← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:606

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 21/4377 uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 januari 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. I.P.M. Boelens), en het dagelijks bestuur van de RDWI, verweerder (gemachtigde: mr. V.V. Tuchkova). Procesverloop Bij besluit van 16 september 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken met ingang van 1 augustus

  1. Bij besluit van 28 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 december
  2. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering, niet verschenen. Overwegingen
  3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Spoedeisend belang
  4. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
  5. Verzoeker voert aan dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie. Verzoeker heeft oplopende schulden en kan de afgesproken betalingsregelingen niet meer nakomen. Daarnaast blijkt volgens verzoeker al uit de omstandigheid dat verzoeker geen bijstandsuitkering meer heeft dat er financiële problemen zijn. Ter onderbouwing heeft verzoeker een factuur opgestuurd voor het betalen van het eigen risico (€ 210,60) en een betalingsherinnering voor de ziektekostenverzekering (€ 305,-).
  6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Verzoeker heeft bankafschriften overgelegd over de periode van 19 augustus 2021 tot en met 18 september 2021 met een eindsaldo van € 84,
  7. Uit de stukken blijkt dat hij maandelijks huurtoeslag (€ 348,-) en zorgtoeslag (€ 207,-) ontvangt. Verzoeker heeft in deze periode de kosten voor de watervoorziening en de huur betaald. Hoewel de rekening voor energie gestorneerd is, is niet onderbouwd dat de nutsvoorzieningen op korte termijn afgesloten zullen worden. Evenmin komt naar voren dat er sprake is van een dreigende uithuiszetting. De rekeningen voor de ziektekostenverzekering geven vooralsnog geen aanwijzingen dat deze verzekering binnen korte termijn beëindigd zal worden. Bovendien heeft verweerder op 16 december 2021 een voorschot van € 650,- aan verzoeker toegekend naar aanleiding van een nieuwe aanvraag. Tot slot is de huidige financiële situatie van verzoeker onduidelijk. Ondanks het verzoek van de rechtbank om de bankafschriften van de laatste drie maanden op te sturen, zijn alleen de bankafschriften tot en met 18 september 2021 ontvangen. Alleen het feit dat verzoeker geen bijstand meer ontvangt is onvoldoende reden om een financiële noodsituatie aan te nemen. De voorzieningenrechter kan niet vaststellen dat er sprake is van een onomkeerbare situatie of dat verzoeker zich niet in het eigen levensonderhoud kan voorzien en is daarom van oordeel dat het spoedeisend belang ontbreekt. Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
  8. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in stand zal blijven. Gelet op de argumenten die verweerder heeft gegeven over de onduidelijkheid met betrekking tot de kosten van de auto en de ontbrekende bankafschriften, is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden. Belangenafweging
  9. Er is dus geen spoedeisend belang en het besluit is ook niet evident onrechtmatig. Wat verzoeker als belang voor het treffen van een voorlopige voorziening heeft aangevoerd, acht de voorzieningenrechter – nu geen sprake is van spoedeisend belang of van een evident onrechtmatig besluit – onvoldoende om de belangenafweging in zijn voordeel uit te laten vallen. Conclusie
  10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. N.L.K.J. Li, griffier. De beslissing is bekend gemaakt en uitgesproken op 11 januari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter (de griffier is verhinderd te ondertekenen) Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Artikel 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.