RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/110719-21 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 16 november 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] , [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 19 oktober 2022. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 16 november 2022. Vervolgens is direct uitspraak gedaan. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. J.M. Van Dam, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Tevens zijn ter terechtzitting verschenen: de benadeelde partij dhr. [slachtoffer 1] en zijn moeder; mw. [A] , namens Slachtofferhulp Nederland; mw. L.C. Goudena, namens Samen Veilig Midden-Nederland. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1 primair: op 11 november 2020 te Stoutenburg samen met anderen met (bedreiging met) geweld een telefoon, een kledingstuk, een autosleutel, drankverpakkingen, deodorant en een portemonnee (met inhoud) van [slachtoffer 1] heeft gestolen; subsidiair: hieraan medeplichtig is geweest door af te spreken met die [slachtoffer 1] , hem aan te spreken, met hem in gesprek te gaan en heb naar de plek te lokken en op de uitkijk te staan;feit 2 primair: op 11 november 2020 te Stoutenberg samen met anderen met (bedreiging met) geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot afgifte van een horloge; subsidiair: hieraan medeplichtig is geweest door af te spreken met die [slachtoffer 1] , hem aan te spreken, met hem in gesprek te gaan en heb naar de plek te lokken en op de uitkijk te staan; feit 3: op 11 november 2020 te Hoevelaken samen met anderen een geldsom ter waarde van €500,- heeft gestolen van [slachtoffer 1] door middel van een valse sleutel (te weten door gebruik te maken van een pinpas en bijbehorende pincode); feit 4 primair: op 19 november 2020 te Stoutenburg samen met anderen met (bedreiging met) geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot afgifte van een scooterbeenkleed, schoenen en een horloge; subsidiair: hieraan medeplichtig is geweest door af te spreken met die [slachtoffer 2] , hem aan te spreken, met hem in gesprek te gaan en heb naar de plek te lokken en op de uitkijk te staan. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 en feit 4 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 1 primair, feit 2 primair en feit 4 primair. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat er slechts sprake is van medeplichtigheid. Er is geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten en verdachte heeft geen intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over het onder feit 3 ten laste gelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen Feiten 1 primair, 2 primair en 3: Uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt onder meer het volgende: Vanavond [11 november 2020] had ik via Snapchat afgesproken met [profielnaam] . Toen ik aankwam op de parkeerplaats ter hoogte van de hockeyclub op de [adres 2] te [plaats 1] zat er al een meisje op het bankje. Ik ben naast haar gaan zitten en we hebben even zitten praten. Ineens hoorde ik wat ritselen en zag ik ongeveer 5 a 6 gasten op mij af komen. Ik wilde weglopen maar ze hielden mij tegen en begonnen mij te schoppen te slaan. Als eerste sloegen ze mijn bril van mijn hoofd. Ze hebben mij 2 of 3 keer geslagen in mijn buik en 1 keer in mijn zak getrapt. Ze hebben mij 4 keer op mijn hoofd geslagen en 4 keer tegen mijn benen geschopt. Ik voelde direct pijn, vooral aan mijn hoofd. Ze hebben mijn vest, waar mijn autosleutel in zat, uitgetrokken. Twee personen zijn bij mijn auto bezig geweest. Die gasten hadden mijn bankpas gevonden en vroegen om mijn pincode. Ik heb mijn pincode gegeven omdat ze bleven slaan en schoppen. Ik moest mijn horloge afdoen en deze heb ik ook afgegeven. Dit is een zilverkleurig horloge van het merk Seiko. Ik heb ze horen zeggen ‘Ben je wel goed bij je hoofd, we maken je kapot’. Uit mijn auto hebben ze ook mijn telefoon gepakt. Ik moest deze ontgrendelen en daarna werd het toestel, een Samsung S10, uitgeschakeld. Toen er een auto aan kwam rijden zijn ze er allemaal vandoor gegaan. Toen ik terugkwam bij mijn auto ontdekte ik dat er allerlei spullen uit mijn auto weg waren. Dit waren mijn portemonnee (waarin onder meer mijn rijbewijs, ID-kaart en 2 bankpassen, waarvan 1 van de rekening [rekeningnummer] met pasnummer [pasnummer] zaten), een 12-pak Fanta, een sixpack Amstel Radler en mijn deodorant. Van de bankpas met pasnummer [pasnummer] heb ik de pincode afgegeven. Met deze bankpas werd op 11 november 2020 om 22:23 uur middels een pintransactie €500,- van mijn bankrekening opgenomen. Deze pintransactie vond plaats bij een pinautomaat aan de [adres 3] in [plaats 2] . Ter terechtzitting heeft verdachte – zakelijk weergeven – het volgende verklaard: “Ik ben betrokken geweest bij het incident op 11 november 2020. Ik wist dat er iets vervelends ging gebeuren toen we op weg waren naar de hockeyclub in [plaats 3] . We waren met 7 personen. Onze groep bestond uit [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en mij. Twee jongens hadden een afspraakje gemaakt en we zijn met de hele groep daarheen gegaan. Ik moest op een bankje gaan zitten en een gesprekje voeren. Ik was het eerste aanspreekpunt. Daarna kwam de rest van de groep uit de bosjes tevoorschijn en werd [slachtoffer 1] aangevallen en beroofd. Er is geslagen en geschopt door een paar jongens. Ik heb ook gezien dat de auto doorzocht werd. Ik weet dat mijn aanwezigheid het extra intimiderend maakte voor het slachtoffer en ik had iets moeten doen. Het slachtoffer kon mij en de jongens die niet direct geweld gebruikten, zien staan. Ik heb uiteindelijk de telefoon van [slachtoffer 1] verkocht. Na de overval ben ik direct gaan pinnen. [medeverdachte 1] had mij de pincode verteld. Ik heb €500,- gepind en het geld verdeeld.” Feit 4: Uit de aangifte van [slachtoffer 2] blijkt onder meer het volgende: Op 19 november 2020 heb ik via Snapchat afgesproken met [profielnaam] bij de hockeyclub in [plaats 1] . Op mijn scooter zat een zwart beenkleed en ik droeg schoenen van het merk Dsquared en een zilverkleurig horloge van het merk Seiko. Ik zag op de parkeerplaats een meisje alleen op een scooter staan. We stonden ongeveer 1 minuut op de kruising van de [locatie] met het [straat] toen er van 2 kanten 5 of 6 jongens in onze richting kwamen lopen. Eén van deze jongens kwam dicht tegenover me staan. Dit kwam dreigend op mij over. De anderen stonden erbij. De jongen die voor me stond zei dat ik mijn spullen aan hem moest geven. Ik hoorde dat de jongen zei dat hij het beenkleed van mijn scooter wilde hebben. Terwijl ik bezig was met het beenkleed los te maken voelde ik 2 keer achter elkaar een trap tegen mijn linkerkuit. Ik gaf het beenkleed af. Ik hoorde dat de jongen zei dat ik mijn schoenen af moest geven. Toen ik mijn schoenen uit wilde trekken voelde ik een klap op mijn linkerwang. Ik zag dat de jongen die tegen mij praatte mij met zijn vlakke hand tegen mijn gezicht sloeg. Toen ik mijn schoenen uit had gedaan deed die jongen weer hetzelfde. De jongen zag dat ik een horloge om had en deze moest ik ook afgeven. Mijn schoenen en mijn horloge gaf ik aan een andere jongen. Vlak voordat ik ging rennen voelde ik weer een klap tegen mijn linkerwang. De jongen die mij aansprak herkende ik als [medeverdachte 4] . De jongen aan wie ik mijn schoenen en horloge af gaf was kleiner dan [medeverdachte 4] . Mijn wang voel ik nu nog wel een beetje en mijn linkerkuit doet pijn. Ter terechtzitting heeft verdachte – zakelijk weergeven – het volgende verklaard: “Bij deze overval op 19 november 2020 in Stoutenburg wist ik ruimer van tevoren van het plan. We waren met ongeveer dezelfde groep. Ook hier was ik er weer bij en voerde ik eerst een gesprekje met het slachtoffer. De helm en het horloge van [slachtoffer 2] lagen daarna in ons huis.” Bewijsoverwegingen Feiten 1 primair, 2 primair en 4 primair: Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder feiten 1 primair, 2 primair en 4 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde oogmerk in algemene zin het volgende. Meerdere verdachten hebben verklaard dat hun bedoeling is geweest om mee te doen aan een ‘pedohunt’, waarmee, naar de rechtbank begrijpt, wordt bedoeld dat onder valse voorwendselen een afspraak wordt gemaakt met een persoon om diegene te confronteren met zijn vermeende pedofilie. Van een oogmerk om spullen af te pakken zou geen sprake zijn geweest. De rechtbank acht die verklaringen ongeloofwaardig en licht dat toe. Beide voorvallen vertonen zeer grote gelijkenissen én hebben binnen ruim een week plaatsgevonden. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat tussen verdachten beide keren een plan is gemaakt. Er is met een (nep)profiel met de naam ‘ [profielnaam] ’ een afspraak gemaakt met de aangevers bij een hockeyclub in [plaats 3] . Verdachte heeft zich daar zichtbaar voor aangevers opgesteld, terwijl de mannelijke verdachten zich verdekt hebben opgesteld. Verdachte heeft vervolgens een kort gesprekje met de aangevers aangeknoopt. De mannelijke verdachten zijn daarna gelijktijdig tevoorschijn gekomen vanuit hun verdekte positie en zijn gelijktijdig op de aangevers afgelopen waarna direct geweld tegen de aangevers is gebruikt. Door middel van (de dreiging van) geweld werden de aangevers gedwongen goederen af te staan of werden goederen afgepakt. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de hiervoor beschreven handelswijze leidt de rechtbank af dat verdachte en de medeverdachten ten aanzien van feiten 1, 2 en 4 niet bezig waren met een ‘pedohunt’, maar met de aangevers hadden afgesproken met de bedoeling om hen te beroven. Uit de hiervoor beschreven handelswijze blijkt bovendien dat verdachte en medeverdachten beide keren nauw en bewust hebben samengewerkt om dat doel te verwezenlijken. Er is sprake geweest van een gedeeld vooropgezet plan en een onderlinge taakverdeling, als onderdeel waarvan verdachte de belangrijke rol van lokaas heeft vervuld en haar aanwezigheid tijdens de incidenten, ook naar eigen zeggen, in intimiderende zin heeft bijgedragen. Daarnaast heeft verdachte gedeeld in de verkregen buit. Deze feiten en omstandigheden leiden tot het oordeel dat verdachte medepleger was en niet slechts medeplichtige. De rechtbank acht derhalve de tenlastegelegde diefstal in vereniging met (bedreiging met) geweld (feit 1) en de afpersingen in vereniging (feiten 2 en 4) wettig en overtuigend bewezen. Feit 3: De rechtbank is op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met een valse sleutel in vereniging. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: feit 1: op 11 november 2020 te Stoutenburg, tezamen en in vereniging met anderen, een telefoon (type/merk: Samsung S10), een kledingstuk (vest), een autosleutel, drankverpakkingen (Fanta en Amstel Radler), deodorant en een portemonnee (met inhoud, o.a. meerdere bankpassen), toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door een of meerdere malen - op het hoofd en in de buik en van die [slachtoffer 1] te slaan en - tegen de benen van die [slachtoffer 1] te schoppen en - die [slachtoffer 1] (dwingend) om de pincode van de bankpas en om de ontgrendelingscode van de telefoon te vragen en - " Ben je wel goed bij je hoofd, we maken je kapot" tegen die [slachtoffer 1] te zeggen; feit 2: op 11 november 2020 te Stoutenburg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, toebehorende aan [slachtoffer 1] , door een of meerdere malen - op het hoofd en in de buik envan die [slachtoffer 1] te slaan en - tegen de benen van die [slachtoffer 1] te schoppen en - die [slachtoffer 1] (dwingend) om de pincode van de bankpas en om de ontgrendelingscode van de telefoon te vragen en - " Ben je wel goed bij je hoofd, we maken je kapot" tegen die [slachtoffer 1] te zeggen; en - die [slachtoffer 1] (vervolgens) dwingend te vragen om zijn horloge af te doen en af te geven; feit 3: op 11 november 2020 te Hoevelaken, tezamen en in vereniging met ander, een geldsom (ter waarde van 500 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en haar mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel door gebruik te maken van een pinpas en bijhorende pincode waartoe, zij verdachte en haar mededader, niet gerechtigd waren; feit 4: op 19 november 2020 te Stoutenburg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een scooterbeenkleed (kleur: zwart), schoenen (merk: Dsquared) en een horloge (merk: Seiko, kleur: zilverkleurig), toebehorende aan [slachtoffer 2] , door een of meerdere malen - op de benen van die [slachtoffer 2] te schoppen en - tegen het gezicht van die [slachtoffer 2] te slaan en - dwingend en dreigend aan die [slachtoffer 2] om het beenkleed, om de schoenen en om het horloge te vragen; Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Ten aanzien van feiten 1 primair en 2 primair is sprake van één feitencomplex waarbij de feiten zodanig met elkaar zijn verweven en zozeer in elkaar opgaan dat moet worden geoordeeld dat daar één wilsbesluit aan ten grondslag ligt. De rechtbank constateert daarom dat sprake is van eendaadse samenloop van feiten 1 primair en 2 primair. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feit op: feiten 1 primair en 2 primair: eendaadse samenloop van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels; feit 4 primair: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: - een jeugddetentie van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 177 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden de maatregel van Toezicht en Begeleiding en een contactverbod met de medeverdachten en slachtoffers; - een werkstraf van 180 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen jeugddetentie. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in jeugdstrafzaken en de beperkte rol van verdachte in het geheel. Volgens de raadsman dient de jeugddetentie fors gematigd dient te worden ten opzichte van de eis van de officier van justitie of dient een gedeelte van de gevorderde taakstraf voorwaardelijk opgelegd dient te worden. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met haar mededaders schuldig gemaakt aan het plegen van een diefstal met (bedreiging met) geweld, twee afpersingen en de diefstal van € 500,- met een gestolen bankpas. Verdachte en haar mededaders hebben telkens slachtoffers via Snapchat naar een afgelegen locatie gelokt om ze vervolgens te kunnen beroven van hun (waardevolle) spullen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat met een grote groep geweld is uitgeoefend op de slachtoffers en zij zich op geen enkele wijze heeft bekommerd om de gevolgen voor de aangevers. Dergelijke overvallen zijn in het algemeen zeer traumatiserend voor de slachtoffers, waarbij ook de impact op hun gevoel van veiligheid groot is. [slachtoffer 1] heeft zich tijdens het incident erg machteloos en angstig gevoeld, heeft hierna nog tijden nachtmerries en ongemaksgevoelens ervaren en heeft EMDR-therapie gevolgd voor de trauma’s die hij hierdoor heeft opgelopen. [slachtoffer 2] heeft nog lang last gehad van onrechtgevoelens en angsten, waarbij hij niet alleen over straat durfde. Persoon van de verdachte Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met: - een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 15 september 2022; - een advies van Samen Veilig Midden-Nederland van 11 oktober 2022, uitgebracht door N. Yasar, jeugdreclasseerder; - een advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 13 oktober 2022, uitgebracht door M. Cijs, raadsonderzoeker. Uit de justitiële documentatie (het ‘strafblad’) van verdachte van 15 september 2022 blijkt dat zij op 21 juli 2021 een strafbeschikking heeft ontvangen in verband met een verkeersovertreding. De rechtbank zal daarmee rekening houden bij het bepalen van de straf op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Uit het advies van Samen Veilig Midden-Nederland (vanaf hier: SAVE) komt naar voren dat de meeste doelen, zoals die zijn opgesteld in het kader van het schorsingstoezicht, zijn behaald. SAVE beschrijft dat verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en spijt heeft van haar daad. Verdachte woont inmiddels op haarzelf en heeft een baan. Verdachte heeft een ontzettend belaste voorgeschiedenis, maar maakt inmiddels stappen richting zelfstandigheid. Het lange wachten op een definitieve strafafdoening heeft invloed op haar leerproces en motivatie. SAVE adviseert de rechtbank om een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met daaraan als bijzondere voorwaarde gekoppeld de maatregel van Toezicht en Begeleiding voor de duur van 1 jaar. In aanvulling op dit advies heeft mw. Goudena ter terechtzitting naar voren gebracht dat het van belang is dat verdachte de stabiliteit die ze nu ervaart, behoudt. Hoewel verdachte kwetsbaar en mogelijk beïnvloedbaar is, is te zien dat ze hier sterker in wordt. Inmiddels heeft verdachte met goedkeuren van SAVE weer contact met medeverdachte [medeverdachte 3] en dat werkt voor beiden positief. Gelet op de duur van de schorsing, is de verlenging van de maatregel van Toezicht en Begeleiding met 1 jaar voldoende. Uit het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (vanaf hier: RvdK) volgt dat er tijdens het schorsingstoezicht gewerkt is aan verdachtes vriendenkeuze, het aanreiken van gedragsalternatieven en het vormgeven van een adequate dagbesteding en zelfstandigheid. Verdachte heeft na haar schorsing een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Verdachte heeft een mediaton traject doorlopen, oprechte spijt betuigd en is sindsdien niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Het recidiverisico wordt door de RvdK als laag ingeschat en er zijn geen risico’s voor haar verdere ontwikkeling. De RvdK adviseert de rechtbank om bij een veroordeling voor de feiten een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met hieraan als bijzondere voorwaarde gekoppeld de maatregel van Toezicht en Begeleiding voor de duur van 1 jaar. Gelet op het feit dat het schorsingstoezicht inmiddels al ruim anderhalf jaar loopt, acht de RvdK de duur van 1 jaar afdoende om een vinger aan de pols te houden. Strafoplegging Overschrijding redelijke termijn De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Verdachte is op 3 mei 2021 in verzekering gesteld. Vanaf dat moment diende zij rekening te houden met een tegen haar gerichte strafvervolging. Verdachte was ten tijde van het delict minderjarig en dient dus als zodanig te worden berecht volgens het minderjarigenstrafrecht. Er geldt daarom een redelijke termijn van 16 maanden. Deze termijn is met 2 maanden en 13 dagen overschreden. De rechtbank zal hier in strafverminderende zin rekening mee houden. Daar waar gelet op de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie van enkele maanden passend was geweest, ziet de rechtbank er van af om verdacht terug naar de gevangenis te sturen. Straf Gelet op de ernst en hoeveelheid van de feiten acht de rechtbank nog wel een grotendeels voorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden. Bij de bepaling van de duur ervan heeft de rechtbank de jonge leeftijd van verdachte en het ruime tijdsverloop sinds de gepleegde feiten meegewogen. Verdachte loopt inmiddels anderhalf jaar in een schorsingstoezicht en heeft zich in die periode positief ontwikkeld. De rechtbank houdt ook rekening met de adviezen van de RvdK en SAVE en met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende zal de rechtbank verdachte een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 86 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde zoals geadviseerd door de RvdK en SAVE, inclusief een contactverbod met de medeverdachten (met uitzondering van medeverdachte [medeverdachte 3] ) en de slachtoffers opleggen. Dit betekent dat verdachte dus niet terug in detentie hoeft. De rechtbank zal in lijn met het advies van de RvdK bepalen dat de maatregel van Toezicht & Begeleiding geldt voor de duur van 1 jaar. De proeftijd stelt de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, wel op 2 jaren. Daarnaast acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie bij het niet (naar behoren) uitvoeren hiervan, passend en geboden. Dadelijke uitvoerbaarheid Gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport en het verhandelde ter terechtzitting, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Het recidiverisico wordt door de RvdK ingeschat als laag en verdachte heeft zich de afgelopen anderhalf jaar positief ontwikkeld. De RvdK ziet daarnaast geen risico’s voor verdachtes verdere ontwikkeling. De rechtbank zal daarom niet bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar zijn. 9BENADEELDE PARTIJEN Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van €3.382,66. Dit bedrag bestaat uit € 2.532,66 materiële schade en € 850,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde. 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 9.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich, na nadere onderbouwing van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter terechtzitting, ten aanzien van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder rubriek 5, feiten 1, 2 en 3 bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De schade voor zover die betrekking heeft op de schadeposten vest, rijbewijs, identiteitskaart, pasfoto’s, autosleutels, bril, Fanta, Radler, mobiel, SD-kaart, het van de rekening gepinde bedrag, reiskosten voor het bijwonen van de zittingen en eigen risico ter hoogte van in totaal € 2.314,74 komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 november 2020 tot de dag van volledige betaling. De benadeelde partij heeft daarnaast een bedrag van € 217,92 aan verlofuren gevorderd. Uit de ter terechtzitting gegeven toelichting van de benadeelde partij leidt de rechtbank af dat het in wezen gaat om gederfde inkomsten doordat de benadeelde partij deze uren niet (als ZZP’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.