RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/1545 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2022 in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster, (gemachtigde: mr. S.O. Voogt), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft bezwaar ingediend tegen het besluit van 3 februari
- Verweerder heeft op 8 maart 2022 een besluit op dit bezwaar genomen en beslist dat het bezwaar ongegrond is. Verzoekster is hiertegen bij de rechtbank in beroep gegaan. Op 25 juli 2022 heeft verweerder een nieuw besluit genomen waarin hij het besluit van 8 maart 2022 heeft gewijzigd. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. Verweerder heeft op 19 augustus 2022 gereageerd op dit verzoek. In zijn reactie van 19 augustus 2022 heeft verweerder meegedeeld dat hij er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden. Overwegingen
- Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
- Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
- Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.
- De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 1.028,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 269,- en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
- Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:41 van de Awb). Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.028,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus
- griffier rechter Afschrift verzonden aa n partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.