vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/534199 / KG ZA 22-39 Vonnis in kort geding van 9 februari 2022, houdende uitwerking en motivering van het op die datum in deze zaak gewezen verkorte vonnis in de zaak van [eiser] H.O.D.N. [handelsnaam], wonend in [woonplaats] , eiser, advocaat mr. B. Coskun te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] ( [plaatsnaam] - [straatnaam] ) B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , gedaagde, advocaat mr. O. Surquin te Arnhem. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding, betekend op 2 februari 2022; de e-mail van 4 februari 2022 van [eiser] met een bijlage Nadere Akte plus acht producties; de e-mail van 4 februari 2022 van [gedaagde] met vier bijlagen; de e-mail van 6 februari 2022 van [eiser] met zeven bijlagen. 1.2. Ter zitting is de heer [eiser] verschenen met zijn advocaat. Namens [gedaagde] is mevrouw [A] verschenen met haar advocaat. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en antwoord gegeven op de vragen van de voorzieningenrechter. [gedaagde] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. 1.3. Na de zitting is bepaald dat uiterlijk 9 februari 2022 om10:00 uur een zogenoemd kopstaartvonnis naar partijen zal worden verstuurd. 1.4. Aan partijen is ter zitting meegedeeld dat de nadere schriftelijke uitwerking van dit vonnis op een termijn van twee weken na het kopstaartvonnis zal volgen. 2De feiten 2.1. [eiser] huurt van [gedaagde] het pand aan het [straatnaam] [nummeraanduiding] in [plaatsnaam] . In dit pand runt [eiser] een [.] waar onder meer [..] en warme dranken worden geserveerd. De huurprijs bedraagt per 1 juli 2021 € 2.467,89 per maand (inclusief btw en servicekosten). 2.2. Bij dagvaarding van 23 juni 2020 heeft [gedaagde] bij de kantonrechter van deze rechtbank onder meer ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurpenningen gevorderd. In reconventie heeft [eiser] onder andere vermindering van de huurprijs gevraagd op grond van onvoorziene omstandigheden. 2.3. Bij vonnis van 3 november 2021 van deze rechtbank (hierna: het vonnis) is [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, onder andere veroordeeld om een bedrag van € 21.352,25 aan huurachterstand tot en met 30 september 2021, alsmede de huurprijs van € 2.467,89 voor de maand oktober 2021 te betalen aan [gedaagde] (onder punt 5.1), en een bedrag van € 2.467,89 per maand aan huurprijs, vanaf 1 november 2021 (onder punt 5.2). De kantonrechter heeft ook de huurovereenkomst ontbonden: “onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat [eiser] niet binnen drie maanden na betekening van dit vonnis voldoet aan de veroordeling bij punt 5.1 én 5.2 (waarbij de lopende huur voor de maand november 2021 in ieder geval in de eerste helft van de maand november 2021 moet zijn betaald en de lopende huur voor de maanden nadien tijdig)”. 2.4. In reconventie heeft de kantonrechter overwogen dat de coronacrisis en haar gevolgen aan te merken zijn als onvoorziene omstandigheden en dat het financiële nadeel daarvan gelijkelijk over partijen verdeeld moet worden. Voor de berekening van het financiële nadeel en de wijze waarop deze verwerkt moet worden in de huurprijsvermindering, heeft de kantonrechter aangesloten bij de volgende formule: “(totale werkelijke vaste lasten – TVL bedrag) x (huurdeel van de werkelijke vaste lasten) x percentage omzetvermindering x 50%”. 2.5. In het dictum wordt het volgende voor recht verklaard: “ in reconventie 5.9. verklaart voor recht dat in de onderhavige situatie met betrekking tot de coronacrisis en alle in verband daarmee genomen overheidsmaatregelen en overige beperkingen van dien sprake is van onvoorziene omstandigheden; 5.10. verklaart voor recht dat [gedaagde] [eiser] een korting moet verlenen op de reguliere huur van in totaal € 8.205,23 over de periode van maart 2020 tot en met december 2020 zodat de huurprijs met ingang van 1 maart 2020 tot en met december 2020 aldus wordt verminderd; 5.11. verklaart voor recht dat [gedaagde] [eiser] een korting moet verlenen op de reguliere huur van in totaal € 4.537,65, gerekend over de periode van 1 januari 2021 tot 1 juli 2021, zodat de huurprijs met ingang van 1 januari 2021 tot 1 juli 2021 aldus wordt verminderd;” 2.6. [eiser] is in hoger beroep gegaan van dit vonnis. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 3 november 2022 te schorsen, in dier voege dat de huurschuld vastgesteld onder rechtsoverweging 5.1 van het vonnis niet meer kan en mag bedragen dan een door de rechter in goede justitie te bepalen bedrag (na aftrek van teveel betaalde huur vanaf 1 juli 2021), en dat dit nader vast te stellen bedrag uiterlijk 2 juni 2022 zal moeten worden voldaan door [eiser] ter voorkoming van een ontruiming totdat in appel definitief arrest zal worden gewezen inzake het verzoek tot huurprijsvermindering over het jaar 2020, 2021 en 2022. [gedaagde] te veroordelen tot het gehengen en gedogen van een korting op de reguliere maandelijkse huur van 50% over de periode juli 2021 tot en met juni 2022 (en dat aldus het reeds teveel betaalde in mindering kan worden gebracht op de nader vast te stellen achterstand onder (i)), en dienovereenkomstig te bepalen dat de gereduceerde huurprijs van de door [eiser] gehuurde bedrijfsruimte wordt verminderd totdat in appel bij wijze van arrest in conventie zal zijn beslist; [gedaagde] te verbieden, op straffe van een dwangsom, om volledige betaling te verlangen van de huur over juli 2021 tot en met juni 2022, althans om van [eiser] betaling te verlangen van de huur over deze maanden voor zover die het bij wijze van voorlopige voorziening toegewezen bedrag of percentage aan huurprijsvermindering te boven gaat; [gedaagde] te verbieden, op straffe van een dwangsom, om een boete of rente in rekening te brengen voor door [eiser] op grond van dit vonnis onbetaald gelaten en toegewezen huurpenningen; [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis, en in de nakosten. 3.2. Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] het volgende. Met de lockdown in het najaar van 2021 en het begin van 2022 zijn er nieuwe feiten en omstandigheden die zich na het vonnis van 3 november 2021 hebben voorgedaan. Hierdoor is een noodtoestand voor [eiser] ontstaan waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis gelet op de wederzijdse belangen van partijen onaanvaardbaar is. 3.3. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [gedaagde] baseert haar verweer - kort weergegeven - op het volgende. De belangen van [gedaagde] bij executie van het vonnis van 3 november 2021 wegen zwaarder dan de belangen van [eiser] . Ook voert [gedaagde] aan dat van haar niet mag worden gevraagd nog langer als bankier voor [eiser] op te treden. [eiser] probeert, volgens haar, het ondernemingsrisico bij [gedaagde] te leggen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Tijdige indiening van de laatste stukken 4.1. Voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling beslist de voorzieningenrechter op het bezwaar van [gedaagde] dat de stukken van zondag 6 februari 2022 door [eiser] niet tijdig zijn ingediend en daarom niet meegenomen mogen worden in de beoordeling. Het Landelijk procesreglement schrijft voor dat stukken in beginsel maximaal 24 uur (één werkdag) voorafgaand aan de zitting moeten worden ingediend. Dat heeft [eiser] niet gedaan. De stukken zijn weliswaar 24 uur maar niet één werkdag voor de zitting toegestuurd. De zitting heeft namelijk op maandag 7 februari 2022 om 15:00 uur plaatsgevonden. Ondanks dat zal de voorzieningenrechter de stukken wel meenemen in de beoordeling. Daartoe overweegt hij als volgt. 4.2. In dit geval is sprake van een executiegeschil waarbij spoed geboden is. Aan de termijn van één werkdag moet daarom niet strikt worden gehouden. De betreffende bijlagen van [eiser] zijn bij de e-mail van 4 februari 2022 aangekondigd, waardoor [gedaagde] zich daarop heeft kunnen voorbereiden. De stukken zijn daarnaast niet van dien aard en omvang dat daarvan niet snel kennis kan worden genomen. Ook bestond er voor [eiser] niet de mogelijkheid om deze stukken eerder in te dienen, omdat de accountant de stukken pas op 6 februari 2022 klaar had. De voorzieningenrechter acht het dan niet in strijd met de goede procesorde om deze stukken mee te nemen in de beoordeling. Bovendien zijn de stukken ter zitting besproken. Schorsing van (een deel van) het vonnis 4.3. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. 4.4. Bij de toepassing van deze belangenweging in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring door de kantonrechter niet is gemotiveerd (vergelijk Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). 4.5. De voorzieningenrechter concludeert dat de tenuitvoerlegging van het vonnis op twee onderdelen zal worden geschorst. Daartoe overweegt hij als volgt. Voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst 4.6. De kantonrechter heeft in het vonnis de huurovereenkomst vanwege de omvang van de huurschuld ontbonden. Gelet op de bijzondere omstandigheden, heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden onder de voorwaarde dat [eiser] binnen drie maanden vanaf betekening van het vonnis de huurschuld volledig betaalt en de lopende huur tijdig en volledig voldoet. [eiser] vordert in dit kort geding onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.