RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 10173858 UV EXPL 22-243 MRv/48356 Kort geding vonnis van 5 december 2022 inzake de stichting Stichting Mitros, gevestigd te Utrecht, verder ook te noemen: Mitros, eisende partij, gemachtigde: mr. M.P.H. van Wezel, tegen: [gedaagde] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van de heer [A] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen: [gedaagde] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. R. van Veen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de op 4 november 2022 aan [gedaagde] betekende dagvaarding met producties 1 tot en met 8; de per e-mail en brief van 15 november 2022 door Mitros nagezonden productie 9. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 november 2022. Mitros is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Aan de zijde van Mitros is ook verschenen de heer [B] , sociaal beheer van het complex [complex] . [gedaagde] is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, vergezeld van de heer [A] . Aan de kant van [gedaagde] was ook aanwezig mevrouw H. Ahmad, zijnde een tolk in de bron- en doeltalen Nederlands en Koerdisch Kurmanji. Namens [gedaagde] is tijdens de mondelinge behandeling mondeling een conclusie van antwoord genomen. Van wat er is besproken heeft de griffier aantekening gemaakt. 1.3. Aan het slot van de zitting heeft de kantonrechter meegedeeld dat vandaag vonnis wordt gewezen. 2Wat is er gebeurd? 2.1. [gedaagde] is bij beschikking van 29 juni 2022 door de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, met (zaaknummer: 9933579 UT22-9273), benoemd tot bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan de heer [A] (hierna: [A] ), geboren op [1992] in [geboorteplaats] , Syrië. 2.2. [A] huurt sinds 29 juni 2017 de woonruimte aan de [adres] in [woonplaats] (hierna te noemen: het gehuurde) van Mitros. De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. 2.3. Het gehuurde is een éénkamerstudio en onderdeel van het complex [complex] . Het complex [complex] bestaat uit 490 zelfstandige éénkamerstudio’s en een aantal gemeenschappelijke ruimtes. In het complex [complex] zijn jongeren, statushouders en een groep mensen die uitstroomt uit de maatschappelijke opvang woonachtig. 2.4. Op 22 oktober 2022 heeft tussen [A] en een medebewoner van [complex] (hierna: de medebewoner) een geweldsincident plaatsgevonden, waarbij [A] met een door hem kapot geslagen bierflesje in het gezicht en op verschillende plekken in het lichaam van de medebewoner heeft gestoken (hierna: het geweldsincident). 2.5. Mitros heeft camerabeelden overgelegd waarop dit gehele geweldsincident is te zien. Enkele momentopnamen daarvan zijn hieronder weergegeven. Op de camerabeelden is onder meer te zien dat [A] op een gemeenschappelijke buitenplaats aanvankelijk in een bepaalde richting loopt, vervolgens terugkeert en in de richting van de medebewoner loopt, pal vóór deze medebewoner gaat staan, op een gegeven moment een bierflesje pakt en kapotslaat, waarmee hij deze medebewoner meerdere malen steekt.* 3Wat wil Mitros en wat vindt [gedaagde] daarvan? 3.1. Volgens Mitros heeft [A] met de onder 2.4. vermelde gedragingen gehandeld in strijd met de wettelijke en contractuele plicht om zich als goed huurder te gedragen. Mitros vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [A] , wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen 7 dagen na betekening van het vonnis, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten. 3.2. [gedaagde] is het niet eens met de vorderingen van Mitros en concludeert tot afwijzing hiervan, met veroordeling van Mitros in de proceskosten. 4De beoordeling 4.1. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. Vooropgesteld 4.2. Omdat de goederen die [A] (zullen) toebehoren onder bewind zijn gesteld, treedt [gedaagde] als formele procespartij in dit geding op. [A] wordt als materiële procespartij aangemerkt. Toetsingskader 4.3. In een kort geding procedure wordt aan de rechter gevraagd om een (spoed)maatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat er na de kort geding procedure ook een gewone rechtszaak zal komen. In een kort geding procedure beoordeelt de rechter of het waarschijnlijk is dat in de gewone rechtszaak een beslissing zal worden genomen die in het voordeel van de eisende partij zal zijn. Als dat voldoende waarschijnlijk is en als er haast bij is (spoedeisend belang), kan de maatregel die op de beslissing in de bodemprocedure vooruitloopt, in een kort geding procedure worden toegewezen. Spoedeisend belang 4.4. In een kort geding moet dus beoordeeld worden of de eisende partij, in dit geval is dat Mitros, een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Het spoedeisend belang is naar het oordeel van de kantonrechter met de aard van de vordering en de motivering daarvan gegeven. Mitros heeft er in ieder geval voldoende spoedeisend belang bij dat een situatie waarin de bewoners van [complex] zich op basis van een gegronde reden onveilig voelen in hun woonomgeving, zoals door haar gesteld, zo snel mogelijk wordt beëindigd. Hierbij acht de kantonrechter van belang dat Mitros heeft gesteld dat [complex] een bijzonder complex met bijzondere, veelal kwetsbare, doelgroepen is en het geweldsincident onder de bewoners voor onrust heeft gezorgd. Gelet op deze door Mitros ingenomen stellingen kan van Mitros niet worden verwacht dat zij eerst de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Het spoedeisend belang is door [gedaagde] ook niet betwist. De vorderingen van Mitros worden toegewezen 4.5. De kantonrechter wijst de vorderingen van Mitros toe, zoals vermeld onder de beslissing. Omdat [gedaagde] ongelijk krijgt wordt hij in de kosten veroordeeld; hij moet zijn eigen proceskosten dragen en de proceskosten van Mitros aan haar betalen. De motivering van de beslissing luidt als volgt. 4.6. Aan de orde is de vraag of sprake is van een tekortkoming aan de kant van [A] en, zo ja, of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter gezien die tekortkoming en de overige door partijen aangedragen, van belang zijnde feiten en/of omstandigheden de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst zal toewijzen alsook vooruitlopend daarop in dit kort geding [gedaagde] moet worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Bevoegdheid tot ontbinding 4.7. Op grond van artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden. Dit is slechts anders, indien de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (hierna: de tenzij-bepaling). Hierbij moeten alle door partijen aangevoerde omstandigheden van het geval worden meegewogen. 4.8. De stelplicht en bewijslast dat sprake is van (een) tekortkoming(en), ligt bij Mitros. De stelplicht en de bewijslast dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt, ligt bij [gedaagde] . Tekortkoming - verzuim 4.9. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen [A] en de medebewoner het onder 2.4. vermelde geweldsincident heeft plaatsgevonden. Gelet op de aard en de ernst van dit incident en de gedragingen van [A] hierin is de kantonrechter van oordeel dat [A] de op hem rustende verplichting om zich als een goed huurder te gedragen heeft geschonden die
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.