← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:5322

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/4910-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2022 op het verzet van [Opposante] , te [vestigingsplaats] , opposante. Procesverloop In de uitspraak van 5 april 2022 heeft de rechtbank zich het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) van 20 oktober

  1. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. De zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli
  2. Opposante is verschenen. Het UWV is met bericht van verhindering niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Op 21 juli 2022 heeft opposante twee getuigenverklaringen aan de rechtbank overgelegd. Verweerder heeft op 31 augustus 2022 gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens op 29 november 2022 de zaak nogmaals op zitting behandeld en het onderzoek ter zitting gesloten. Overwegingen
  3. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank in de uitspraak van 5 april 2022 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt in eerste instantie niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 5 april 2022 niet juist was.
  4. De rechtbank heeft in de uitspraak van 5 april 2022 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposante het beroep te laat heeft ingediend. De rechtbank was van oordeel dat opposante geen geldige reden had voor het te laat indienen van het beroepschrift. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  5. Opposante voert aan dat het beroepschrift op 30 november 2021 op de bus is gedaan bij het NS station in [vestigingsplaats] . Opposante brengt op zitting naar voren dat zij getuigenverklaringen kan overleggen van twee werknemers die dit bevestigen. Zij wil graag in de gelegenheid worden gesteld om deze getuigenverklaringen over te leggen. De rechtbank heeft deze gelegenheid gegeven. Vorengenoemde omstandigheden betekent dat de rechtbank (achter af gezien) het beroep niet vereenvoudigd had kunnen afdoen. Het verzet is mede daarom gegrond en de uitspraak van 5 april 2022 vervalt (artikel 8:55, lid 9, Awb).
  6. De rechtbank oordeelt dat er geen nader onderzoek nodig is, maar dat er direct uitspraak kan worden gedaan over het beroep (artikel 8:55, lid 10, Awb). Bij brief van 21 juni 2022 is opposante gewezen op deze bevoegdheid.
  7. Opposante stelt dat zij het beroepschrift tijdig op de post heeft gedaan en dat zij daarom ontvankelijk is in haar beroep. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen of bij verzending per post indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9 van de Awb). De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (artikel 6:8, eerste lid, van de Awb). In dit geval is het besluit op 20 oktober 2021 bekendgemaakt. De beroepstermijn liep dus tot en met 1 december
  8. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 7 december
  9. Dat is dus na afloop van de beroepstermijn.
  10. Opposante stelt dat hij het beroepschrift voor het einde van de termijn ter post heeft bezorgd. De bewijslast rust ter zake de feitelijke onderbouwing van deze stelling bij opposante. Hiertoe heeft opposante twee getuigenverklaringen overgelegd. De vraag die voorligt is of opposante hiermee aan haar bewijslast heeft voldaan.
  11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door opposante overgelegde getuigenverklaringen onvoldoende aantonen dat [A] het beroepschrift daadwerkelijk heeft aangeboden ter post. Daarnaast merkt verweerder op dat de verklaringen bijna identiek zijn en dat de opstellers werknemers zijn, waarbij een gezamenlijk belang bestaat.
  12. Opposante heeft twee getuigenverklaring aan de rechtbank overgelegd, ondertekend op 21 juli 2022 door de werknemers [werknemer 1] en [werknemer 2] . Uit de verklaringen kan worden opgemaakt dat getuigen op kantoor aanwezig waren op het moment dat het beroepschrift in de envelop werd gedaan. Eén van de getuigen is ook betrokken geweest bij het opstellen van het beroepschrift. Verder wordt de kantoorsituatie beschreven waarmee getuigen willen duidelijk maken dat zicht bestaat op elkaars handelen. De verklaringen van de getuigen hebben betrekking op een situatie die op het kantoor heeft plaatsgevonden, het opstellen van het beroepschrift en het klaar maken van dit beroepschrift voor verzending. Niet kan de rechtbank uit deze verklaringen opmaken dat de getuigen hebben gezien dat [A] het beroepschrift ook daadwerkelijk op 30 november 2021 op de post heeft gedaan. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de getuigenverklaringen onvoldoende onderbouwing bieden aan de stelling dat het beroepschrift op 30 november 2021 ter post is bezorgd. Daarmee staat ook vast dat opposant niet heeft voldaan aan haar bewijslast. Omdat ook anderszins niet heeft aangetoond dat het beroepschrift op 30 november 2021 op de post is gedaan is het beroep niet tijdig ingediend en dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
  13. Het belang dat opposante stelt te hebben bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep, vormt geen omstandigheid op grond waarvan het beroep niet niet-ontvankelijk verklaard kan worden. Aan een beoordeling van de stelling van opposante dat het UWV nu een gewijzigd standpunt inneemt op grond waarvan hij wel recht zou hebben op de gevraagde tegemoetkoming, komt de rechtbank niet toe. De vraag is dus of deze stelling juist is. Indien de stelling juist is dan heeft het UWV de mogelijkheid - en staat het hem dus vrij - om los van deze uitspraak een ander (begunstigend) besluit te nemen, waarbij kan worden teruggekomen op het eerder ingenomen standpunt.
  14. Het beroep is niet-ontvankelijk.
  15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank verklaart: - verklaart het verzet gegrond; - verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december
  16. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen de uitspraak over het verzet kunt u niet in hoger beroep. Tegen de uitspraak over het beroep kan binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. U kunt daar ook om een voorlopige voorziening vragen. De datum van verzending ziet u op de stempel die hierboven staat.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.