RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/057293-22, 96/060441-21 (vord. tul) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 16 november 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de Basisregistratie personen en thans verblijvende op het adres [adres 1] , [verblijfplaats] , (hierna: verdachte). 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 november
(1)van de pintransacties via de mail naar de aangever gestuurd. Na het bekijken van de foto deelde de aangever [slachtoffer 5] mede dat de jas die de persoon draagt sterk gelijkend is als de jas die bij de diefstal uit de woning is weggenomen. Qua kleur, model en maatvoering komt de jas overeen. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 november 2022 Op 1 maart 2022 heb ik de betaalpassen van [slachtoffer 5] voorhanden gehad. Daar heb ik meermalen mee gepind bij de Albert Heijn aan de [locatie 4] te Utrecht. Ik ben de persoon die op de beelden staat van het pinnen bij de Albert Heijn om 20.30 uur. Het kan zijn dat ik alle bedragen heb gepind. Bewijsoverweging ten aanzien van feit 9 primair en 10 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 9 primair ten laste gelegde feit, maar dat er wel wettig en overtuigend bewijs is voor het subsidiair ten laste gelegde. Daarbij merkt de raadsvrouw op dat verdachte partieel vrijgesproken dient te worden van het voorhanden hebben van alle goederen met uitzondering van de betaalpas van het slachtoffer. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 10 op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, maar dat slechts een bedrag van 80,53 euro (de eerste drie transacties) bewezen kan worden verklaard. De vierde transactie heeft een ander dan verdachte uitgevoerd. De rechtbank stelt op basis van de stukken in het dossier het volgende vast. Aangever [slachtoffer 5] heeft aangifte gedaan van diefstal van zijn portemonnee met inhoud. De diefstal zou plaats hebben gevonden op 1 maart 2022 tussen 19:45 en 20:15 uur. Verdachte bekent dat hij meermalen met de betaalpas van aangever heeft gepind bij de Albert Heijn aan de [locatie 4] , waaronder op 1 maart 2022 om 20:30 uur. Verdachte is op dat moment gefilmd. Aangever heeft verklaard dat de jas die de persoon op de camerabeelden draagt, sterk gelijkend is aan de jas die bij de diefstal is weggenomen. Enkele dagen later, op 8 maart 2022, wordt onder verdachte bij een insluitingsfouillering het rijbewijs van aangever aangetroffen. Ook het rijbewijs bevond zich ten tijde van de diefstal in de desbetreffende portemonnee. Nu er sprake is van een korte tijdspanne tussen de diefstal en het moment waarop verdachte de weggenomen betaalpas heeft gebruikt bij de Albert Heijn, kan naar het oordeel van de rechtbank de onder 9 primair ten laste gelegde diefstal van de portemonnee bewezen worden verklaard. Omdat de portemonnee (met daarin de betaalpas) zich in de weggenomen jas van aangever bevond en verdachte kort daarna in een sterk gelijkende jas is gefilmd, kan naar het oordeel van de rechtbank ook de diefstal van de jas bewezen worden verklaard. De rechtbank is ten aanzien van feit 10 van oordeel dat uit voorgaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat wettig en overtuigend bewezen is dat het verdachte is geweest die met de bankpas van aangever 96,93 euro heeft weggenomen. De (vier) pintransacties hebben plaatsgevonden op 1 maart 2022 tussen 20.30 en 20.38 uur in dezelfde Albert Heijn. De rechtbank ziet geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat de laatste transactie door een ander dan verdachte is uitgevoerd. De rechtbank zal verdachte gelet op het vorenstaande veroordelen voor de feiten 9 primair en 10. Feit 11 subsidiair en 12 Verdachte heeft ter terechtzitting het onder feit 11 subsidiair en feit 12 ten laste gelegde bekend. De verdediging heeft voor deze feiten, voor zover hierna bewezen verklaard, geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank volstaan met het opsommen van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 11 subsidiair en 12 - een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] van 3 januari 2022; - een proces-verbaal van bevindingen van 8 maart 2022; - de bekennende verklaring van verdachte. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: Feit 3 op 26 februari 2022, te Utrecht en Bilthoven, een geldbedrag van in totaal ongeveer 262,18 euro, dat geheel aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, immers heeft hij, verdachte, gebruik gemaakt van en/of contactloos betaald met (een) (kort daarvoor weggenomen) creditcard en/of meerdere bankpassen (op naam van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ) die niet aan hem, verdachte, toebehoorden; Feit 4 op 8 maart 2022, te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander, een fietscomputer, die geheel aan [slachtoffer 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Feit 5 op 8 maart 2022, te Utrecht, zich met geweld heeft verzet tegen meer ambtenaren, [verbalisant 1] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland) en [verbalisant 2] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door zich los proberen te trekken uit de greep van voornoemde [verbalisant 1] en zich (voortdurend) in een tegenovergestelde richting te bewegen als waar die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hem, verdachte, probeerden te brengen; Feit 6 (primair) op 14 februari 2022, te Utrecht, een portemonnee met inhoud (te weten onder meer meerdere bankpassen, een OV-chipkaart, een geldbedrag van in totaal ongeveer 50 euro en een rijbewijs), die geheel aan [slachtoffer 4] en/of [naam Stichting] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Feit 7 op of omstreeks 14 februari 2022, te Utrecht, een geldbedrag van in totaal ongeveer 548,37 euro, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] en/of [naam Stichting] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van en/of contactloos te betalen met (kort daarvoor weggenomen) bankpassen (op naam van [slachtoffer 4] en/of [naam Stichting] ) die niet aan hem, verdachte, toebehoorden; Feit 8 op 14 februari 2022, te Utrecht, Nieuwegein en Woerden, telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meer geldbedragen, die geheel aan [naam Stichting] , toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten met een (kort daarvoor weggenomen) bankpas (op naam van [naam Stichting] ) die niet aan hem, verdachte, toebehoorde, meermalen heeft getracht bij betaalautomaten (contactloos) te pinnen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Feit 9 (primair) op 1 maart 2022, te Utrecht, een jas en een pashouder (met daarin onder meer een rijbewijs, een kentekenbewijs, meerdere bankpassen en een vispas), die geheel aan [slachtoffer 5] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Feit 10 op 1 maart 2022, te Utrecht, een geldbedrag van in totaal ongeveer 96,93 euro, dat geheel aan [slachtoffer 5] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van en/of contactloos te betalen met een (kort daarvoor weggenomen) bankpas (op naam van [slachtoffer 5] ) die niet aan hem, verdachte, toebehoorde; Feit 11 (subsidiair) op 31 december 2021, te Utrecht, een portemonnee met inhoud (te weten onder meer een betaalpas, een rijbewijs, een zorgpas, een tankpas en diverse bescheiden), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; Feit 12 op 31 december 2021, te Utrecht, een geldbedrag van in totaal ongeveer 53,95 euro, dat geheel aan [slachtoffer 6] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van en/of contactloos te betalen met een (kort daarvoor weggenomen) bankpas (op naam van [slachtoffer 6] ) die niet aan hem, verdachte, toebehoorde; Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: Feit 3, feit 7, feit 10 en feit 12 telkens diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd Feit 4 diefstal door twee of meer verenigde personen Feit 5 wederspannigheid Feit 6 primair en feit 9 primair telkens diefstal Feit 8 poging diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd Feit 11 subsidiair opzetheling 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 281 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, onder de algemene voorwaarde en bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering (ter terechtzitting) geadviseerd, te weten: (
- i)een meldplicht bij de reclassering, (
- ii)begeleid wonen of maatschappelijke opvang, (iii) het meewerken aan middelencontrole en (
- iv)een klinische opname. Verder heeft de officier van justitie gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uren en de vordering tenuitvoerlegging om te zetten naar een taakstraf. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat maximaal 6 maanden gevangenisstraf moet worden opgelegd, waarbij het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk moet zijn aan de duur van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zodat verdachte – gelet op het voortgangsverslag van de reclassering en de verklaring van de reclasseringsmedewerker ter terechtzitting – in ieder geval niet terug naar de gevangenis hoeft. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank aan het voorwaardelijke strafdeel de algemene en bijzondere voorwaarden te koppelen die de officier van justitie heeft gevorderd. Verder stelt de raadsvrouw dat aan verdachte een taakstraf voor maximaal 200 uren dient te worden opgelegd, met dien verstande dat de hoogte van de op te leggen taakstraf – in combinatie met de eventuele toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging in de vorm van een taakstraf – de maximale duur van 240 uren niet zal overschrijden. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank houdt bij de strafoplegging verder rekening met het ad informandum gevoegde feit, dat door verdachte ter terechtzitting is bekend. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan tien vermogensfeiten en aan wederspannigheid. Dit zijn nare feiten die de maatschappij en in het bijzonder de betreffende slachtoffers veel overlast en schade opleveren. Ook veroorzaken deze feiten bij de gedupeerden en de samenleving als geheel gevoelens van onveiligheid. Door zijn handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de eigendommen van anderen en voor de integriteit van de politieambtenaren waartegen hij zich verzet heeft. Verdachte heeft bij het plegen van de vermogensfeiten slechts zijn eigen gewin voor ogen gehad en kennelijk geen rekening gehouden met de gevolgen van zijn daden voor de slachtoffers. Persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie op naam van verdachte van 8 september 2022. Uit het uittreksel blijkt dat verdachte sinds 2019 veelvuldig met politie en justitie in aanraking is geweest ten aanzien van vermogensfeiten. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 24 oktober 2022 en op de verklaringen ter terechtzitting van reclasseringswerker E. van der Pluijm. Verdachte wordt op dit moment klinisch behandeld voor zijn verslaving. De reclassering adviseert geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat dit de behandeling van verdachte zal doorkruisen. De reclassering adviseert om bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijke straf te verbinden, te weten (
- i)een meldplicht bij de reclassering, (
- ii)begeleid wonen of maatschappelijke opvang, (iii) het meewerken aan middelencontrole en (
- iv)een klinische opname. De reclasseringswerker heeft verder verklaard dat verdachte is aangemeld voor begeleid wonen. Op dit moment is er nog geen zicht op een plek en ook valt niet te verwachten dat een dergelijke plek binnen een half jaar beschikbaar is. Oplegging van straf Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde misdrijven, niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank heeft echter ook oog voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met name hetgeen de reclassering daarover heeft gerapporteerd en (ter terechtzitting) geadviseerd. Verdachte heeft 84 dagen in voorarrest doorgebracht. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet terug naar de gevangenis hoeft. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 300 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 216 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daaraan verbindt de rechtbank de algemene voorwaarden en de volgende bijzondere voorwaarden, te weten (
- i)een meldplicht bij de reclassering, (
- ii)een klinische opname, (iii) begeleid wonen of maatschappelijke opvang en (
- iv)het meewerken aan middelencontrole. Daarnaast acht de rechtbank, gelet op de ernst en hoeveelheid van de feiten, een onvoorwaardelijk taakstraf voor de duur van 200 uren passend en geboden. 9BESLAG 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen gereedschap van het merk Makita verbeurd te verklaren, omdat dergelijk gereedschap doorgaans gebruikt wordt bij het plegen van inbraken en verdachte zich bezig houdt met het plegen van dergelijke feiten. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen vernietiging van het beslagene. 9.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het gereedschap van het merk Makita (G2958750) onder verdachte in beslag is genomen. De rechtbank zal gelasten dat het gereedschap wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende, nu het op grond van artikel 33a Wetboek van Strafvordering niet mogelijk is dit verbeurd te verklaren. 10BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 5] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van 1.200,00 euro. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 9 ten laste gelegde diefstal van de jas. 10.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van 500,00 euro, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 10.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de vordering niet is onderbouwd. 10.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, nu de vordering niet is onderbouwd. Gelet op het feit dat er van de jas geen nadere informatie bekend is kan de rechtbank geen gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid. 11VORDERING TENUITVOERLEGGING Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 21 januari 2021 (96/060441-21) is aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van een week voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaren. Verdachte heeft zich gedurende die proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De officier van justitie heeft daarom gevorderd de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf te gelasten en deze om te zetten naar een taakstraf. De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, nu de in deze zaak ten laste gelegde feiten andersoortige feiten betreffen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om – bij toewijzing van de vordering – de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf, met dien verstande dat deze taakstraf in combinatie met een eventueel als straf opgelegde taakstraf de totale duur van 240 uren niet zal overschrijden. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De vordering is derhalve in beginsel geheel toewijsbaar. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals hiervoor besproken zal de rechtbank de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf omzetten in een taakstraf, te weten een taakstraf voor de duur van 30 uren, te vervangen door 7 dagen hechtenis. 12TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 47, 57, 63, 180, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 13BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder 1, 2, 11 primair en 13 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het onder feit 3, 4, 5, 6 primair, 7, 8, 9 primair, 10, 11 subsidiair en 12 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 300 dagen; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 216 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van twee