RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht locatie Utrecht zaaknummer: C/16/524616 / FA RK 21-1477 Echtscheiding Beschikking van 20 mei 2022 in de zaak van: [de man] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. J.H. Six-van der Werf, tegen [de vrouw] , in de Basisregistratie personen geregistreerd als [de vrouw], zonder bekende woon- of verblijfplaats, hierna te noemen: de vrouw. 1De procedure 1.
- De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen: het verzoekschrift van de man met één bijlage, binnengekomen op 5 juli 2021; het betekeningsexploot. 1.
- Binnen de daarvoor gestelde termijn heeft de vrouw geen verweer gevoerd. 1.
- Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 25 februari
- Daarbij waren aanwezig de man met zijn advocaat. 1.
- De vrouw is opgeroepen voor de zitting via een advertentie in de Staatscourant op 22 december
- De vrouw is niet op de zitting verschenen. 2Waar gaat het over? 2.
- De man stelt dat partijen op [huwelijksdatum] 2011 in [plaats] (Eritrea) met elkaar zijn gehuwd. 2.
- De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De man stelt dat de vrouw de Eritrese nationaliteit heeft. 2.
- De man verzoekt de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. 2.
- De man heeft geen afschrift of een uittreksel van de huwelijksakte overgelegd. 3De beoordeling 3.
- De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt. Bevoegdheid 3.
- De gewone verblijfplaats van de man is in Nederland en de man woont langer dan een jaar in Nederland. Daarom komt de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toe om op het vezoek te beslissen. Dat volgt uitartikel 3 lid 1 onder a van de EG-verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II-bis). De ontvankelijkheid 3.
- De man heeft geen origineel afschrift of uittreksel van de huwelijksakte overgelegd, als voorgeschreven in artikel 815 lid 5, aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Op grond van artikel 815 lid 6 Rv kan worden volstaan met overlegging van andere stukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien. 3.
- In dit geval heeft de man geen huwelijksakte overgelegd. De man stelt dat hij de huwelijksakte in Eritrea heeft achtergelaten. De man heeft bij de IND en bij de burgerlijke stand verklaard te zijn gehuwd en daarbij ook details over de huwelijksvoltrekking gegeven. De man heeft verklaard dat partijen een traditioneel huwelijk in een kerkdienst van een Koptisch orthodoxe kerk, de Eritrean Orthodox Tewahdo Church, hebben gesloten. Bovendien zijn de door de man genoemde data en termijnen consistent. De man zegt namelijk dat partijen op [huwelijksdatum] 2011 zijn gehuwd, dat ze daarna ongeveer anderhalf jaar samen hebben gewoond en dat hij in oktober 2012 is gevlucht. De rechtbank is van oordeel dat uit deze omstandigheden voldoende blijkt dat partijen op [huwelijksdatum] 2011 te [plaats] (Eritrea) met elkaar zijn gehuwd. Rechtsgeldigheid en erkenning huwelijk 3.
- De rechtbank moet vervolgens beoordelen of er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk dat in Nederland kan worden erkend. Artikel 10:31 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig wordt erkend. 3.
- De rechtbank gaat ervan uit dat het huwelijk tussen partijen in Eritrea volgens de daar geldende regels is gesloten en dus naar Eritrees recht rechtsgeldig tot stand is gekomen. 3.
- De man heeft tijdens het eerste IND-gehoor op 29 augustus 2013 verklaard dat de vrouw toen 19 jaar oud was. Zij zou dan zijn geboren in 1993 of
- De rechtbank stelt vast dat de vrouw op [huwelijksdatum] 2011, het moment dat het huwelijk is gesloten, naar alle waarschijnlijkheid 17 jaar en dus nog geen 18 jaar oud was. Dat doet aan de rechtsgeldigheid van het huwelijk echter niets af. Uit het ambtsbericht Eritrea van oktober 2019, uitgegeven door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, blijkt dat de huwelijksleeftijd in Eritrea 18 jaar bedraagt. Van die leeftijdsgrens kan worden afgeweken op basis van gewoonterecht, mits de huwelijkspartners niet jonger zijn dan 15 jaar. De vrouw was ten tijde van het huwelijk jonger dan 18 jaar, maar ouder dan 15 jaar, zodat ook aan dit vereiste is voldaan. Op grond van artikel 10:31 lid 1 BW kan het huwelijk van partijen dus als zodanig worden erkend. 3.
- Op grond van artikel 10:32 onder c BW wordt, ongeacht artikel 10:31 BW, aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning alsnog onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde en in ieder geval indien één van de echtgenoten op het tijdstip van het huwelijk niet de leeftijd van achttien jaar had bereikt, tenzij de echtgenoten op het moment dat de erkenning van het huwelijk gevraagd wordt beiden de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. De vrouw is meerderjarig op het moment van indiening van het verzoek tot echtscheiding, zodat ook aan dit vereiste is voldaan. De echtscheiding 3.
- Op grond van artikel 10:56 lid 1 BW is op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht van toepassing. 3.
- De man heeft onbetwist gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet. 4De beslissing De rechtbank spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [huwelijksdatum] 2011 in [plaats] (Eritrea). Dit is de beslissing van (kinder)rechter mr. R.R. Everaars-Katerberg, tot stand gekomen in samenwerking met mr. A. Minkjan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei
- Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.