RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/180716-21 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 21 februari 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1997] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres: [adres] te [woonplaats] , thans gedetineerd in de [verblijfplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op 20 december 2021 en 7 februari
(3)jaren vast; - stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde: o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; Benadeelde partij - wijst de vordering van [aangeefster] toe tot een bedrag van € 1.149,51; - veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangeefster] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2020 tot de dag van volledige betaling; - wijst af het meer gevorderde; - legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat € 1.149,51 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 31 dagen gijzeling; - bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; - veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en mr. S.M. Schothorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Chanier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 februari
- Mr. S.M. Schothorst is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 25 december 2020 te Breukelen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met [aangeefster] , geboren op [2005] , die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, - zijn penis in de vagina van die [aangeefster] gebracht en/of gehouden en/of - zich laten pijpen door die [aangeefster] ; (art 245 Wetboek van Strafrecht) Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 8 juli 2021, genummerd PL0900-2020419158, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met
- Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal van aangifte [aangeefster] , p.
- Proces-verbaal van aangifte [aangeefster] , p.
- Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting. Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] , p.
- HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5, en HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2012.