RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND StrafrechtZittingsplaats Lelystad Parketnummer: 07/620193-06 (vordering verlenging tbs) Beslissing op grond van artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 23 december 2022 in de zaak van de officier van justitie tegen de ter beschikking gestelde: [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] , thans verblijvende bij [verblijfplaats 1] te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: betrokkene. 1De stukken De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder: het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juni 2008 waarbij betrokkene ter beschikking is gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege vanwege moord; stukken waaruit blijkt dat de terbeschikkingstelling is ingegaan op 5 januari 2011; de beslissing van deze rechtbank van 28 december 2020, waarbij de termijn van terbeschikkingstelling voor het laatst is verlengd met twee jaar; de beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 mei 2021, waarbij de beslissing van de rechtbank van 28 december 2020 is bevestigd; de vordering van de officier van justitie van 23 november 2022, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 24 november 2022, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar; het verlengingsadvies van [verblijfplaats 1] van 28 oktober 2022, opgemaakt door E.P.M.T. Brouns (Plv. hoofd van de instelling, directeur patiëntenzorg en psychiater) en W.J.P. Gaertner (GZ-psycholoog, behandelcoördinator [verblijfplaats 2] ), inhoudend het advies om de terbeschikkingstelling met verpleging te verlengen met twee jaar; de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betrokkene, over de periode 7 september 2020 tot en met 7 september 2022; de overige stukken van het de betrokkene betreffende dossier. 2Het onderzoek ter terechtzitting De behandeling van de zaak heeft op 12 december 2022 ter terechtzitting plaatsgevonden. Daarbij zijn gehoord: - de officier van justitie, mr. A.A. Nieli; - de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam; - de aan de kliniek verbonden deskundige, drs. W.J.P. Gaertner. 3Het standpunt van de inrichting Het standpunt van de inrichting blijkt uit het onder 1 genoemde rapport. Dit advies houdt, kort weergegeven, het volgende in. Bij betrokkene is sprake van een ander gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en dwangmatige persoonlijkheidstrekken. Tevens is er sprake van verslavingsproblematiek welke binnen de huidige setting in remissie is. Ook is er sprake van een verstandelijke beperking. Door zijn afwerende houding voor behandeling en samenwerking heeft zijn verblijf in de tbs-klinieken steeds tot impasses geleid. Dit heeft erin geresulteerd dat betrokkene sinds februari 2019 binnen de [verblijfplaats 2] van [verblijfplaats 1] verblijft. De hoop is dat hier de ruimte kan worden gecreëerd voor een verandering in opstelling van betrokkene waardoor er op termijn wellicht mogelijkheden zijn voor het zetten van stappen voorwaarts. Ook binnen de [verblijfplaats 2] is echter de dynamiek zichtbaar die in het verleden tot impasses heeft geleid. Hij is niet intrinsiek gemotiveerd voor behandeling en begeleiding en hij houdt gesprekken zo veel mogelijk af. Er is (nog) geen sprake van een constructieve samenwerkingsrelatie. Betrokkene heeft een vertekend beeld van de realiteit. Dat is een voedingsbodem voor conflicten. Betrokkene eist bijvoorbeeld dat hij binnen een jaar geresocialiseerd is, terwijl een begeleid verlofkader nog onverantwoord wordt geacht door de inrichting. Hij heeft geen zicht op zijn beperkingen en de risicofactoren. Bij beëindiging van de tbs-maatregel wordt het recidiverisico op hoog geschat. Voor de komende periode wordt gehoopt dat er tot een samenwerkingsrelatie gekomen kan worden en dat vrijheden uitgebreid kunnen worden. De inrichting heeft geadviseerd om de tbs-maatregel met twee jaar te verlengen. Deze tijd wordt minimaal nodig geacht om zicht te krijgen op doorstroommogelijkheden. In augustus 2022 is geadviseerd om de LFPZ -status met twee jaar te verlengen. De deskundige voornoemd heeft ter zitting het advies van de inrichting toegelicht. De LFPZ -status is onlangs verlengd met twee jaar. De eerste stap die nu gezet moet worden is toewerken naar begeleid verlof. Het aantal personen waarmee betrokkene samenwerkt, moet vergroot worden, zodat er meer personen zijn die betrokkene kunnen begeleiden op verlof. Het behandelteam past zich zo goed mogelijk aan betrokkene aan om voor hem een zo goed mogelijke omgeving te creëren. Betrokkene doet veel vanuit goede intenties, maar die moeten wel goed geïnterpreteerd en beoordeeld worden door het team om te bezien of er geen achterliggende gedachten bij zitten. Er wordt volop aan implementatie van de adviezen van het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) gewerkt. De afgelopen maanden heeft betrokkene minder bedreigende uitspraken gedaan. De kernproblematiek bestaat wel nog steeds en het recidiverisico is hoog. 4Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting haar vordering strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaar gehandhaafd. 5Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen, omdat het gevaar ten onrechte aanwezig wordt geacht en onvoldoende onderbouwd is. De terbeschikkingstelling dient dan beëindigd te worden. Subsidiair heeft de raadsman gepleit voor een verlenging van de maatregel voor de duur van een jaar. Daartoe is aangevoerd dat het verlengingsadvies vooral lijkt uit te gaan van gebeurtenissen van vóór
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.