Beslissing RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND VERSCHONINGSKAMER Locatie: Utrecht Zaaknummers/rekestnummer: 541785 / HA RK 22-159 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningszaken van 12 augustus 2022 op het verzoek in de zin van artikel 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van: mr. R.A. Steenbergen, rechter, verder: verzoeker. 1De procedure 1.
- Verzoeker heeft op 12 juli 2022 een verschoningsverzoek gedaan in de zaak 20/365F (verder: de hoofdzaak). 1.
- Er heeft geen mondelinge behandeling van het verzoek tot verschoning plaatsgevonden. 1.
- Uitspraak is bepaald op heden. 2Het verschoningsverzoek 2.
- Verzoeker meent dat sprake is van omstandigheden die, als hij in de hoofdzaak de behandelend rechter zou zijn, mogelijk bij overige belanghebbenden de objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid kan oproepen. Hij voert hiertoe het navolgende aan. 2.
- In de hoofdzaak gaat het om een beroepschrift op grond van artikel 67 van de Faillissementswet, gericht tegen de goedkeuring van een schikking in de faillissementen van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. In het faillissement van [bedrijf 2] B.V. is één van de curatoren mr. [curator] (verder: [curator] ). Afhankelijk van de uitkomst van de hoofdzaak wordt voornoemde curator mogelijk in privé aansprakelijk gesteld voor het onttrekken van goederen aan [bedrijf 1] B.V. Omdat verzoeker vanaf ongeveer 2011 tot in 2019 samen met [curator] deel heeft uitgemaakt van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden en zij ook meermalen samen deel hebben uitgemaakt van het dagcollege, voelt hij zich niet vrij om het beroepschrift te behandelen. Dit in het bijzonder omdat een beslissing in appel in privé gevolgen kan hebben voor [curator] . 3De beoordeling 3.
- Artikel 40 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 36 Rv. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.
- Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter tegenover een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees dat daarvan sprake is objectief gerechtvaardigd is. 3.
- Van de schijn van partijdigheid kan, geheel los van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn als bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in dat specifieke geval aan onpartijdigheid ontbreekt. In dat geval dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden. Rechtzoekenden moeten immers vertrouwen kunnen stellen in het rechterlijk apparaat. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid. 3.
- Uit het verzoek blijkt dat sprake is van zodanige omstandigheden dat in de hoofdzaak de schijn van partijdigheid kan worden gewekt. Een oordeel in de hoofdzaak kan gevolgen in de privésfeer hebben voor [curator] en verzoeker heeft in de Raad van Discipline acht jaar nauw met hem samengewerkt. Aan deze samenwerking is drie jaar geleden weliswaar een einde gekomen, maar gelet op de lange duur van de samenwerking en de mogelijk verstrekkende gevolgen van de beslissing in de hoofdzaak, heeft verzoeker naar het oordeel van de verschoningskamer voldoende aannemelijk gemaakt dat daardoor de schijn kan bestaan dat het hem aan onpartijdigheid zal ontbreken. De verschoningskamer ziet hierin een genoegzame grond voor verschoning. Het verzoek zal daarom gegrond worden verklaard. 4De beslissing De verschoningskamer: 4.
- verklaart het verzoek tot verschoning gegrond; 4.
- draagt de griffier van de verschoningskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, betrokken partijen in de hoofdprocedure, alsmede de president van deze rechtbank. Deze beslissing is gegeven door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, mr. J.P. Killian en mr. E.W.A. Vonk als leden van de verschoningskamer, bijgestaan door mr. R. Dijkman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.