiersma en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Snelder, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de standpunten die mw. [A] van slachtofferhulp Nederland namens de benadeelde partij naar voren heeft gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: primair in de periode van 16 januari 2022 tot en met 17 januari 2022 te Vinkeveen en/of te Utrecht samen met anderen [slachtoffer] heeft afgeperst door hem met geweld en/of bedreiging met geweld te dwingen een geldbedrag van in totaal € 1.350,- aan hen af te geven; subsidiair medeplichtig is geweest aan die afpersing. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om deze strafzaak inhoudelijk te behandelen. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het onder primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair integrale vrijspraak bepleit, omdat geen sprake is van dubbel opzet op de ten laste gelegde strafbare feiten. Verdachte heeft weliswaar bekend dat hij een peilbaken onder een auto heeft geplaatst, maar hij wist niet wat de reden hiervan was of van wie die auto was. Hij had de opdracht hiertoe gekregen zonder nadere toelichting en voelde zich onder druk gezet om dit te doen. Ook heeft hij bekend dat hij Tikkies van € 750,- respectievelijk € 600,- heeft verstuurd, maar hierbij dacht hij dat dit hem was gevraagd door zijn neef, van wie hij dacht dat die hem paniekerig opbelde. Bij beide handelingen heeft verdachte dan ook geen opzet gehad op het delict. Subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van het onder primair ten laste gelegde medeplegen. Geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met mededaders. Verdachte was niet aanwezig bij het incident waarbij aangever is klemgereden, mishandeld en bedreigd. Dat betekent dat hij niet betrokken is geweest bij de uitvoering van het ten laste gelegde. Ook kan niet worden vastgesteld dat de materiële of intellectuele bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken. De taak van verdachte, die heeft bestaan uit het plaatsen van het baken en het versturen van de Tikkies, is marginaal ten opzichte van de taken van de andere betrokkenen. Ten slotte kan niet worden bewezen dat aangever het tweede Tikkie van € 600,- heeft betaald, zodat voor dat onderdeel van de tenlastelegging sowieso vrijspraak moet volgen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Conclusie Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder subsidiair aan hem ten laste gelegde, voor zover de tenlastelegging - kort gezegd - inhoudt dat verdachte medeplichtig is aan het afpersen van aangever. Voor het onder primair aan verdachte ten laste gelegde medeplegen van afpersing ziet de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte vrijspreken. De rechtbank zal hierna uiteenzetten hoe zij tot deze conclusie is gekomen. Bewijsmiddelen De rechtbank heeft de volgende wettige bewijsmiddelen gebruikt: Aangever [slachtoffer] heeft - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: Ik stond gisteren (de rechtbank begrijpt: 16 januari 2022) bij de Shell en toen kwam er opeens een busje achter me staan. Ik kon nergens meer heen. Gasten stapten uit en ik kreeg een paar tikken. Die jongens stapten toen in en toen moest ik ergens heen rijden. Dat was naar de Carpool in Vinkeveen. Ik heb daar toen meer klappen gekregen. Door de limiet kon ik niet meer overmaken en daarom kreeg ik vandaag nog een Tikkie. U vraagt wie de mensen zijn die uitstapten. Ze waren met z’n drieën. De deur werd opengedaan en ik kreeg een paar klappen op mijn hoofd. Ik ben daar een stuk of vijf, zes keer geslagen in mijn gezicht. Tijdens de rit zeiden ze dat ik moest betalen. Ik heb om 21:00 uur op de Carpoolplaats in Vinkeveen een Tikkie betaald. Het Tikkie is gestuurd via telefoonnummer [telefoonnummer] . Op de Carpool is gezegd dat ik moest betalen en ze gingen de auto doorzoeken wat ik bij me had. Ze zeiden dat ik nog meer moest betalen. Ik heb toen maar gewoon gezegd dat ik zou betalen en toen werd meteen dat Tikkie gestuurd. Ik heb dat Tikkie via de bank op mijn telefoon betaald. Ik moest 750 euro betalen. Ze wilden nog meer maar dat kon niet omdat 750 euro mijn daglimiet is. Ze zeiden daarna dat ik dan de dag erna moest betalen. Toen zeiden ze dat ze wisten waar ik woon. Ze zeiden dat ze anders mijn ouders zouden pakken. Op de Carpool in Vinkeveen hebben ze in mijn oor gebeten. Volgens mij was dat voor het betalen. Op de Carpoolplaats in Vinkeveen heb ik aan de rechterkant van mijn gezicht klappen gehad. Ik ben geslagen met vuisten. Een verbalisant heeft - zakelijk weergegeven - het volgende gerelateerd: Op 17 januari 2022 verscheen voor mij slachtoffer [slachtoffer] . Aan mij werd gevraagd foto’s te maken van het letsel van het slachtoffer. Op foto 1 zie ik dat het slachtoffer op zijn rechteroor meerdere korsten heeft. Ik zie dat het slachtoffer een bloeduitstorting heeft op zijn rechteroor. Op foto’s 2 en 3 zie ik dat het slachtoffer een donkerblauwe / paarse plek heeft onder zijn linkeroog. Ik zie dat het iets opgezwollen is onder zijn linkeroog. Een verbalisant heeft - zakelijk weergegeven - het volgende gerelateerd: Ik heb onderzoek gedaan naar de tijdlijn van de telefoon van [verdachte] . Ik zag in de tijdlijn op en rondom 16 januari 2022 de volgende informatie in de telefoon staan: Ik zie dat op 16 januari 2022 om 20:56:14 uur een contact wordt toegevoegd met de naam [contactnaam] en het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit betreft het telefoonnummer van het slachtoffer. Omstreeks 21:02 uur komen er twee berichten binnen van [contactnaam] met hierin: “Stuur” en “Via Bank” waarop [verdachte] reageert met een betaalverzoek voor een bedrag van 750,- euro. Een verbalisant heeft - zakelijk weergegeven - het volgende gerelateerd: De aangever verklaarde dat hij meerdere malen betaalverzoeken vanaf zijn bankrekening met bankrekeningnummer [rekeningnummer] zou hebben moeten overmaken. Een overzicht van de bankmutaties behorende tot bankrekeningnummer [rekeningnummer] werd uitgeleverd. De bevindingen op deze bankrekening: Er werd op 16 januari 2022 te 20:59 uur middels een Rabo betaalverzoek € 750,- overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] . Verdachte heeft bij de politie - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: Er was telefonisch contact met het telefoonnummer van [slachtoffer] en ik kreeg instructies voor het versturen van Tikkies. Ik heb de Tikkies van het nummer van [slachtoffer] gekregen. U vraagt hoeveel Tikkies zijn betaald. Eén van € 750,-. Bewijsoverweging De rechtbank merkt de hiervoor in de bewijsmiddelen beschreven geweldshandelingen en de bedreigingen aan als dwang om aangever te bewegen een tikkie van € 750,- te betalen. Het Tikkie van € 750,- is vanaf de telefoon van verdachte aan aangever verstuurd en het betaalde geldbedrag is overgeboekt naar de bankrekening van verdachte. Dat betekent dat aangever dit geldbedrag daadwerkelijk heeft afgegeven. Het voorgaande levert een afpersing op van aangever. Vrijspraak medeplegen afpersing De rechtbank is op basis van het dossier van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om verdachte als medepleger van de afpersing van aangever aan te merken. De rechtbank gaat er, evenals de officier van justitie en de raadsvrouw, van uit dat verdachte niet op de plaats van het delict aanwezig was en dat hij dus niet direct betrokken was bij de gepleegde bedreigingen en geweldshandelingen. Verdachte heeft wel andere handelingen gepleegd. Verdachte heeft het Tikkie aan aangever van € 750,- verstuurd, nadat hij daartoe instructies had gekregen. Niet aannemelijk is dat verdachte niet wist met welk doel hij dit deed. De verklaring van verdachte, dat hij dacht dat zijn neef hem belde om het Tikkie te sturen, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Het telefoonnummer waarmee hij werd benaderd was immers niet van zijn neef. Bovendien heeft verdachte na afloop geen contact met zijn neef opgenomen. Dat is opmerkelijk, zeker omdat verdachte ook heeft verklaard dat hij het geld heeft moeten afgeven aan iemand die hij niet kende. Het versturen van het Tikkie acht de rechtbank in het geheel van gedragingen echter van onvoldoende gewicht om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking, wat vereist is om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken. Bewezenverklaring medeplichtigheid afpersing Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan de afpersing ziet de rechtbank wel voldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf dubbel opzet is vereist. Niet alleen moet worden bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). De handelingen die door verdachte zijn gepleegd, zijn het plaatsen van een peilbaken onder de auto van aangever en het op afstand versturen van het Tikkie aan aangever van € 750,- waarna het bedrag op de bankrekening van verdachte is overgemaakt. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte niet wist met welk doel en onder wiens auto hij het peilbaken had geplaatst. Voor de hand ligt dat de opdrachtgever aan verdachte heeft gevraagd het peilbaken daar te plaatsen met als doel om aangever te kunnen volgen naar de plaats delict om hem daar af te kunnen persen, maar niet kan worden vastgesteld dat het opzet van verdachte daar ook op was gericht. Het vereiste dubbele opzet, dat bij medeplichtigheid enerzijds moet zijn gericht op zijn gedraging en anderzijds op het gronddelict, ontbreekt dan ook bij deze handeling. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Het versturen van het Tikkie en het beschikbaar stellen van zijn bankrekening waarop de € 750,- is overgemaakt, kunnen wel worden aangemerkt als handelingen waardoor verdachte medeplichtig is aan de gepleegde afpersing. Verdachte was met die handelingen behulpzaam aan de mededaders en hij heeft hen middelen verschaft om aangever af te persen. Zoals hiervoor overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte wist met welk doel hij het Tikkie verstuurde, hetgeen opzet op het gronddelict oplevert. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Dat verdachte niet op de plaats van delict was en niet wist op welke precieze wijze aangever is gedwongen het Tikkie te betalen, is daarom niet van belang. Niet vastgesteld kan worden dat aangever het tweede Tikkie van € 600,- heeft betaald dat verdachte hem op 17 januari 2022 heeft verstuurd, zodat niet bewezen kan worden dat verdachte medeplichtig is geweest aan de afpersing van aangever van dat bedrag. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging volgt daarom ook vrijspraak. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: subsidiair [medeverdachte] en/of een of meer anderen op 16 januari 2022 te Vinkeveen en/of Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal 750 euro, toebehorende aan die [slachtoffer] , welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden, dat die [medeverdachte] en anderen - nadat zij die [slachtoffer] hadden klemgereden en met die [slachtoffer] naar de carpoolplaats in Vinkeveen zijn gereden op de carpoolplaats in Vinkeveen die [slachtoffer] meermalen in het gezicht hebben geslagen en/of gestompt en - die [slachtoffer] in zijn oor heeft/hebben gebeten en - de auto van die [slachtoffer] heeft/hebben doorzocht en - tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij moet betalen, en - die [slachtoffer] vervolgens een Tikkie van 750 euro heeft/hebben gestuurd en - tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij ( [slachtoffer] ) nog meer moet betalen, en - tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat ze weten waar hij woont en dat ze anders de ouders van [slachtoffer] gaan pakken, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op 16 januari 2022 te Vinkeveen en/of Utrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest en middelen heeft verschaft door - een betaalverzoek, te weten een Tikkie, naar de mobiele telefoon van die [slachtoffer] te versturen en - zijn bankrekening beschikbaar te stellen zodat die [slachtoffer] via het betaalverzoek het geld kon overmaken. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op: medeplichtigheid aan afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: - een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering; - een contactverbod met het slachtoffer in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van twee jaren, met dadelijke uitvoerbaarheid en met één week vervangende hechtenis per overtreding met een maximum van zes maanden. 8.2 Het standpunt van de verdediging In geval van een bewezenverklaring heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft veel spijt van zijn aandeel in de ten laste gelegde feiten en wil daarvoor verantwoordelijkheid nemen. Hij heeft mogelijkheden om te gaan werken en is gemotiveerd om te starten met een HBO-opleiding. In de penitentiaire inrichting laat verdachte ook zien dat hij gemotiveerd is om aan zijn re-integratiedoelen te werken. In geval van vrijlating wil hij zich onttrekken aan zijn negatieve sociale netwerk en wil hij zich laten ondersteunen door de reclassering. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Inleidende opmerkingen Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd Verdachte is als medeplichtige schuldig aan het afpersen van aangever. Aangever is getraceerd door het plaatsen van een peilbaken onder zijn auto, waarna hij is klemgereden, bedreigd, geslagen en gebeten. Terwijl aangever in die omstandigheden verkeerde, heeft verdachte hem een Tikkie gestuurd van € 750,-. Door de bedreigingen en het toegepaste geweld is aangever gedwongen dat Tikkie te betalen. Het geheel aan handelingen duidt op een goed voorbereid plan. De rechtbank acht aannemelijk dat het een angstige situatie voor aangever moet zijn geweest. In de toelichting bij de vordering die aangever als benadeelde partij heeft ingediend is te lezen dat hij zich na afloop van het incident een periode niet veilig heeft gevoeld. Dat gold ook voor zijn ouders, waartegen de bedreigingen eveneens waren gericht. Zij hebben om die reden enige tijd op anonieme adressen verbleven. Deze gevolgen onderstrepen de ernst van het gepleegde feit. Verdachte heeft ook het peilbaken onder de auto geplaatst, dat de mededaders heeft geholpen om aangever te traceren. Verdachte zal niet worden veroordeeld voor dit onderdeel van de tenlastelegging, maar de rechtbank rekent verdachte deze handeling wel ook aan. Verdachte had in redelijkheid moeten weten dat hij dit baken niet voor een onschuldig doel onder de auto heeft moeten plaatsen. De persoonlijke omstandigheden van verdachte In het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 23 augustus 2022 is te lezen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf. De reclassering schrijft in het rapport van 17 november 2022 dat er bij verdachte geen delictpatroon waarneembaar is. De reclassering kan op basis van het relaas van betrokkene beïnvloeding van een crimineel netwerk niet uitsluiten. Ten tijde van het feit ging verdachte bovendien niet naar school en had hij weinig andere dagbesteding. Daarnaast ervoer verdachte depressieve klachten. De reclassering vindt het beschermend dat verdachte thans een proactieve houding toont ten aanzien van zijn re-integratie, dat hij uit eigen beweging een aanmelding heeft gedaan bij Exodus en dat hij werk heeft gevonden. Er lijkt een positieve lijn ingezet te zijn. De reclassering acht reclasseringsbemoeienis geïndiceerd om verdachte te ondersteunen bij het verder opbouwen van zijn leven na zijn hechtenis. Daartoe heeft de reclassering bijzondere voorwaarden geformuleerd, onder meer bestaande uit ambulante forensische behandeling. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij graag aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden mee wil werken. Hij is daarbij gemotiveerd op de rechtbank overgekomen. Ten slotte heeft de reclassering geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat verdachte in staat is om op een zelfstandige manier zijn leven vorm te geven. De reclassering ziet geen noodzaak tot interventies voor een jeugdige. Straf De rechtbank constateert dat voor een feit als dit geen oriëntatiepunten bestaan van het LOVS. Als uitgangpunt voor het bepalen van de strafmaat heeft zij daarom gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Op basis van die soortgelijke zaken acht de rechtbank voor een afpersing als de onderhavige in beginsel een gevangenisstraf van 12 maanden op zijn plaats. Omdat hier sprake is van medeplichtigheid aan afpersing, vermindert zij dit uitgangspunt met een derde tot een gevangenisstraf van acht maanden. De rechtbank stelt vast dat verdachte met de opheffing van de voorlopige hechtenis per 24 november 2022 ruim 250 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarmee heeft hij de gevangenisstraf van acht maanden reeds uitgezeten. De rechtbank acht deze straf passend. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het strafbare feit niet kan worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Gelet op de positieve houding van verdachte ziet de rechtbank geen reden naast deze gevangenisstraf nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Als kans voor verdachte om aan zijn persoonlijke omstandigheden te werken, ziet de rechtbank wel aanleiding om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen. Daarvoor is een voorwaardelijk strafdeel nodig. Gelet op de intrinsieke motivatie van verdachte om mee te werken aan de uitvoering van de bijzondere voorwaarden, acht de rechtbank in dit geval een voorwaardelijke geldboete van € 200,-. voldoende. Aan die voorwaardelijke geldboete zal de rechtbank een proeftijd verbinden van twee jaren. Het contactverbod met aangever zal de rechtbank conform het advies van de reclassering opleggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde. De rechtbank ziet geen reden daarnaast het verbod op te leggen in de vorm van een maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de officier van justitie gevorderd. Voor dadelijke uitvoerbaarheid van het contactverbod of andere bijzondere voorwaarden ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank wijkt met de hiervoor genoemde straf af van de eis van de officier van justitie, omdat zij tot een beperktere bewezenverklaring is gekomen. 9BESLAG Onder verdachte is een telefoon met het merk IPhone in beslag genomen. Het gaat om goednummer
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.