← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:5602

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/3116 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.A. van Ham), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal, verweerder (gemachtigde: G. Bozkurt). Procesverloop Bij besluit van 7 december 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser toegekende algemene bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) ingetrokken met ingang van 1 augustus

  1. Verweerder heeft de Tozo-uitkering teruggevorderd over de maanden augustus en september 2021 tot een bedrag van € 2.157,
  2. Bij besluit van 8 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december
  3. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is geboren op [geboortedatum]
  5. Eiser is zelfstandig ondernemer. Bij besluit van 6 juli 2021 is aan eiser Tozo verstrekt van 1 juli 2021 tot en met 30 september
  6. Vanaf augustus 2021 ontving eiser studiefinanciering omdat hij een mbo-4 opleiding volgde.
  7. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat studiefinanciering wordt aangemerkt als voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet (Pw). Eiser kan geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Er bestaat daarom geen recht op Tozo. Het recht op Tozo is daarom terecht ingetrokken en teruggevorderd.
  8. Eiser voert in beroep aan dat het verkrijgen van een studietoelage het recht op een Tozo-uitkering niet volledig doet vervallen. De Tozo-uitkering wordt slechts verminderd naargelang er een studietoelage is verstrekt. Eiser doet verder een beroep op het vertrouwensbeginsel. Eiser wijst op de mailwisseling met een medewerker van verweerder. Volgens eiser is een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging gedaan door een daartoe bevoegde persoon die bij eiser de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat zijn recht op Tozo niet (volledig) zou vervallen bij het ontvangen van studiefinanciering.
  9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 15 van de Pw in de weg staat aan het verstrekken van algemene bijstand op grond van de Tozo. Studiefinanciering is immers op grond van de Wet studiefinanciering 2000 aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de betrokkene toereikend en passend te zijn. Dat die studiefinanciering (geheel) in de vorm van een rentedragende lening wordt verstrekt, maakt dit niet anders.
  10. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) blijkt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel allereerst is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating, of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Er is geen sprake van een gerechtvaardigde verwachting als de betrokkene gelet op zijn specifieke kennis of deskundigheid had moeten beseffen dat de uitlating of gedraging in strijd was met de toepasselijke rechtsregels.
  11. Eiser heeft een e-mail overgelegd van 27 september 2021 van een medewerker van de afdeling Tozo. Hierin staat: “In ‘principe’ zouden studenten van 27 jaar en ouder Tozo kunnen krijgen. Wel is het zo dat er met inkomsten uit studiefinanciering rekening moet worden gehouden.” Eiser heeft nog een e-mail van deze medewerker overgelegd. Hierin staat: “T.z.t. kan dan besloten worden of er nog iets moet worden terugbetaald. (…) Zelf zal ik geen actie meer ondernemen op dit dossier.” De rechtbank is van oordeel dat deze e-mails geen duidelijke informatie verschaffen over de geldende regelgeving omtrent de Tozo-uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze e-mails echter niet dat eiser erop mocht vertrouwen dat er geen intrekking en terugvordering van zijn Tozo-uitkering zou volgen. Hiervoor zijn de e-mails niet voldoende concreet genoeg. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.
  12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december
  13. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Zie een uitspraak van de CRvB van 12 juli 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:1602). Zie een uitspraak van de CRvB van 27 september 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:2110).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.