RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 9732725 UC EXPL 22-1709 LvdH/1470 Vonnis van 16 november 2022 inzake [eiser] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [eiser] , eisende partij, gemachtigde: mr. C.M. Dreef, tegen: [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [gedaagde] , gedaagde partij, gemachtigde: mr. P.A. de Koningh. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 13; - de conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid met producties 1 tot en met 6; - de incidentele conclusie van antwoord; - het vonnis in incident van 8 juni 2022; - aanvullende stukken van de zijde van [eiser] van 7 oktober
- 1.
- Op 18 oktober 2022 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is [eiser] in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens [gedaagde] is verschenen zijn vader, de heer [A] , en de gemachtigde. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Partijen hebben ook op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2Waar gaat het over? 2.
- [eiser] is een tennistrainer en heeft een tennisschool. [gedaagde] is een professioneel tennisser en behoort op dit moment bij de top 50 beste spelers van de wereld. [eiser] en [gedaagde] hebben in het verleden met elkaar samengewerkt. Zo heeft [gedaagde] getennist in het competitieteam van [eiser] en heeft [eiser] (privé)trainingen gegeven aan [gedaagde] . 2.
- Ook in 2020 hebben [eiser] en [gedaagde] met elkaar samengewerkt. Tussen partijen bestond de afspraak dat [eiser] hiervoor een bedrag van € 250,00 exclusief BTW per maand zou ontvangen. Daarvoor gaf [eiser] [gedaagde] twee keer per week training als [gedaagde] in Nederland was. [gedaagde] heeft de facturen over het jaar 2020 betaald. [eiser] heeft per e-mail de samenwerking met [gedaagde] met ingang van 31 december 2020 opgezegd. 2.
- In 2021 hebben [eiser] en [gedaagde] regelmatig telefonisch contact met elkaar gehad. Halverwege mei 2021 is er ook weer contact tussen [eiser] en de vader van [gedaagde] geweest. Partijen verschillen van mening over de inhoud van dit contact. [eiser] stelt dat er eerst met de vader van [gedaagde] en later met [gedaagde] zelf afspraken zijn gemaakt over de begeleiding van [gedaagde] in
- [gedaagde] betwist dat dergelijke afspraken zijn gemaakt. De vader van [gedaagde] heeft bij de mondelinge behandeling uitgelegd dat hij alleen contact heeft gehad met [eiser] over een nieuwe trainer vanuit de KNLTB, niet over door [eiser] zelf te verrichten werkzaamheden. 2.
- Bij factuur van 6 december 2021 heeft [eiser] een bedrag van € 24.057,82 in rekening gebracht bij [gedaagde] voor begeleiding van [gedaagde] in
- [gedaagde] heeft deze factuur onbetaald gelaten. 2.
- In deze procedure vordert [eiser] betaling van de factuur van 6 december
- Hij legt hieraan ten grondslag dat er tussen partijen mondelinge afspraken zijn gemaakt op 15 mei
- Deze afspraken zijn per e-mail van 16 mei 2021 schriftelijk bevestigd. [gedaagde] heeft niet gereageerd op deze e-mail. Daarin ziet [eiser] een bevestiging en dus bewijs dat [gedaagde] akkoord was met de afspraken. Volgens [eiser] is ook uitvoering gegeven aan de afspraken. 2.
- De e-mail van 16 mei 2021 kan volgens [gedaagde] niet gezien worden als een bevestiging van gemaakte afspraken. De e-mail bevat namelijk slechts vage voorstellen. Daarom hoefde daar volgens de vader van [gedaagde] ook niet op gereageerd te worden. Er is volgens [gedaagde] ook geen uitvoering gegeven aan de voorstellen die in de e-mail staan. 3De beoordeling 3.
- De kantonrechter is van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn dat er met [gedaagde] afspraken zijn gemaakt die hem verplichten tot het betalen van de factuur van 6 december
- De vordering zal dus worden afgewezen. De kantonrechter zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt. 3.
- In de e-mail van 16 mei 2021 van [eiser] aan de vader van [gedaagde] . legt [eiser] uit dat het niet goed gaat met [gedaagde] of dat het beter zou kunnen en doet hij onder andere het volgende voorstel voor hoe het in zijn beleving beter zou kunnen. “ [B] gaat met [C] naar toernooien. Als [C] in NL is, ga ik 2x in de ochtend naar Amstelveen om met [C] en de KNLTB ( [B] ) om met hem te trainen. Als [C] een toernooi heeft gespeeld en hij komt terug naar NL, zullen wij op de eerste trainingsdag evalueren wat er goed is gegaan en wat er beter moet. [B] en ik zullen intensief contact houden over [C] . (…) Uiteraard communiceer ik alles met jou ( [A] ) zodat jij van alles op de hoogte bent en blijft in het belang van [C] (…) wat mij betreft houden we dezelfde vergoeding aan, alleen komen er reiskosten bij” . Bij de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat hij met “dezelfde vergoeding als eerst” de vergoeding bedoelt die door hem met [gedaagde] was afgesproken voor zijn begeleiding in 2020 en die is weergegeven in de mail van [eiser] aan [gedaagde] van 10 december
- In die mail staat naast het bedrag van € 250,00 per maand dat [gedaagde] aan [eiser] heeft betaald ook het volgende: “Challenger toernooien vraag ik geen vergoeding voor, jij betaalt de kosten van de trip. Vanaf ATP toernooien stel ik voor dat jij mij 10% betaald vanaf laatste ronde kwalificatie of vanaf eerste ronde hoofdtoernooi. De kosten van de trip zijn voor jou”. De vader van [gedaagde] heeft betwist dat dat laatste voorstel van [eiser] tot een overeenkomst heeft geleid. Er is volgens [gedaagde] nooit meer of anders overeengekomen dan het geven van trainingen tegen betaling van € 250,00 per maand. 3.
- Niet gebleken is dat het voorstel dat in de mail van 16 mei 2021 is gedaan heeft geleid tot een concrete opdracht aan [gedaagde] . Bovendien is niet gebleken dat uitvoering is gegeven aan de werkzaamheden die staan genoemd in de e-mail van 16 mei
- Zo heeft [eiser] op de momenten dat [gedaagde] weer in Nederland was geen trainingen gegeven aan [gedaagde] en is niet aannemelijk geworden dat de in de mail van 16 mei 2021 beschreven evaluatiemomenten en communicatie hebben plaatsgevonden. Het enige dat [eiser] ter onderbouwing van zijn stellingen heeft overgelegd zijn namelijk WhatsApp gesprekken die hij heeft gevoerd met [gedaagde] in 2021d en verklaringen van de tijdelijke trainer van de KNLTB en een kennis over de betrokkenheid van [eiser] bij [gedaagde] . Dat de betrokkenheid van [eiser] bij [gedaagde] , die uit een en ander spreekt, gebaseerd was op zakelijke afspraken die [eiser] met [gedaagde] heeft gemaakt kan daaruit niet worden afgeleid. De inhoud past namelijk net zo goed bij uitingen die worden gegeven aan een vriendschappelijke relatie. [gedaagde] zegt ook de contacten met [eiser] als vriendschappelijk te hebben ervaren. De WhatsApp contacten zijn er bovendien geweest voor en na 16 mei
- En een onderscheid in de soort contacten voor en na 16 mei 2021 is niet te maken. Ook de factuur van 6 december 2021 sluit niet aan bij de tegenprestatie die volgens [eiser] is overeengekomen. [eiser] heeft namelijk de tijd die hij heeft besteed met onder andere het kijken naar ATP wedstrijden en het voeren van telefoongesprekken en gesprekken via WhatsApp gefactureerd tegen een uurtarief van € 110,00 exclusief BTW. Dat is iets anders dan volgens [eiser] zelf was overeengekomen. Niet gebleken is dat [eiser] dit met [gedaagde] heeft afgestemd. [eiser] heeft op dit punt toegelicht dat hij een uurtarief heeft gehanteerd omdat dat voor [gedaagde] gunstiger was dan het betalen van 10% vanaf de laatste ronde kwalificatie of de eerste ronde hoofdtoernooi, maar [gedaagde] betwist dat [eiser] op die betaling recht had. 3.
- Tot slot heeft de kantonrechter bij de beoordeling van de vordering van [eiser] de e-mail van 15 juni 2021 van [eiser] aan [gedaagde] betrokken. In die e-mail beschrijft [eiser] een plan, waarbij hij aangeeft welke personen bij [gedaagde] betrokken zijn en waarbij hij zijn eigen rol beschrijft als de persoon bij wie [gedaagde] terecht kan met problemen en waarbij hij dan met de betrokken partijen tot een oplossing probeert te komen. In de afsluiting van de e-mail vraagt [eiser] aan [gedaagde] of hij iets ziet in dit plan. De kantonrechter kan de inhoud van deze e-mail niet rijmen met de factuur van 6 december 2021 en de e-mail van 16 mei
- De kantonrechter beschouwt de inhoud van de e-mail van 15 juni 2021 daarom als een hernieuwde poging van [eiser] op een opdracht van [gedaagde] te bemachtigen. Dat is dus een aanwijzing dat er geen eerdere opdracht was. 3.
- [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 996,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 498,00). De nakosten, waarvan [gedaagde] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot. 4De beslissing De kantonrechter: 4.
- wijst de vorderingen af; 4.
- veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van deze procedure, tot op heden begroot op € 996,00 aan salaris gemachtigde; 4.
- veroordeelt [eiser] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op: - € 124,00 aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan; - de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden; 4.
- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2022.