← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:5590

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/2406 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: A. van den Dool), en de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] (verweerder) (gemachtigde: M. Verhoef en M. Vermaat). Inleiding Eiser is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] (de woning) in [gemeente] . Verweerder heeft in de beschikking van 21 februari 2021 (de beschikking) de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 331.000,- per waardepeildatum 1 januari

  1. Met deze beschikking heeft verweerder aan eiser ook de aanslag voor de onroerendezaakbelastingen (OZB) van de gemeente [gemeente] voor het jaar 2021 opgelegd. Op 1 maart 2021 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 21 februari
  2. Op 12 april 2021 heeft verweerder in de ambtshalve genomen verminderingsbeschikking de aanslag OZB verminderd met € 32,
  3. In de uitspraak op bezwaar van 26 januari 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de waarde van de woning gehandhaafd. Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 12 oktober 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank
  4. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 26 januari
  5. In geschil is enkel of verweerder het bezwaar van eiser gegrond had moeten verklaren en een proceskostenvergoeding had moeten toekennen, omdat verweerder na het instellen van bezwaar in de ambtshalve genomen verminderingsbeschikking de aanslag OZB heeft verminderd. De vastgestelde WOZ-waarde van de woning is niet (meer) in geschil.
  6. Eiser vindt dat verweerder ten onrechte zijn bezwaar ongegrond heeft verklaard. Eiser vindt dat verweerder zijn bezwaar gegrond had moeten verklaren, omdat het OZB-tarief is gewijzigd en de aanslag OZB is verminderd nadat hij bezwaar heeft ingediend tegen de beschikking van 21 februari
  7. Eiser stelt dat verweerder daarom de kosten die hij heeft moeten maken voor het instellen van bezwaar aan hem moet vergoeden.
  8. Verweerder is het daar niet mee eens. Verweerder stelt – kort samengevat – dat de verlaging van de aanslag OZB niet het resultaat is geweest van het bezwaar van eiser, maar van het besluit van de gemeenteraad om het tarief OZB (met terugwerkende kracht) te verlagen voor alle belastingplichtigen.
  9. De vraag of een belanghebbende recht heeft op een vergoeding in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, moet worden getoetst aan artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Dit artikel bevat een strenge toets. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, moet het bestuursorgaan de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, uitsluitend vergoeden voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
  10. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht geen vergoeding heeft toegekend voor de proceskosten in bezwaarfase vanwege de wijziging van de aanslag voor de OZB tijdens de bezwaarfase. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een herroeping van de bestreden beschikking van 21 februari 2021 vanwege een verweerder te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
  11. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslag OZB met de ambtshalve verminderingsbeschikking is verminderd nadat de gemachtigde namens eiser bezwaar heeft ingesteld tegen de beschikking. Tussen partijen is ook niet in geschil dat verweerder de aanslag OZB heeft verminderd ten gevolge van het besluit van de gemeenteraad van 25 maart 2021 om een wijzigingsverordening vast te stellen waarin het OZB tarief met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021 wordt verlaagd van 0,1282% naar 0,1179%. Het wijzigen van de verordening behoort tot de bevoegdheden van de gemeenteraad. Uit de rechtspraak van verschillende hoogste bestuursrechters volgt dat het herroepen van een primaire beslissing vanwege gewijzigde wettelijke voorschriften niet valt aan te merken als herroeping wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Er is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een herroeping vanwege een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder is immers niet teruggekomen op de beschikking vanwege de bezwaren van eiser, maar ten gevolge van een beslissing van de gemeenteraad tot wijziging van het OZB-tarief in de OZB-verordening. Dat de aanslag OZB per verminderingsbeschikking van 12 april 2021 is verlaagd, nádat eiser bezwaar heeft ingediend tegen de beschikking, betekent gelet op het voorgaande dus niet dat de beschikking onrechtmatig was of dat verweerder verwijtbaar ten opzichte van eiser heeft gehandeld. Conclusie en gevolgen
  12. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G.A. Beijen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 november
  13. De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Besluit van de raad van Woerden houdende een wijziging van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2021 (Gemeenteblad 2021, nr. 113150).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.