RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/1735 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2022 in de zaak tussen [eiser] te [woonplaats] , eiser, (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder (gemachtigde: D.D. Mertens). Procesverloop In de beschikking van 26 februari 2021 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op € 342.000,- naar de waardepeildatum 1 januari
- Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 28 januari 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning verlaagd naar € 322.000,-. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de digitale zitting van 1 november
- Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, D. Mertens, vergezeld door [taxateur] (taxateur). Overwegingen
- Niet in geschil is de WOZ-waarde van de woning.
- Het geschil richt zich op het in bezwaar overgelegde taxatierapport van 5 augustus
- Eiser stelt dat omdat het bezwaar gegrond is verklaard, verweerder de kosten met betrekking tot het taxatierapport (€ 128,26 (2 uur x € 53,- + 21% BTW)) had moeten vergoeden. Volgens verweerder is het niet vergoeden van het taxatierapport abusievelijk niet gebeurd. Eiser had (telefonisch) contact kunnen opnemen met verweerder. Zou de vergoeding dan alsnog worden afgewezen, dan had eiser volgens verweerder alsnog in beroep kunnen gaan. De rechtbank overweegt dat de stelling van verweerder (dat eiser ook had kunnen bellen) op zichzelf begrijpelijk is, maar dat dat niet maakt dat eiser geen beroep mocht instellen. Door middel van de uitspraak op bezwaar is namelijk de bezwaarfase geëindigd. Het enige rechtsmiddel die eiser hiertegen heeft, is het instellen van beroep. Het feit dat eiser ook had kunnen bellen, maakt niet dat eiser misbruik van zijn procesrecht heeft gemaakt. Het door de rechtbank laten toetsen van de uitspraak op bezwaar is waar het beroepsrecht voor is bedoeld, en uit de gang van zaken in deze zaak blijkt onvoldoende dat eiser zijn recht om beroep in te stellen evident voor een ander doel heeft gebruikt.
- Verweerder heeft verder in het verweerschrift toegelicht dat hij bereidt is om alsnog de kosten van het taxatierapport en griffierechten te vergoeden, mits eiser: afstand doet van de toekenning van een proceskostenvergoeding in beroep; afstand doet van een aanspraak op immateriële schadevergoeding; het beroep intrekt. Eiser is niet op dit voorstel ingegaan.
- Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, indien eiser niet aan de voorwaarden van het schikkingsvoorstel voldoet, hij dan het taxatierapport van eiser bestrijdt als zijnde een deskundigenrapport dat voor een vergoeding in de zin van art. 7:15 Awb aanmerking komt. Volgens verweerder bevat het taxatierapport namelijk een verzameling van standaard algemeenheden, enkele gegevens van de woning, een getal dat de waarde van de woning zou moeten zijn en een drietal referentiewoningen. Volgens verweerder onderbouwt eiser met dit taxatierapport niet de door hem voorgestane waarde. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet. Naar het oordeel van de rechtbank is namelijk voor de vergoeding slechts bepalend of het redelijk was dat de belanghebbende een taxatie heeft laten maken en of de kosten die daarvoor in rekening zijn gebracht redelijk zijn. In beginsel is niet bepalend de kwaliteit van het taxatierapport en evenmin is bepalend of de inhoud van het taxatierapport heeft bijgedragen aan de herroeping van verweerders oorspronkelijke beslissing. Dat de kwaliteit van het taxatierapport maakt dat hier anders over geoordeeld moet worden heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt. Conclusie
- Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren.
- Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden.
- De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een factor 0,5 voor het gewicht van de zaak nu verweerder slechts wordt veroordeeld in de vergoeding van de kosten van het taxatierapport van eiser. Daarbij is de rechtbank voor de beroepsfase in afwijking van het Besluit proceskosten bestuursrecht uitgegaan van een waarde per punt van € 759,-. De vergoeding voor het door de deskundige uitgebrachte taxatierapport zal de rechtbank conform de urenspecificatie van de deskundige vaststellen op € 128,26 (2 uur x € 53,-, vermeerderd met 21% BTW). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 887,
- Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 887,26 aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van A. Kasi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 december
- De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat. Zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden van 8 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9464, r.o. 4.4 en de uitspraak van de Raad van State van 9 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW
- Zie het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752.