RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/021678-19 (TUL BIJZ) Beslissing op grond van artikel 6:6:21, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 27 juli 2022 op de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak tegen: [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in / verblijvende te P.I. [verblijfplaats] , locatie [locatie] , hierna: veroordeelde. 1De stukken De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder: het onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 4 juni 2019 in de zaak tegen veroordeelde met voormeld parketnummer, waarbij veroordeelde onder meer is veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 maand. Aan deze voorwaardelijke straf heeft de kinderrechter verschillende bijzondere voorwaarden verbonden; het onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 7 januari 2021 in de zaak met voormeld parketnummer, waarbij de proeftijd is verlengd en waarbij de eerder opgelegde bijzondere voorwaarden zijn gewijzigd; het advies van Reclassering Nederland van 29 oktober 2021 strekkende tot beëindiging van het toezicht; de op 29 juni 2022 ter griffie ingekomen vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf wegens overtreding van de voorwaarde; de overige stukken die zich in het dossier bevinden. 2Het onderzoek ter terechtzittingHet onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 13 juli
- Daarbij zijn gehoord: - de officier van justitie mr. M. Kamper; - de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam. 3De rapportage en de toelichting daarop In het adviesrapport van 29 oktober 2021 wordt weergegeven dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de afspraken met betrekking tot de meldplicht. 4De standpunten 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. 5Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat ter terechtzitting is gebleken dat op 7 januari 2021 door de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland de proeftijd is verlengd met één jaar. De bijzondere voorwaarden die waren opgelegd in het vonnis van 4 juni 2019 zijn bij die beslissing komen te vervallen en zijn vervangen door de (enige) bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich zal melden op afspraken bij Reclassering Nederland (volwassenen-reclassering) te Utrecht en zich zal blijven melden, zo vaak en zolang de reclassering dit nodig acht. Uit het adviesrapport van Reclassering Nederland kan weliswaar worden afgeleid dat veroordeelde zich niet goed heeft gehouden aan de hem bij vonnis van 7 januari 2021 gewijzigde bijzondere voorwaarden. Maar de vordering van de officier van justitie is, onder verwijzing naar het vonnis van de kinderrechter van 4 juni 2019, gebaseerd op het overtreden van de bijzondere voorwaarden zoals deze golden tot 7 januari
- De rechtbank is daarom, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen. 6De beslissing De rechtbank: - wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af. Deze beslissing is genomen door mr. P.C. Quak, voorzitter, mr. J.K.J. van den Boom en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Neijenhuis, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 juli
- Mr. Van den Boom is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.