RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/110779-21 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 16 november 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2002 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] , [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 oktober 2022. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 16 november 2022. Vervolgens is direct uitspraak gedaan. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.S. Baardman, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Tevens zijn ter terechtzitting verschenen: de benadeelde partij dhr. [slachtoffer 1] en zijn moeder; mw. [A] , namens Slachtofferhulp Nederland. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: op 11 november 2020 te Stoutenburg samen met anderen met (bedreiging met) geweld een telefoon, een kledingstuk, een autosleutel, drankverpakkingen, deodorant en een portemonnee (met inhoud) van [slachtoffer 1] heeft gestolen;feit 2: op 11 november 2020 te Stoutenberg samen met anderen met (bedreiging met) geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot afgifte van een horloge; feit 3: op 11 november 2020 te Hoevelaken (primair) samen met anderen een geldsom ter waarde van € 500,- heeft gestolen van [slachtoffer 1] door middel van een valse sleutel (te weten door gebruik te maken van een pinpas en bijbehorende pincode), dan wel (subsidiair) hieraan medeplichtig is geweest door [medeverdachte 1] van en naar de plaats van het delict te vervoeren; feit 4: op 19 november 2020 te Stoutenburg samen met anderen met (bedreiging met) geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot afgifte van een scooterbeenkleed, schoenen en een horloge. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het onder feit 1, 2, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder feit 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van feit 3 primair en feit 4, aangezien verdachte bij die feiten slechts medeplichtig is geweest. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen Feiten 1, 2 en 3: Uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt onder meer het volgende: Vanavond [11 november 2020] had ik via Snapchat afgesproken met [profielnaam] . Toen ik aankwam op de parkeerplaats ter hoogte van de hockeyclub op de [adres 2] te [plaats] zat er al een meisje op het bankje. Ik ben naast haar gaan zitten en we hebben even zitten praten. Ineens hoorde ik wat ritselen en zag ik ongeveer 5 a 6 gasten op mij af komen. Ik wilde weglopen maar ze hielden mij tegen en begonnen mij te schoppen en te slaan. Als eerste sloegen ze mijn bril van mijn hoofd. Ze hebben mij 2 of 3 keer geslagen in mijn buik en 1 keer in mijn zak getrapt. Ze hebben mij 4 keer op mijn hoofd geslagen en 4 keer tegen mijn benen geschopt. Ik voelde direct pijn, vooral aan mijn hoofd. Ze hebben mijn vest, waar mijn autosleutel in zat, uitgetrokken. Twee personen zijn bij mijn auto bezig geweest. Die gasten hadden mijn bankpas gevonden en vroegen om mijn pincode. Ik heb mijn pincode gegeven omdat ze bleven slaan en schoppen. Ik moest mijn horloge afdoen en deze heb ik ook afgegeven. Dit is een zilverkleurig horloge van het merk Seiko. Ik heb ze horen zeggen ‘Ben je wel goed bij je hoofd, we maken je kapot’. Uit mijn auto hebben ze ook mijn telefoon gepakt. Ik moest deze ontgrendelen en daarna werd het toestel, een Samsung S10, uitgeschakeld. Toen er een auto aan kwam rijden, zijn ze er allemaal vandoor gegaan. Toen ik terugkwam bij mijn auto ontdekte ik dat er allerlei spullen uit mijn auto weg waren. Dit waren mijn portemonnee (waarin onder meer mijn rijbewijs, ID-kaart en 2 bankpassen, waarvan 1 van de rekening [rekeningnummer] met pasnummer [pasnummer] zaten), een 12-pak Fanta, een sixpack Amstel Radler en mijn deodorant. Van de bankpas met pasnummer [pasnummer] heb ik de pincode afgegeven. Met deze bankpas werd op 11 november 2020 om 22:23 uur middels een pintransactie € 500,- van mijn bankrekening opgenomen. Deze pintransactie vond plaats bij een pinautomaat aan de Westerdorpsstraat 12 in Hoevelaken. Ter terechtzitting heeft verdachte – zakelijk weergeven – het volgende verklaard: “Ik was er op 11 november 2020 in Stoutenburg bij en ik heb aangemoedigd. Ik heb scheldwoorden geroepen en fanatiek meegedaan als groepsdruk. We waren met 7 personen. Onze groep bestond uit [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en ik. Er was in het begin een plan gemaakt en er is afgesproken met het slachtoffer via Snapchat. [medeverdachte 1] ging op het bankje zitten en de rest ging wachten. Toen het slachtoffer kwam gingen we er met zijn allen op af. Er zijn klappen uitgedeeld en er zijn spullen uit de auto gepakt. Vervolgens zijn we met de groep naar Station Hoevelaken gegaan en heb ik [medeverdachte 1] bij de pinlocatie afgezet. Ik wist dat ze ging pinnen met de pas van het slachtoffer. Ik heb iets verderop gewacht en heb [medeverdachte 1] na het pinnen weer opgehaald. Vervolgens zijn we terug gegaan naar de groep bij het station. Ik wist dat het horloge en de ID-kaart van het slachtoffer in mijn huis lagen.” Feit 4: Uit de aangifte van [slachtoffer 2] blijkt onder meer het volgende: Op 19 november 2020 heb ik via Snapchat afgesproken met [profielnaam] bij de hockeyclub in [plaats] . Op mijn scooter zat een zwart beenkleed en ik droeg schoenen van het merk Dsquared en een zilverkleurig horloge van het merk Seiko. Ik zag op de parkeerplaats een meisje alleen op een scooter staan. We stonden ongeveer 1 minuut op de kruising van de [locatie] met het [straat] toen er van 2 kanten 5 of 6 jongens in onze richting kwamen lopen. Eén van deze jongens kwam dicht tegenover me staan. Dit kwam dreigend op mij over. De anderen stonden erbij. De jongen die voor me stond zei dat ik mijn spullen aan hem moest geven. Ik hoorde dat de jongen zei dat hij het beenkleed van mijn scooter wilde hebben. Terwijl ik bezig was met het beenkleed los te maken voelde ik 2 keer achter elkaar een trap tegen mijn linkerkuit. Ik gaf het beenkleed af. Ik hoorde dat de jongen zei dat ik mijn schoenen af moest geven. Toen ik mijn schoenen uit wilde trekken voelde ik een klap op mijn linkerwang. Ik zag dat de jongen die tegen mij praatte mij met zijn vlakke hand tegen mijn gezicht sloeg. Toen ik mijn schoenen uit had gedaan deed die jongen weer hetzelfde. De jongen zag dat ik een horloge om had en deze moest ik ook afgeven. Mijn schoenen en mijn horloge gaf ik aan een andere jongen. Vlak voordat ik ging rennen voelde ik weer een klap tegen mijn linkerwang. De jongen die mij aansprak herkende ik als [medeverdachte 4] . De jongen aan wie ik mijn schoenen en horloge af gaf was kleiner dan [medeverdachte 4] . Mijn wang voel ik nu nog wel een beetje en mijn linkerkuit doet pijn. Ter terechtzitting heeft verdachte – zakelijk weergeven – het volgende verklaard: “Ook dit keer, op 19 november 2020 in Stoutenburg, was ik erbij. We waren, op [medeverdachte 6] na, weer met dezelfde groep als de vorige keer. Ik had wel het idee dat dit keer hetzelfde zou gebeuren.” Bewijsoverwegingen Feiten 1, 2 en 4: Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder feiten 1, 2 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde oogmerk in algemene zin het volgende. Meerdere verdachten hebben verklaard dat hun bedoeling is geweest om mee te doen aan een ‘pedohunt’, waarmee, naar de rechtbank begrijpt, wordt bedoeld dat onder valse voorwendselen een afspraak wordt gemaakt met een persoon om diegene te confronteren met zijn vermeende pedofilie. Van een oogmerk om spullen af te pakken zou geen sprake zijn geweest. De rechtbank acht die verklaringen ongeloofwaardig en licht dat toe. Beide voorvallen vertonen zeer grote gelijkenissen én hebben binnen ruim een week plaatsgevonden. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat tussen verdachten beide keren een plan is gemaakt. Er is met een (nep)profiel met de naam ‘ [profielnaam] ’ een afspraak gemaakt met de aangevers bij een hockeyclub in [plaats] . [medeverdachte 1] heeft zich daar zichtbaar voor aangevers opgesteld, terwijl de mannelijke verdachten zich verdekt hebben opgesteld. [medeverdachte 1] heeft vervolgens een kort gesprekje met de aangevers aangeknoopt. De mannelijke verdachten zijn daarna gelijktijdig tevoorschijn gekomen vanuit hun verdekte positie en zijn gelijktijdig op de aangevers afgelopen, waarna direct geweld tegen de aangevers is gebruikt. Door middel van (de dreiging van) geweld werden de aangevers gedwongen goederen af te staan of werden goederen afgepakt. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de hiervoor beschreven handelswijze leidt de rechtbank af dat verdachte en de medeverdachten ten aanzien van feiten 1, 2 en 4 niet bezig waren met een ‘pedohunt’, maar met de aangevers hadden afgesproken met de bedoeling om hen te beroven. Uit de hiervoor beschreven handelswijze blijkt bovendien dat verdachte en medeverdachten beide keren nauw en bewust hebben samengewerkt om dat doel te verwezenlijken. Er is sprake geweest van een gedeeld vooropgezet plan en een onderlinge taakverdeling. Verdachte zelf heeft ook een bijdrage van voldoende gewicht geleverd. Zijn bijdrage ligt besloten in het zich verborgen houden voor de aangever, het overrompelen van aangever door vanuit een verdekte plek als onderdeel van een groep op aangever af te lopen en daarna de groep getalsmatig te (blijven) versterken tijdens de afpersing en beroving. Daar komt bij dat verdachte over het eerste voorval heeft verklaard dat hij heeft gescholden en de groep heeft aangemoedigd. De rechtbank acht derhalve de diefstal in vereniging met (bedreiging met) geweld (feit 1) en de afpersingen in vereniging (feiten 2 en 4) wettig en overtuigend bewezen. Feit 3: Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder feit 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank stelt vast dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de straatroof waarbij de pinpas en pincode van het slachtoffer zijn weggenomen. Direct na de straatroof brengt verdachte medeverdachte [medeverdachte 1] richting de pinlocatie, wetende dat zij de pas bij zich had en hiermee geld zou gaan opnemen. Verdachte haalt medeverdachte [medeverdachte 1] direct hierna op en zij voegen zich weer bij de groep. Op grond van deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een dusdanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] dat verdachte als medepleger van deze diefstal moet worden beschouwd. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: feit 1: op 11 november 2020 te Stoutenburg, tezamen en in vereniging met anderen, een telefoon (type/merk: Samsung S10), een kledingstuk (vest), een autosleutel, drankverpakkingen (Fanta en Amstel Radler), deodorant en een portemonnee (met inhoud, o.a. meerdere bankpassen), toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door een of meerdere malen- op het hoofd en in de buik van die [slachtoffer 1] te slaan en - tegen de benen van die [slachtoffer 1] te schoppen en- die [slachtoffer 1] (dwingend) om de pincode van de bankpas en om de ontgrendelingscode van de telefoon te vragen en- "Ben je wel goed bij je hoofd, we maken je kapot" tegen die [slachtoffer 1] te zeggen; feit 2: op 11 november 2020 te Stoutenburg tezamen en in vereniging met meer anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, toebehorende aan [slachtoffer 1] , door een of meerdere malen- op het hoofd en in de buik en van die [slachtoffer 1] te slaan en- tegen de benen van die [slachtoffer 1] te schoppen en- die [slachtoffer 1] (dwingend) om de pincode van de bankpas en om de ontgrendelingscode van de telefoon te vragen en- "Ben je wel goed bij je hoofd, we maken je kapot" tegen die [slachtoffer 1] te zeggen; en - die [slachtoffer 1] (vervolgens) dwingend te vragen om zijn horloge af te doen en af te geven; feit 3: op 11 november 2020 te Hoevelaken, tezamen en in vereniging met een ander, een geldsom (ter waarde van 500 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel door gebruik te maken van een pinpas en bijhorende pincode waartoe, hij, verdachte, en zijn mededader, niet gerechtigd waren; feit 4: op 19 november 2020 te Stoutenburg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een scooterbeenkleed (kleur: zwart), schoenen (merk: Dsquared) en een horloge (merk: Seiko, kleur: zilverkleurig), toebehorende aan [slachtoffer 2] , door een of meerdere malen- op de benen van die [slachtoffer 2] te schoppen en - tegen het gezicht van die [slachtoffer 2] te slaan en - dwingend en dreigend aan die [slachtoffer 2] om het beenkleed, om de schoenen en om het horloge te vragen. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: Ten aanzien van feiten 1 en 2 is sprake van één feitencomplex waarbij de feiten zodanig met elkaar zijn verweven en zozeer in elkaar opgaan dat moet worden geoordeeld dat daar één wilsbesluit aan ten grondslag ligt. De rechtbank constateert daarom dat sprake is van eendaadse samenloop van feiten 1 en 2. feiten 1 en 2: eendaadse samenloop van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels feit 4: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een contactverbod met de slachtoffers en medeverdachten en ambulante behandeling bij De Waag. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht om geen straf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte van een gevangenisstraf langer is dan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat het vastzitten voor verdachte heel zwaar is geweest, hij al anderhalf jaar in een schorsing loopt, hij alles wat hij inmiddels heeft opgebouwd verliest indien hij opnieuw vast komt te zitten en het na een dusdanig lang tijdsverloop niet meer opportuun is om te kiezen voor zo’n zware strafmodaliteit. Voorts dient er in de strafmaat rekening mee te worden gehouden dat het door het Openbaar Ministerie geschetste beeld van verdachte als initiator van het geheel niet strookt met de inhoud van het dossier. De verdediging heeft daarnaast verzocht om het adolescentenstrafrecht toe te passen. De vaardigheden die verdachte tijdens gesprekken met de reclassering laat zien worden, namelijk niet gekoppeld aan het gedrag van verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Tot slot verzoekt de verdediging de rechtbank om bij einduitspraak het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan, kort gezegd, twee straatroven en de diefstal van € 500,- met een daarbij gestolen pinpas. Verdachte en zijn mededaders hebben de slachtoffers via Snapchat naar een afgelegen locatie gelokt om ze vervolgens te kunnen beroven van hun (waardevolle) spullen. Verdachte heeft daarin een initiërende en organiserende rol gehad. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan. De rechtbank rekent het verdachte ook aan dat er met een grote groep geweld is uitgeoefend op de slachtoffers, hij zich op geen enkele wijze heeft bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers en zijn rol ten aanzien van het ten laste gelegde bagatelliseert. Dergelijke overvallen zijn in het algemeen zeer traumatiserend voor de slachtoffers, waarbij ook de impact op hun gevoel van veiligheid groot is. [slachtoffer 1] heeft zich tijdens het incident erg machteloos en angstig gevoeld, heeft hierna nog tijden nachtmerries en ongemaksgevoelens ervaren en heeft EMDR-therapie gevolgd voor de trauma’s die hij hierdoor heeft opgelopen. [slachtoffer 2] heeft nog lang last gehad van onrechtgevoelens en angsten, waarbij hij niet alleen over straat durfde. Persoon van de verdachte Uit de justitiële documentatie (het ‘strafblad’) van verdachte van 6 oktober 2022 blijkt dat hij op 18 februari 2021 een strafbeschikking heeft ontvangen in verband met een mishandeling. De rechtbank zal daarmee rekening houden bij het bepalen van de straf op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op een over verdachte opgemaakt reclasseringsadvies van 12 oktober 2022, uitgebracht door dhr. B. Dubbeldam. Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte tijdens de schorsingsperiode meer zelfstandigheid is gaan ervaren en hij eigen verantwoordelijkheid oppakt in meerdere facetten van zijn leven. De forensische behandeling is positief afgerond en verdachte lijkt goed gemotiveerd te zijn om de dingen anders aan te pakken. Verdachte werkt inmiddels als ZZP’er in de bouw en heeft het contact met zijn netwerk van destijds verbroken. De reclassering schat het risico op recidive in als laag. Reclasseringstoezicht kan de komende jaren beschermend werken gelet op het beperkte netwerk van verdachte. De reclassering acht het opleggen van een werkstraf het meest passend en adviseert de rechtbank daarnaast om een meldplicht, ambulante behandeling bij De Waag, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een contactverbod met de medeverdachten als bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering raadt het daarnaast af om een gevangenisstraf op te leggen, omdat verdachte daarmee zijn plek bij de Walburgt, zijn werk en daarmee zijn inkomen zal verliezen. Voorts adviseert de reclassering om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Strafoplegging Adolescentenstrafrecht Verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten 18 jaar oud en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven. De reclassering ziet geen redenen om het adolescentenstrafrecht toe te passen en uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte in staat is om eigen verantwoordelijkheid over zijn leven te nemen en hiermee zelfstandig om kan gaan. Verdachte gaat niet meer naar school, woont niet meer thuis en is zijn eigen onderneming gestart. De rechtbank ziet alles overwegende in de persoon van verdachte geen aanknopingspunten om, haaks op het advies van de reclassering, toepassing te geven aan artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht. Straf Gelet op de ernst en hoeveelheid van de feiten kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij de bepaling van de duur ervan heeft de rechtbank ook de jonge leeftijd van verdachte en het ruime tijdsverloop sinds de gepleegde feiten meegewogen. Verdachte loopt inmiddels anderhalf jaar in een schorsingstoezicht en heeft zich in die periode positief ontwikkeld. De rechtbank houdt ook rekening met het advies van de reclassering, waarin het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt afgeraden, en met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 166 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en daarnaast een contactverbod met de slachtoffers, passend en geboden. Dit betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis, maar dat er wel een forse voorwaardelijke gevangenisstraf boven zijn hoofd blijft hangen. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf opleggen voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis bij het niet (naar behoren) uitvoeren hiervan. Gelet op de lange schorsingsperiode ziet de rechtbank geen reden om een proeftijd op te leggen van langer dan 2 jaar. Dadelijke uitvoerbaarheid Gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport en het verhandelde ter terechtzitting, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als laag en verdachte heeft het afgelopen anderhalf jaar aangetoond zijn leven op de rit te kunnen krijgen. De rechtbank zal daarom niet bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zullen worden opgelegd dadelijk uitvoerbaar zijn. 9BENADEELDE PARTIJEN Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 3.382,66. Dit bedrag bestaat uit € 2.532,66 materiële schade en € 850,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde. 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 9.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich, na nadere onderbouwing van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter terechtzitting, ten aanzien van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder rubriek 5, feiten 1, 2 en 3 bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De schade voor zover die betrekking heeft op de schadeposten vest, rijbewijs, identiteitskaart, pasfoto’s, autosleutels, bril, Fanta, Radler, mobiel, SD-kaart, het van de rekening gepinde bedrag, reiskosten voor het bijwonen van de zittingen en eigen risico ter hoogte van in totaal € 2.314,74 komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 november 2020 tot de dag van volledige betaling. De benadeelde partij heeft daarnaast een bedrag van € 217,92 aan verlofuren gevorderd. Uit de ter terechtzitting gegeven toelichting van de benadeelde partij leidt de rechtbank af dat het in wezen gaat om gederfde inkomsten doordat de benadeelde partij deze uren niet (als ZZP’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.