RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16/283895-20 en 16/119177-21 (gev. ttz) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 16 november 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2004 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] , [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 18 oktober 2022. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 16 november 2022. Vervolgens is direct uitspraak gedaan. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. B.J. Tieman, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Verder zijn ter terechtzitting verschenen: de ouders van verdachte; de benadeelde partij dhr. [slachtoffer 1] en zijn moeder; [A] , namens Slachtofferhulp Nederland; mw. Smit, namens de Raad voor de Kinderbescherming; mw. N. Yasar, namens Samen Veilig Midden-Nederland. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: - t.a.v. parketnummer 16/283895-20: feit 1: op 17 april 2020 te Amersfoort samen met anderen met (bedreiging met) geweld een telefoon en portemonnee van [slachtoffer 2] heeft gestolen; en/of die [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot afgifte hiervan; feit 2: op 17 april 2020 te Amersfoort openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] ; - t.a.v. parketnummer 16/119177-21: feit 1: op 11 november 2020 te Stoutenburg samen met anderen met (bedreiging met) geweld een telefoon, een kledingstuk, een autosleutel, drankverpakkingen, deodorant en een portemonnee (met inhoud) van [slachtoffer 1] heeft gestolen;feit 2: op 11 november 2020 te Stoutenberg samen met anderen met (bedreiging met) geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot afgifte van een horloge; feit 3: op 11 november 2020 te Hoevelaken samen met anderen een geldsom ter waarde van € 500,- heeft gestolen van [slachtoffer 1] door middel van een valse sleutel (te weten door gebruik te maken van een pinpas en bijbehorende pincode); feit 4: op 19 november 2020 te Stoutenburg samen met anderen met (bedreiging met) geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot afgifte van een scooterbeenkleed, schoenen en een horloge. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie In de zaak met parketnummer 16/283895-20 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd ten aanzien van feit 1 en gesteld dat feit 2 wettig en overtuigend te bewijzen is. In de zaak met parketnummer 16/119177-21 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd ten aanzien van feit 3 en gesteld dat feiten 1, 2 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen zijn. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bij gebrek aan voldoende wettig bewijs integrale vrijspraak bepleit van de onder parketnummer 16/283895-20 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder parketnummer 16/119177-21 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank - parketnummer 16/283895-20 Vrijspraak Feiten 1 en 2: De rechtbank zal verdachte bij gebrek aan wettig bewijs vrijspreken van feiten 1 en 2. Op basis van het procesdossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte degene is geweest die de ten laste gelegde feiten begaan heeft. - parketnummer 16/119177-21 Vrijspraak Feit 3: De rechtbank zal verdachte bij gebrek aan wettig bewijs vrijspreken van feit 3. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte aanwezig is geweest bij het pinnen of hier anderszins strafrechtelijke betrokkenheid bij heeft gehad. Bewijsmiddelen Feiten 1 en 2: Uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt onder meer het volgende: Vanavond [11 november 2020] had ik via Snapchat afgesproken met [profielnaam] . Toen ik aankwam op de parkeerplaats ter hoogte van de hockeyclub op de [adres 2] te [plaats 1] zat er al een meisje op het bankje. Ik ben naast haar gaan zitten en we hebben even zitten praten. Ineens hoorde ik wat ritselen en zag ik ongeveer 5 a 6 gasten op mij af komen. Ik wilde weglopen maar ze hielden mij tegen en begonnen mij te schoppen te slaan. Als eerste sloegen ze mijn bril van mijn hoofd. Ze hebben mij 2 of 3 keer geslagen in mijn buik en 1 keer in mijn zak getrapt. Ze hebben mij 4 keer op mijn hoofd geslagen en 4 keer tegen mijn benen geschopt. Ik voelde direct pijn, vooral aan mijn hoofd. Ze hebben mijn vest, waar mijn autosleutel in zat, uitgetrokken. Twee personen zijn bij mijn auto bezig geweest. Die gasten hadden mijn bankpas gevonden en vroegen om mijn pincode. Ik heb mijn pincode gegeven omdat ze bleven slaan en schoppen. Ik moest mijn horloge afdoen en deze heb ik ook afgegeven. Dit is een zilverkleurig horloge van het merk Seiko. Ik heb ze horen zeggen ‘Ben je wel goed bij je hoofd, we maken je kapot’. Uit mijn auto hebben ze ook mijn telefoon gepakt. Ik moest deze ontgrendelen en daarna werd het toestel, een Samsung S10, uitgeschakeld. Toen er een auto aan kwam rijden zijn ze er allemaal vandoor gegaan. Toen ik terugkwam bij mijn auto ontdekte ik dat er allerlei spullen uit mijn auto weg waren. Dit waren mijn portemonnee (waarin onder meer mijn rijbewijs, ID-kaart en 2 bankpassen, waarvan 1 van de rekening [rekeningnummer] met pasnummer [pasnummer] zaten), een 12-pak Fanta, een sixpack Amstel Radler en mijn deodorant. Van de bankpas met pasnummer [pasnummer] heb ik de pincode afgegeven. Ter terechtzitting heeft verdachte – zakelijk weergeven – het volgende verklaard: “Op 11 november 2020 was ik met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . We zijn naar de hockeyclub in [plaats 2] gegaan waar een confrontatie met het slachtoffer zou plaatsvinden. We hadden afgesproken dat [medeverdachte 5] op het bankje zou gaan zitten en de rest van de groep achter een bosje zou gaan staan. Wanneer het slachtoffer dan aan zou komen zouden we er met zijn allen op af gaan. Toen het slachtoffer er was, is er vrijwel meteen geschopt en geslagen. Ik heb hem ook een klap gegeven. Ik heb gezien dat er spullen zijn weggenomen en ik hoorde dat hij zijn bankpas moest afstaan. Er zijn ook blikjes drinken uit de auto gepakt door mensen uit onze groep. Ik stond een beetje vooraan tijdens de confrontatie.” Feit 4: Uit de aangifte van [slachtoffer 4] blijkt onder meer het volgende: Op 19 november 2020 heb ik via Snapchat afgesproken met [profielnaam] bij de hockeyclub in [plaats 1] . Op mijn scooter zat een zwart beenkleed en ik droeg schoenen van het merk Dsquared en een zilverkleurig horloge van het merk Seiko. Ik zag op de parkeerplaats een meisje alleen op een scooter staan. We stonden ongeveer 1 minuut op de kruising van de [locatie] met het [straat 1] toen er van 2 kanten 5 of 6 jongens in onze richting kwamen lopen. Eén van deze jongens kwam dicht tegenover me staan. Dit kwam dreigend op mij over. De anderen stonden erbij. De jongen die voor me stond zei dat ik mijn spullen aan hem moest geven. Ik hoorde dat de jongen zei dat hij het beenkleed van mijn scooter wilde hebben. Terwijl ik bezig was met het beenkleed los te maken voelde ik 2 keer achter elkaar een trap tegen mijn linkerkuit. Ik gaf het beenkleed af. Ik hoorde dat de jongen zei dat ik mijn schoenen af moest geven. Toen ik mijn schoenen uit wilde trekken voelde ik een klap op mijn linkerwang. Ik zag dat de jongen die tegen mij praatte mij met zijn vlakke hand tegen mijn gezicht sloeg. Toen ik mijn schoenen uit had gedaan deed die jongen weer hetzelfde. De jongen zag dat ik een horloge om had en deze moest ik ook afgeven. Mijn schoenen en mijn horloge gaf ik aan een andere jongen. Vlak voordat ik ging rennen voelde ik weer een klap tegen mijn linkerwang. De jongen die mij aansprak herkende ik als [verdachte] . De jongen aan wie ik mijn schoenen en horloge af gaf was kleiner dan [verdachte] . Mijn wang voel ik nu nog wel een beetje en mijn linkerkuit doet pijn. Ter terechtzitting heeft verdachte – zakelijk weergeven – het volgende verklaard: “Het ging bij dit incident, op 19 november 2020 in [plaats 2] ,precies hetzelfde als met het eerste slachtoffer. Ik wilde het beenkleed van zijn scooter hebben en dat heeft [slachtoffer 4] aan mij gegeven. Ik heb dit beenkleed vervolgens op mijn eigen scooter gedaan. Ik heb gezien dat er wederom spullen werden afgepakt en dat er werd geslagen.” Bewijsoverweging Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder feiten 1, 2 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde oogmerk in algemene zin het volgende. Meerdere verdachten hebben verklaard dat hun bedoeling is geweest om mee te doen aan een ‘pedohunt’, waarmee, naar de rechtbank begrijpt, wordt bedoeld dat onder valse voorwendselen een afspraak wordt gemaakt met een persoon om diegene te confronteren met zijn vermeende pedofilie. Van een oogmerk om spullen af te pakken zou geen sprake zijn geweest. De rechtbank acht die verklaringen ongeloofwaardig en licht dat toe. Beide voorvallen vertonen zeer grote gelijkenissen én hebben binnen ruim een week plaatsgevonden. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat tussen verdachten beide keren een plan is gemaakt. Er is met een (nep)profiel met de naam ‘ [profielnaam] ’ een afspraak gemaakt met de aangevers bij een hockeyclub in [plaats 1] . [medeverdachte 5] heeft zich daar zichtbaar voor aangevers opgesteld, terwijl de mannelijke verdachten zich verdekt hebben opgesteld. [medeverdachte 5] heeft vervolgens een kort gesprekje met de aangevers aangeknoopt. De mannelijke verdachten zijn daarna gelijktijdig tevoorschijn gekomen vanuit hun verdekte positie en zijn gelijktijdig op de aangevers afgelopen waarna direct geweld tegen de aangevers is gebruikt. Door middel van (de dreiging van) geweld werden de aangevers gedwongen goederen af te staan of werden goederen afgepakt. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de hiervoor beschreven handelswijze leidt de rechtbank af dat verdachte en de medeverdachten ten aanzien van feiten 1, 2 en 4 niet bezig waren met een ‘pedohunt’, maar met de aangevers hadden afgesproken met de bedoeling om hen te beroven. Uit de hiervoor beschreven handelswijze blijkt bovendien dat verdachte en medeverdachten nauw en bewust hebben samengewerkt om dat doel te verwezenlijken. Er is sprake geweest van een gedeeld vooropgezet plan en een onderlinge taakverdeling. Verdachte heeft ook een bijdrage van voldoende gewicht geleverd. Zijn bijdrage ligt besloten in het zich verborgen houden voor de aangever, het overrompelen van aangever door vanuit een verdekte plek als onderdeel van een groep op aangever af te lopen en daarna de groep getalsmatig te (blijven) versterken tijdens de afpersing en beroving. Daar komt bij dat verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft geslagen en het scooterbeenkleed door [slachtoffer 4] aan verdachte is afgestaan. De rechtbank acht derhalve de diefstal in vereniging met (bedreiging met) geweld (feit 1) en de afpersingen in vereniging (feiten 2 en 4) wettig en overtuigend bewezen. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: - t.a.v. parketnummer 16/119177-21: feit 1: op 11 november 2020 te Stoutenburg, tezamen en in vereniging met anderen, een telefoon (type/merk: Samsung S10), een kledingstuk (vest), een autosleutel, drankverpakkingen (Fanta en Amstel Radler), deodorant en een portemonnee (met inhoud, o.a. meerdere bankpassen), toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door een of meerdere malen - op het hoofd en in de buik en van die [slachtoffer 1] te slaan en - tegen de benen van die [slachtoffer 1] te schoppen en - die [slachtoffer 1] (dwingend) om de pincode van de bankpas en om de ontgrendelingscode van de telefoon te vragen en - " Ben je wel goed bij je hoofd, we maken je kapot" tegen die [slachtoffer 1] te zeggen; feit 2: op 11 november 2020 te Stoutenburg tezamen en in vereniging met meer anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, toebehorende aan [slachtoffer 1] , door een of meerdere malen- op het hoofd en in de buik en van die [slachtoffer 1] te slaan en- tegen de benen van die [slachtoffer 1] te schoppen en- die [slachtoffer 1] (dwingend) om de pincode van de bankpas en om de ontgrendelingscode van de telefoon te vragen en- "Ben je wel goed bij je hoofd, we maken je kapot" tegen die [slachtoffer 1] te zeggen; en - die [slachtoffer 1] (vervolgens) dwingend te vragen om zijn horloge af te doen en af te geven; feit 4: op 19 november 2020 te Stoutenburg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een scooterbeenkleed (kleur: zwart), schoenen (merk: Dsquared) en een horloge (merk: Seiko, kleur: zilverkleurig), toebehorende aan Van Meeterendoor een of meerdere malen - op de benen van die [slachtoffer 4] te schoppen en - tegen het gezicht van die [slachtoffer 4] te slaan en - dwingend en dreigend aan die [slachtoffer 4] om het beenkleed, om de schoenen en om het horloge te vragen. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Ten aanzien van feiten 1 en 2 is sprake van één feitencomplex waarbij de feiten zodanig met elkaar zijn verweven en zozeer in elkaar opgaan dat moet worden geoordeeld dat daar één wilsbesluit aan ten grondslag ligt. De rechtbank constateert daarom dat sprake is van eendaadse samenloop van feiten 1 en 2. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: - t.a.v. parketnummer 16/119177-21: feiten 1 en 2: eendaadse samenloop van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen feit 4: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: - een jeugddetentie van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 177 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met de medeverdachten en de slachtoffers; - een werkstraf van 180 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen jeugddetentie. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de hoogte van straf rekening te houden met het lange tijdsverloop en het positieve verloop van de schorsingsperiode. De raadsman acht het opleggen van een deels voorwaardelijke werkstraf passend en geboden en de maatregel van Toezicht en Begeleiding dient te worden beperkt in inhoud en reikwijdte. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan, kort gezegd, twee straatroven. Verdachte en zijn mededaders hebben telkens slachtoffers via Snapchat naar een afgelegen locatie gelokt om ze vervolgens met geweld te kunnen beroven van hun (waardevolle) spullen. De rechtbank rekent het verdachte verder aan dat hij niet uitsluitend getalsmatig onderdeel vormde van de groep die geweld heeft gebruikt, maar ook daadwerkelijk zelf geweld heeft gebruikt tegen één van de slachtoffers. Hij heeft zich bovendien op geen enkele wijze bekommerd om de gevolgen voor de aangevers. Dergelijke overvallen zijn in het algemeen zeer traumatiserend voor de aangevers, waarbij ook de impact op hun gevoel van veiligheid groot is. Aangever [slachtoffer 1] heeft zich tijdens het incident erg machteloos en angstig gevoeld, heeft hierna nog tijden nachtmerries en ongemaksgevoelens ervaren en heeft EMDR-therapie gevolgd voor de trauma’s die hij hierdoor heeft opgelopen. Ook aangever [slachtoffer 4] heeft nog lang last gehad van onrechtgevoelens en angsten, waarbij hij niet alleen over straat durfde. Persoon van de verdachte Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met: - een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 12 september 2022; - een advies van Samen Veilig Midden-Nederland van 14 oktober 2022, opgesteld door N. Yasar, jeugdreclasseerder; - een advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 14 oktober 2022, opgesteld door F.J. Lantain, kernfunctionaris. Uit de justitiële documentatie (het ‘strafblad’) van verdachte van 12 september 2022 blijkt dat hij op 23 januari 2021 een strafbeschikking heeft ontvangen in verband met een verkeersovertreding. De rechtbank zal daarmee rekening houden bij het bepalen van de straf op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Uit het advies van Samen Veilig Midden-Nederland (vanaf hier: SAVE) blijkt dat de meeste doelen die in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn gesteld ook zijn behaald. Verdachte heeft tijdens de schorsing een structurele positieve verandering laten zien. SAVE schat het risico op recidive in als heel laag. SAVE heeft nog geen zicht gekregen op verdachtes emotie- en spanningsregulatie of zijn attitude ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. Het lange wachten op een definitieve strafafdoening kan het leerproces van verdachte negatief beïnvloeden. Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de feiten acht SAVE het van belang dat verdachte, ondanks de late strafgang, de consequenties van zijn handelen ervaart. Tevens acht SAVE het van belang dat er een duidelijke stok achter de deur komt om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. SAVE adviseert de rechtbank dan ook om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden de maatregel van Toezicht en Begeleiding en het meewerken aan aanvullende hulpverlening indien de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht, en om daarnaast een werkstraf op te leggen. Tijdens de terechtzitting heeft mw. N. Yasar in aanvulling op de rapportage naar voren gebracht dat zij het goed vindt dat verdachte ter terechtzitting meer openheid van zaken ten aanzien van de delicten heeft gegeven. Als hij dat eerder had gedaan had de begeleiding ook inhoudelijk meer vorm kunnen krijgen. SAVE ziet nog meerwaarde in een uitgebreide delictsbespreking. Gelet op het positieve verloop van de begeleiding acht SAVE een proeftijd van een jaar voldoende. Uit het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (vanaf hier: RvdK) komt ook naar voren dat verdachte tijdens zijn schorsing een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Het FAST-traject is positief afgerond, er is meer rust in de thuissituatie en verdachte heeft een dagbesteding in de vorm van werk. Verdachte heeft al ruim anderhalf jaar goed meegewerkt aan alle schorsingsvoorwaarden en er is geen omgang meer met zijn medeverdachten. De ouders van verdachte zijn zeer betrokken en ondersteunen hem richting een positieve toekomst. De RvdK schat de kans op recidive in als laag. Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, heeft de RvdK zorgen over de gewetensontwikkeling van verdachte en acht de RvdK het van belang dat een uitgebreide delictsanalyse van de feiten plaats kan vinden. Het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie acht de RvdK niet in het belang van verdachte, temeer nu hij zich tijdens zijn schorsing positief ontwikkeld heeft en niet meer opnieuw in aanraking is gekomen met politie en justitie. De RvdK adviseert de rechtbank om in het geval van een bewezenverklaring een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden de maatregel van Toezicht en Begeleiding en het meewerken aan aanvullende hulpverlening indien de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht. De RvdK heeft geadviseerddaarnaast een werkstraf op te leggen. Ter terechtzitting heeft mw. Smit in aanvulling op het uitgebrachte advies naar voren gebracht een proeftijd van 1 jaar passend te achten. Strafoplegging Gelet op de ernst en hoeveelheid van de feiten acht de rechtbank een grotendeels voorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden. Bij de bepaling van de duur ervan heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en het ruime tijdsverloop sinds de gepleegde feiten. Overschrijding redelijke termijn De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Verdachte is op 3 mei 2021 in verzekering gesteld. Vanaf dat moment diende hij rekening te houden met een tegen hem gerichte strafvervolging. Verdachte was ten tijde van het delict minderjarig en dient dus als zodanig te worden berecht volgens het minderjarigenstrafrecht. Er geldt daarom een redelijke termijn van 16 maanden. Deze termijn is met 2 maanden en 13 dagen overschreden. De rechtbank zal hier in strafverminderende zin rekening mee houden. Daar waar gelet op de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie van enkele maanden passend was geweest, ziet de rechtbank er van af om verdacht terug naar de gevangenis te sturen. Straf In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank ook mee dat verdachte als één van de weinigen verantwoordelijkheid neemt voor het uitoefenen van geweld. Verdachte loopt inmiddels ruim anderhalf jaar in een schorsingstoezicht en heeft zich in die periode positief ontwikkeld. De rechtbank houdt ook rekening met de adviezen van de RvdK en SAVE en met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende zal de rechtbank verdachte een jeugddetentie opleggen voor de duur van 90 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 86 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan als bijzondere voorwaarden de maatregel van Toezicht en Begeleiding en een contactverbod met de medeverdachten en de slachtoffers verbinden. Gelet op de ernst van de feiten en de doelen in de maatregel toezicht en begeleiding stelt de rechtbank, anders dan het advies van de RvdK en SAVE, de proeftijd op twee jaren. Daarnaast acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie bij het niet (naar behoren) uitvoeren hiervan, passend en geboden. Nu zowel de RdvK als SAVE hebben aangegeven dat de focus van het toezicht met name gericht zal zijn op een uitgebreide delictsanalyse binnen de maatregel van Toezicht en Begeleiding, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van andere bijzondere voorwaarden. Dadelijke uitvoerbaarheid Gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport en het verhandelde ter terechtzitting, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Het recidiverisico wordt door de RvdK en SAVE ingeschat als (zeer) laag en verdachte heeft zich het afgelopen anderhalf jaar positief ontwikkeld. De rechtbank zal daarom niet bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zullen worden opgelegd dadelijk uitvoerbaar zijn. 9BENADEELDE PARTIJEN - Parketnummer 16/283895-20: Benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 318,54. Dit bedrag bestaat uit € 68,53 materiële schade en € 250,00 immateriële schade, ten gevolge van het onder feit 1 ten laste gelegde. 9.1 Het standpunt van de officier van justitie Gelet op de gevorderde vrijspraak heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. 9.2 Het standpunt van de verdediging Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. 9.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu verdachte van het onder feit 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt. - Parketnummer 16/119177-21: Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 3.382,66. Dit bedrag bestaat uit € 2.532,66 materiële schade en € 850,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde. 9.4 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 9.5 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 9.6 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder rubriek 5, feiten 1, 2 en 3 bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De schade voor zover die betrekking heeft op de schadeposten vest, rijbewijs, identiteitskaart, pasfoto’s, autosleutels, bril, Fanta, Radler, mobiel, SD-kaart, reiskosten voor het bijwonen van de zittingen en eigen risico ter hoogte van in totaal € 1.814,74 komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 november 2020 tot de dag van volledige betaling. De benadeelde partij heeft daarnaast een bedrag van € 217,92 aan verlofuren gevorderd. Uit de ter terechtzitting gegeven toelichting van de benadeelde partij leidt de rechtbank af dat het in wezen gaat om gederfde inkomsten doordat de benadeelde partij deze uren niet (als ZZP’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.