RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/143865-21 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 16 november 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] , [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 19 oktober 2022. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 16 november 2022. Vervolgens is direct uitspraak gedaan. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, naar voren hebben gebracht. Tevens zijn ter terechtzitting verschenen: de moeder van verdachte; de benadeelde partij [slachtoffer 1] en zijn moeder; mw. [A] , namens Slachtofferhulp Nederland; dhr. J. Weerman, namens Samen Veilig Midden-Nederland. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: op 11 november 2020 te Stoutenburg samen met anderen met (bedreiging met) geweld een telefoon, een kledingstuk, een autosleutel, drankverpakkingen, deodorant en een portemonnee (met inhoud) van [slachtoffer 1] heeft gestolen; feit 2: op 11 november 2020 te Stoutenberg samen met anderen met (bedreiging met) geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot afgifte van een horloge; feit 3: op 19 november 2020 te Stoutenburg samen met anderen met (bedreiging met) geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot afgifte van een scooterbeenkleed, schoenen en een horloge. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. De raadsman heeft hier primair toe aangevoerd dat verdachte op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de voorbereiding. Hij hoorde pas wat er zou gaan gebeuren toen hij bij [medeverdachte 1] op de scooter zat. Geen van zijn medeverdachten heeft een over verdachte belastende verklaring afgelegd. Verdachte was slechts een toeschouwer en heeft op geen enkele manier strafrechtelijke betrokkenheid gehad bij de ten laste gelegde delicten. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van gerede twijfel betreffende de rol van verdachte. De raadsman verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken van alle ten laste gelegde feiten. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen Feiten 1 en 2: Uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt onder meer het volgende: Vanavond [11 november 2020] had ik via Snapchat afgesproken met [profielnaam] . Toen ik aankwam op de parkeerplaats ter hoogte van de hockeyclub op de [adres 2] te [plaats 1] zat er al een meisje op het bankje. Ik ben naast haar gaan zitten en we hebben even zitten praten. Ineens hoorde ik wat ritselen en zag ik ongeveer 5 a 6 gasten op mij af komen. Ik wilde weglopen maar ze hielden mij tegen en begonnen mij te schoppen te slaan. Als eerste sloegen ze mijn bril van mijn hoofd. Ze hebben mij 2 of 3 keer geslagen in mijn buik en 1 keer in mijn zak getrapt. Ze hebben mij 4 keer op mijn hoofd geslagen en 4 keer tegen mijn benen geschopt. Ik voelde direct pijn, vooral aan mijn hoofd. Ze hebben mijn vest, waar mijn autosleutel in zat, uitgetrokken. Twee personen zijn bij mijn auto bezig geweest. Die gasten hadden mijn bankpas gevonden en vroegen om mijn pincode. Ik heb mijn pincode gegeven omdat ze bleven slaan en schoppen. Ik moest mijn horloge afdoen en deze heb ik ook afgegeven. Dit is een zilverkleurig horloge van het merk Seiko. Ik heb ze horen zeggen ‘Ben je wel goed bij je hoofd, we maken je kapot’. Uit mijn auto hebben ze ook mijn telefoon gepakt. Ik moest deze ontgrendelen en daarna werd het toestel, een Samsung S10, uitgeschakeld. Toen er een auto aan kwam rijden zijn ze er allemaal vandoor gegaan. Toen ik terugkwam bij mijn auto ontdekte ik dat er allerlei spullen uit mijn auto weg waren. Dit waren mijn portemonnee (waarin onder meer mijn rijbewijs, ID-kaart en 2 bankpassen, waarvan 1 van de rekening [rekeningnummer] met pasnummer [pasnummer] zaten), een 12-pak Fanta, een sixpack Amstel Radler en mijn deodorant. Van de bankpas met pasnummer [pasnummer] heb ik de pincode afgegeven. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de rechter-commissaris – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard: Ik stond met [verdachte] . We stonden allemaal achter de bosjes. [slachtoffer 1] kwam en [medeverdachte 4] was aan het praten. Toen gingen [verdachte] en ik er rustig achter aan. Ter terechtzitting heeft verdachte – zakelijk weergeven – het volgende verklaard: “Ik zat bij [medeverdachte 1] achter op de scooter. Ik kreeg onderweg te horen dat ze met iemand hadden afgesproken bij de hockeyclub in [plaats 2] en dat het over een beroving ging.” Feit 3: Uit de aangifte van [slachtoffer 2] blijkt onder meer het volgende: Plaats delict: Schammersteeg , [plaats 2] . Op 19 november 2020 heb ik via Snapchat afgesproken met [profielnaam] bij de hockeyclub in [plaats 1] . Op mijn scooter zat een zwart beenkleed en ik droeg schoenen van het merk Dsquared en een zilverkleurig horloge van het merk Seiko. Ik zag op de parkeerplaats een meisje alleen op een scooter staan. We stonden ongeveer 1 minuut op de kruising van de Schammersteeg met het Inundatiepad toen er van 2 kanten 5 of 6 jongens in onze richting kwamen lopen. Eén van deze jongens kwam dicht tegenover me staan. Dit kwam dreigend op mij over. De anderen stonden erbij. De jongen die voor me stond zei dat ik mijn spullen aan hem moest geven. Ik hoorde dat de jongen zei dat hij het beenkleed van mijn scooter wilde hebben. Terwijl ik bezig was met het beenkleed los te maken voelde ik 2 keer achter elkaar een trap tegen mijn linkerkuit. Ik gaf het beenkleed af. Ik hoorde dat de jongen zei dat ik mijn schoenen af moest geven. Toen ik mijn schoenen uit wilde trekken voelde ik een klap op mijn linkerwang. Ik zag dat de jongen die tegen mij praatte mij met zijn vlakke hand tegen mijn gezicht sloeg. Toen ik mijn schoenen uit had gedaan deed die jongen weer hetzelfde. De jongen zag dat ik een horloge om had en deze moest ik ook afgeven. Mijn schoenen en mijn horloge gaf ik aan een andere jongen. Vlak voordat ik ging rennen voelde ik weer een klap tegen mijn linkerwang. De jongen die mij aansprak herkende ik als [medeverdachte 1] . De jongen aan wie ik mijn schoenen en horloge af gaf was kleiner dan [medeverdachte 1] . Mijn wang voel ik nu nog wel een beetje en mijn linkerkuit doet pijn. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Bij de beroving op 19 november 2020 waren dezelfde personen behalve [medeverdachte 2] betrokken. Ze kwamen weer uit de bosjes, ik ook, en vroegen de jongen om zijn spullen. We stonden in een cirkel om hem heen. [verdachte] stond er toen bij. Ter terechtzitting heeft verdachte -zakelijk weergegeven – verklaard: “Ik word [verdachte] genoemd.” Bewijsoverwegingen Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder ten laste gelegde oogmerk in algemene zin het volgende. Meerdere verdachten hebben verklaard dat hun bedoeling is geweest om mee te doen aan een ‘pedohunt’, waarmee, naar de rechtbank begrijpt, wordt bedoeld dat onder valse voorwendselen een afspraak wordt gemaakt met een persoon om diegene te confronteren met zijn vermeende pedofilie. Van een oogmerk om spullen af te pakken zou geen sprake zijn geweest. De rechtbank acht die verklaringen ongeloofwaardig en licht dat toe. Beide voorvallen vertonen zeer grote gelijkenissen én hebben binnen ruim een week plaatsgevonden. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat tussen verdachten beide keren een plan is gemaakt. Er is met een (nep)profiel met de naam ‘ [profielnaam] ’ een afspraak gemaakt met de aangevers bij een hockeyclub in [plaats 2] . [medeverdachte 4] heeft zich daar zichtbaar voor aangevers opgesteld, terwijl de mannelijke verdachten zich verdekt hebben opgesteld. [medeverdachte 4] heeft vervolgens een kort gesprekje met de aangevers aangeknoopt. De mannelijke verdachten zijn daarna gelijktijdig tevoorschijn gekomen vanuit hun verdekte positie en zijn gelijktijdig op de aangevers afgelopen waarna direct geweld tegen de aangevers is gebruikt. Door middel van (de dreiging van) geweld werden de aangevers gedwongen goederen af te staan of werden goederen afgepakt. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de hiervoor beschreven handelswijze leidt de rechtbank af dat verdachte en de medeverdachten ten aanzien van feiten 1, 2 en 4 niet bezig waren met een ‘pedohunt’, maar met de aangevers hadden afgesproken met de bedoeling om te beroven. Uit de hiervoor beschreven handelswijze blijkt bovendien dat verdachte en medeverdachten beide keren nauw en bewust hebben samengewerkt om dat doel te verwezenlijken. Er is sprake geweest van een gedeeld vooropgezet plan en een onderlinge taakverdeling. Verdachte heeft ook een bijdrage van voldoende gewicht geleverd. Zijn bijdrage ligt besloten in het zich verborgen houden voor de aangever, het overrompelen van aangever door vanuit een verdekte plek als onderdeel van een groep op aangever af te lopen en daarna de groep getalsmatig te (blijven) versterken tijdens de afpersing en beroving. De rechtbank volgt verdachte dus niet in zijn verklaring dat hij (telkens) vóór het incident is weggelopen. Zijn verklaring wordt door de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen weerlegd. De rechtbank acht derhalve de diefstal in vereniging met (bedreiging met) geweld (feit 1) en afpersingen in vereniging (feiten 2 en 3) wettig en overtuigend bewezen. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: feit 1: op 11 november 2020 te Stoutenburg, tezamen en in vereniging met anderen, een telefoon (type/merk: Samsung S10), een kledingstuk (vest), een autosleutel, drankverpakkingen (Fanta en Amstel Radler), deodorant en een portemonnee (met inhoud, o.a. meerdere bankpassen), toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door een of meerdere malen - op het hoofd en in de buik en van die [slachtoffer 1] te slaan en - tegen de benen van die [slachtoffer 1] te schoppen en - die [slachtoffer 1] (dwingend) om de pincode van de bankpas en om de ontgrendelingscode van de telefoon te vragen en - " Ben je wel goed bij je hoofd, we maken je kapot" tegen die [slachtoffer 1] te zeggen; feit 2: op 11 november 2020 te Stoutenburg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, toebehorende aan [slachtoffer 1] , door een of meerdere malen - op het hoofd en in de buik van die [slachtoffer 1] te slaan en - tegen de benen van die [slachtoffer 1] te schoppen en - die [slachtoffer 1] (dwingend) om de pincode van de bankpas en om de ontgrendelingscode van de telefoon te vragen en - " Ben je wel goed bij je hoofd, we maken je kapot" tegen die [slachtoffer 1] te zeggen; en - die [slachtoffer 1] (vervolgens) dwingend te vragen om zijn horloge af te doen en af te geven; feit 3: op 19 november 2020 te Stoutenburg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een scooterbeenkleed (kleur: zwart), schoenen (merk: Dsquared) en een horloge (merk: Seiko, kleur: zilverkleurig), toebehorende aan [slachtoffer 2] door een of meerdere malen - op de benen van die [slachtoffer 2] te schoppen en - tegen het gezicht van die [slachtoffer 2] te slaan en - dwingend en dreigend aan die [slachtoffer 2] om het beenkleed, om de schoenen en om het horloge te vragen. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: feiten 1 en 2: eendaadse samenloop van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; feit 3: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: - een jeugddetentie van 60 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden de maatregel van Toezicht en Begeleiding en een contactverbod met alle medeverdachten en de slachtoffers. - een werkstraf van 60 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen jeugddetentie. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan, kort gezegd, twee straatroven. Verdachte en zijn mededaders hebben de slachtoffers via Snapchat naar een afgelegen locatie gelokt om ze vervolgens te kunnen beroven van hun (waardevolle) spullen.De rechtbank rekent het verdachte aan dat er met een grote groep geweld is uitgeoefend op de slachtoffers, hij zich op geen enkele wijze heeft bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers en zijn rol ten aanzien van het ten laste gelegde bagatelliseert. Dergelijke overvallen zijn in het algemeen zeer traumatiserend voor de slachtoffers, waarbij ook de impact op hun gevoel van veiligheid groot is. [slachtoffer 1] heeft zich tijdens het incident erg machteloos en angstig gevoeld, heeft hierna nog tijden nachtmerries en ongemaksgevoelens ervaren en heeft EMDR-therapie gevolgd voor de trauma’s die hij hierdoor heeft opgelopen. [slachtoffer 2] heeft nog lang last gehad van onrechtgevoelens en angsten, waarbij hij niet alleen over straat durfde. Persoon van de verdachte Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met: - een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 15 september 2022; - een advies van Samen Veilig Midden-Nederland van 3 oktober 2022, opgesteld door J. Weerman; - een advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 17 oktober 2022, opgesteld door M. Cijs, kernfunctionaris. Uit de justitiële documentatie (het ‘strafblad’) van verdachte van 15 september 2022 blijkt dat hij op 13 januari 2022 een strafbeschikking heeft ontvangen in verband met een verkeersovertreding. De rechtbank zal daarmee rekening houden bij het bepalen van de straf op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Uit het advies van Samen Veilig Midden-Nederland (vanaf hier: SAVE) blijkt dat verdachte op een positieve manier met school en werk bezig is. Thuis gaat het goed en verdachte beschikt over een positief netwerk. SAVE schat het risico op recidive in als laag en er zijn, op de huidige verdenkingen na, weinig zorgen over verdachtes toekomst. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten komt, dan blijkt dat de rol van verdachte toch groter is geweest dan hij doet voorkomen, adviseert SAVE de rechtbank om een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Wanneer verdachte schuldig wordt bevonden heeft SAVE twijfels over zijn gewetensontwikkeling, inzicht en het op tijd herkennen van probleemsituaties. SAVE adviseert daarom om naast de werkstraf een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met daaraan gekoppeld de maatregel van Toezicht en Begeleiding voor de duur van 1 jaar. Ter terechtzitting heeft dhr. Weerman namens SAVE in aanvulling op het schriftelijk uitgebracht advies naar voren gebracht dat het toezicht louter positief is verlopen. Verdachte heeft een erg betrokken moeder die veel inzet en betrokkenheid toont. Verdachte heeft het contact met de groep verbroken en heeft inmiddels een nieuwe vriendenkring opgebouwd. Verdachte is niet meer op negatieve manier in beeld geweest bij de politie. Over de delicten kan thans (nog) niet gesproken worden, omdat verdachte betrokkenheid ontkent. Begeleiding langer dan een jaar acht SAVE niet nodig. Uit het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (vanaf hier: RvdK) blijkt ook dat het toezicht positief verloopt en dat verdachte en zijn ouders hun volledige medewerking hebben verleend aan dit traject. De RvdK concludeert dat er weinig tot geen risicofactoren zijn die de kans op herhaling van delictgedrag vergroten en de RvdK acht gedragsinterventies of verdere begeleiding door de jeugdreclassering niet nodig. Op het moment dat wel blijkt dat verdachte een aanwijsbaar aandeel heeft gehad binnen de verdenking acht de RvdK dit door de ernst van de feiten en de ontkennende houding van verdachte zorgelijk. De RvdK adviseert de rechtbank om in dat geval een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de maatregel van Toezicht en Begeleiding. Gelet op de lange duur van het schorsingstoezicht acht de RvdK het voldoende wanneer deze maatregel geldt voor de duur van 1 jaar. Strafoplegging Gelet op de ernst en hoeveelheid van de feiten acht de rechtbank een grotendeels voorwaardelijke jeugddetentie van passend en geboden. Bij de bepaling van de duur ervan heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte, het ruime tijdsverloop sinds de gepleegde feiten en zijn beperkte rol. Overschrijding redelijke termijn De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Verdachte is op 2 juni 2021 in verzekering gesteld. Vanaf dat moment diende hij rekening te houden met een tegen hem gerichte strafvervolging. Verdachte was ten tijde van het delict minderjarig en dient dus als zodanig te worden berecht volgens het minderjarigenstrafrecht. Er geldt daarom een redelijke termijn van 16 maanden. Deze termijn is met anderhalve maand overschreden. De rechtbank zal hier in strafverminderende zin rekening mee houden. Daar waar gelet op de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie van enkele maanden passend was geweest, ziet de rechtbank er van af om verdacht terug naar de gevangenis te sturen. Straf Verdachte loopt inmiddels bijna anderhalf jaar in een schorsingstoezicht en heeft zich in die periode positief ontwikkeld. De rechtbank houdt ook rekening met de adviezen van de RvdK en SAVE en met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende zal de rechtbank verdachte een jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, waarvan 57 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde zoals geadviseerd door de RvdK en SAVE, inclusief een contactverbod met de medeverdachten en de slachtoffers opleggen. De rechtbank zal bepalen dat de maatregel van Toezicht en Begeleiding zal duren tot maximaal 1 jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. Daarnaast acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 70 uren, te vervangen door 35 dagen jeugddetentie bij het niet (naar behoren) uitvoeren hiervan, passend en geboden. Dadelijke uitvoerbaarheid Gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport en het verhandelde ter terechtzitting, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Het recidiverisico wordt door de RvdK en SAVE ingeschat als laag en verdachte heeft zich het afgelopen anderhalf jaar positief ontwikkeld. De SAVE heeft daarnaast vrijwel geen zorgen over verdachtes verdere ontwikkeling. De rechtbank zal daarom niet bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zullen worden opgelegd dadelijk uitvoerbaar zijn. 9BENADEELDE PARTIJEN Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 3.382,66. Dit bedrag bestaat uit € 2.532,66 materiële schade en € 850,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde. 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 9.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich gelet op de bepleite vrijspraak voor de feiten 1 en 2 op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder rubriek 5, feiten 1 en 2 bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De schade voor zover die betrekking heeft op de schadeposten vest, rijbewijs, identiteitskaart, pasfoto’s, autosleutels, bril, Fanta, Radler, mobiel, SD-kaart, reiskosten voor het bijwonen van de zittingen en eigen risico ter hoogte van in totaal € 1.814,74 komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 november 2020 tot de dag van volledige betaling. De benadeelde partij heeft daarnaast een bedrag van € 217,92 aan verlofuren gevorderd. Uit de ter terechtzitting gegeven toelichting van de benadeelde partij leidt de rechtbank af dat het in wezen gaat om gederfde inkomsten doordat de benadeelde partij deze uren niet (als ZZP’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.