← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:655

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.133123.20 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 23 februari 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1989] te [geboorteplaats] (Pakistan), wonende aan het [adres] te [woonplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 augustus 2020 (pro forma), 18 november 2020 (pro forma), 10 februari 2021 (regie), 12 april 2021 (regie), 8, 9 en 10 december 2021 (inhoudelijke behandeling) en 23 februari 2022 (sluiting onderzoek). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officieren van justitie mrs. C. Goedegebuure en R.E. Craenen en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de volgende benadeelde partijen naar voren hebben gebracht: dhr. [aangever 1] , namens ABN AMRO bank; dhr. [aangever 2] , namens ING bank; mr. E. Bos namens mevr. [benadeelde 1] ; mevr. [benadeelde 2] . 2INLEIDING Dit vonnis komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is onder de naam 031CCBeurs (hierna: onderzoek Beurs). Onderzoek Beurs werd gestart nadat het Electronic Crimes Task Force (ECTF) in juli 2019 had geconstateerd dat er phishing campagnes gaande waren met een vergelijkbare modus operandi als in het eerder verrichtte onderzoek Zandloper. In het kort komt de modus operandi in onderzoek Zandloper erop neer dat een ogenschijnlijk door de bank opgestelde e-mail naar een groot aantal e-mailadressen wordt gestuurd waarin potentiële slachtoffers worden geïnformeerd dat een incasso op hun bankrekening aanstaande is. Gevraagd wordt om op een link te klikken om de incasso te voorkomen. Het slachtoffer wordt daarna gebeld, waarbij de beller zich voordoet als bankmedewerker en het slachtoffer beweegt om zelf geld van zijn rekening over te boeken naar een andere rekening, zogenaamd om de incasso te voorkomen en zijn of haar geld veilig te stellen. Het geld wordt echter overgeboekt naar een rekening van een zogenaamde money mule en wordt daarna vrijwel direct door een casher gepind. De praktijken die in juli 2019 werden geconstateerd, vonden onder meer plaats bij klanten van de ABN AMRO bank. Deze klanten van de ABN AMRO bank hadden daarbij geld overgemaakt naar ING-rekeningen. De ING bank is naar aanleiding hiervan een onderzoek gestart naar de betrokken betaalrekeningen en heeft camerabeelden veiliggesteld van de geldopnames die zijn verricht nadat de frauduleuze bedragen op de ING-rekeningen waren bijgeschreven. Medio december 2019 tot en met eind januari 2020 kreeg de ABN AMRO bank van verschillende klanten opnieuw melding van een vergelijkbare vorm van oplichting. Naar aanleiding van het voorgaande zijn onderzoeken verricht. Ook rekeninghouders van de Rabobank bleken melding te hebben gedaan van oplichting. De onderzoeken hebben geleid tot de aanhouding van onder meer verdachte. Hij wordt verdacht van de feiten die in de tenlastelegging staan omschreven. De medeverdachten die in dit onderzoek zijn aangehouden zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . 3TENLASTELEGGING De (nader omschreven) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht (Bijlage I). De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1 in de periode van 1 mei 2019 tot en met 18 mei 2020 te Amersfoort en/of Veendam en/of Hilversum, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van oplichting, (gewoonte)witwassen, heling van niet-openbare gegevens en computervredebreuk; Feit 2 in de periode van 1 mei 2019 tot en met 18 mei 2020 te Amersfoort en/of te Veendam en/of te Hilversum, althans in Nederland, zich samen met anderen dan wel alleen, schuldig heeft gemaakt aan oplichting van 30 rekeninghouders van de ABN AMRO bank, de Rabobank en/of de ING bank door die rekeninghouders al dan niet middels phishing te bewegen geld, in totaal € 724.148,54, over te maken naar een zogenaamde ‘veilige rekening’; Feit 3 primair, in de periode van 1 mei 2019 tot en met 18 mei 2020 te Amersfoort en/of te Veendam en/of te Hilversum, althans in Nederland, samen met anderen dan wel alleen, een geldbedrag van € 724.148,54 heeft witgewassen en van dit witwassen een gewoonte heeft gemaakt, subsidiair is dit ten laste gelegd als het samen met anderen dan wel alleen (gewoonte)schuldwitwassen van voornoemd geldbedrag; Feit 4 in de periode van 20 februari 2019 tot en met 18 mei 2020 te Amersfoort en/of te Veendam en/of te Hilversum en/of te Eindhoven en/of te Helmond, althans in Nederland, zich samen met anderen dan wel alleen, schuldig heeft gemaakt aan heling van niet-openbare gegevens, zoals rekeningnummers, telefoonnummers, voor- en achternamen en geboortedata en/of deze niet-openbare gegevens ter beschikking van een ander dan wel anderen heeft gesteld en/of deze gegevens voorhanden heeft gehad en/of gebruikt; Feit 5 op 10 december 2019 te Veendam, althans in Nederland, zich samen met anderen dan wel alleen, schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk door opzettelijk en wederrechtelijk het digitale bancaire systeem van rekeninghouder [benadeelde 3] binnen te dringen met inloggegevens van die [benadeelde 3] . 4VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om deze strafzaak inhoudelijk te behandelen. 5WAARDERING VAN HET BEWIJS 5.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen, met uitzondering van een deel van de periode van feit 1. Volgens de officier van justitie is wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte vanaf 5 juli 2019 tot en met 12 mei 2020 als deelnemer betrokken is geweest bij de criminele organisatie. 5.2 Het standpunt van de verdediging Feit 1 De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie, behalve voor zover ten laste is gelegd dat deze organisatie mede tot oogmerk heeft het plegen van heling van niet-openbare gegevens en het plegen van computervredebreuk. Feit 2 De raadsman heeft zich in het algemeen op het standpunt gesteld dat niet op basis van een vergelijkbare modus operandi kan worden geoordeeld dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de oplichting van alle op de tenlastelegging genoemde aangevers. De modus operandi zoals die in dit onderzoek naar voren komt, wordt door meerdere groeperingen gehanteerd. De oplichting van elke aangever moet daarom op zijn eigen merites worden beoordeeld. De enkele betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 1] als casher, zonder concreet bewijs dat wijst op betrokkenheid van verdachte zelf, is volgens de raadsman ook onvoldoende voor een bewezenverklaring van het medeplegen van oplichting door verdachte. Gelet hierop heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het (mede)plegen van oplichting van [aangever 3] , [aangever 4] , [aangever 5] , [aangever 6] , [aangever 7] , [aangever 8] , [aangever 9] , [aangever 10] , [aangever 11] , [aangever 12] , [benadeelde 1] , [aangever 13] , [aangever 14] , [aangever 15] , [aangever 16] , [aangever 17] , [aangever 18] , [aangever 19] , [aangever 20] en [aangever 21] . In andere gevallen is er in de visie van de raadsman wel concreet bewijs voor betrokkenheid van verdachte. In die gevallen kan ook tot een bewezenverklaring van het medeplegen van oplichting worden gekomen. Feit 3 De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet strafbaar is, voor zover het ten laste gelegde witwassen ziet op de verwerving van de opbrengst van oplichting waaraan verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt, oftewel, de opbrengst uit eigen misdrijf. Geen sprake is immers van omzetting dan wel versluiering van deze opbrengst. In zoverre heeft de raadsman verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor zover het ten laste gelegde witwassen ziet op de opbrengst van oplichting van aangevers waaraan verdachte niet als medepleger kan worden gekoppeld. Voor zover de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het witwassen, heeft de raadsman verzocht het leerstuk van samenloop toe te passen. Feit 4 De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 4 ten laste gelegde (mede)plegen van heling van niet-openbare gegevens, omdat niet kan worden vastgesteld dat de gegevens, de leads, van misdrijf afkomstig zijn. Nu dit niet kan worden vastgesteld, kan verdachte ook niet worden veroordeeld voor het ter beschikking stellen van niet-openbare gegevens aan een ander. Feit 5 De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit van het onder 5 ten laste gelegde medeplegen van computervredebreuk. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de oplichting van [aangever 8] , waarbij geld is overgemaakt naar de rekening van [benadeelde 3] . Dat de paslimiet van de pinpas van deze [benadeelde 3] digitaal is verhoogd vanaf het IP-adres dat bij verdachte in gebruik was is hiervoor niet voldoende, nu medeverdachte [medeverdachte 2] ook op dit adres woonde. 5.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank merkt vooraf het volgende op. Daar waar zij komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, zal zij voor de leesbaarheid van dit vonnis de bewijsmiddelen opnemen in bijlage II. De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Conclusie Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan: Feit 1: Deelname aan een criminele organisatie in de periode van 17 juli 2019 tot en met 18 mei 2020; Feit 2: Medeplegen van oplichting in de periode van 17 juli 2019 tot en met 1 mei 2020; Feit 3 primair: Medeplegen van gewoontewitwassen van een geldbedrag van € 563.256,67,- in de periode van 17 juli 2019 tot en met 18 mei 2020. Van de onderdelen van de tenlastelegging van de feiten 1, 2 en 3 die de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht, zal zij verdachte partieel vrijspreken. Voor het medeplegen van heling van niet-openbare gegevens en het medeplegen van computervredebreuk, zoals ten laste gelegd onder feit 4 en feit 5, acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Van die feiten zal de rechtbank verdachte integraal vrijspreken. De rechtbank zet hierna uiteen hoe zij tot deze conclusie is gekomen. Daarbij begint zij met de bespreking van feit 2, het medeplegen van oplichting, omdat dit feit een essentieel onderdeel vormt van de overige ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten. Feit 2 Juridisch kader oplichting Oplichting als bedoeld in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is het door aanwending van een oplichtingsmiddel (door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen of door een samenweefsel van verdichtsels) een ander bewegen tot bepaalde gedragingen, te weten de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld. Degene die zich aan oplichting schuldig maakt, handelt met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen en bedient zich daartoe ten minste van één van de hiervoor genoemde oplichtingsmiddelen. Feitelijkheden Op basis van de verschillende aangiftes die zich in het dossier bevinden kan worden vastgesteld dat er in de periode van 5 juli 2019 (de aangifte van [aangever 3] ) tot en met 12 mei 2020 (de aangifte van [aangever 21] ) van bankrekeningen van een groot aantal klanten van de ABN AMRO bank, de ING bank en de Rabobank (hierna: aangevers) aanzienlijke geldbedragen zijn overgemaakt naar (overwegend) particuliere bankrekeningen, waardoor deze aangevers de beschikkingsmacht over dit geld kwijtraakten. De aangevers kregen in veel gevallen een e-mail waarin stond dat een derde was gemachtigd geld van hun rekening af te schrijven. In de e-mail stond een weblink die men moest aanklikken als de machtiging van de derde niet juist was. De aangevers werden na het aanklikken van de link gebeld door een man die zich voordeed als een medewerker (van de afdeling fraude) van één van de hiervoor genoemde banken. Het nummer waarmee werd gebeld betrof vaak een gespooft telefoonnummer. Daardoor leek het alsof de aangevers werden gebeld met een bestaand telefoonnummer van de desbetreffende bank. De beller zei dat de bank had ontdekt dat iemand geld van de rekening van de aangever probeerde af te halen of dat de rekening werd gehackt. De beller probeerde de aangever vervolgens te bewegen geld over te maken naar een zogenaamde kluisrekening of veilige rekening om te voorkomen dat de klant geld kwijt zou raken. De beller hielp de aangever om de transacties uit te voeren. In sommige gevallen is daarbij gebruik gemaakt van Teamviewer, een online programma dat de beller in staat stelde de computer van de aangever te bedienen. Het geld werd in bedragen van onder de € 2.000,- overgeboekt naar één of meer rekeningen van zogenaamde money mules. Vrijwel direct nadat het geld van de aangever was overgemaakt naar rekeningen van deze money mules, werd het geld ergens in Nederland gepind door een zogenaamde casher. Juridische duiding van de feitelijkheden Het bewegen van de aangevers om, al dan niet met hulp van de beller, geld over te maken naar een andere zogenaamde veilige rekening, merkt de rechtbank aan als oplichting. De oplichter(

  1. s)bediende(
  2. n)zich van diverse oplichtingsmiddelen. De beller nam immers een valse naam en een valse hoedanigheid aan, door zich voor te stellen met een verzonnen naam en zich voor te doen als medewerker van de bank. Door in die hoedanigheid te bellen met een gespooft nummer, te doen alsof het nodig was geld veilig te stellen en de aangevers daar vervolgens bij te begeleiden, in de wetenschap dat het geld daardoor uit hun beschikkingsmacht zou geraken en vrijwel direct na de overboeking zou worden opgenomen door een casher, heeft de beller listige kunstgrepen toegepast en is sprake van een samenweefsel van verdichtsels. De beller heeft door zijn handelen bij de aangevers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen en hen daarnaar laten handelen. Vastgesteld kan worden dat de oplichting steeds bestond uit een reeks aan handelingen. Deze reeks bestond onder meer uit het ronselen van de money mules, oftewel het regelen van rekeningnummers met bijbehorende pinpassen en pincodes waarnaar het geld van de aangevers kon worden overgeboekt. De oplichting was voltooid op het moment dat het geld werd gepind vanaf de rekening van de money mules, het zogeheten cashen. Na het cashen kon de overboeking immers niet meer ongedaan worden gemaakt door de banken en was de afgifte van het geld definitief voltooid. In de meeste gevallen werden aangevers bewogen zelf geld over te maken naar de zogenaamde money mules. In sommige gevallen werden de aangevers hierbij geholpen, waarbij codes aan de bellers zijn verstrekt. Met die codes kon vervolgens geld van de bank van de desbetreffende aangever worden overgeschreven naar rekeningnummers van de zogenaamde money mules. Ook in die gevallen is naar het oordeel van de rechtbank sprake van afgifte van een goed. Sprake is dan immers van het toelaten dat een goed, te weten een geldbedrag, wordt weggenomen. De afgegeven geldbedragen werden verdeeld tussen een aantal bij die oplichting betrokken mensen waaronder de casher, de ronselaar, de money mule, de beller en degene die dit alles organiseerde. Zelfverrijking was de reden om de oplichtingshandelingen te plegen. Dat betekent dat de verschillende oplichtingshandelingen zijn gepleegd met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Rol van verdachte Vastgesteld kan worden dat verdachte bij het voorgaande met name een faciliterende en coördinerende rol heeft gehad. Verdachte regelde de bellocaties en stuurde de bellers en cashers aan. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte betrokken is geweest bij het regelen van panden, van waaruit enige tijd is gebeld. Zo stuurt verdachte in een chatgesprek met [medeverdachte 3] een link van de verhuur van een bedrijfspand aan de [adres] in [woonplaats] . In chatgesprekken op 26 januari 2020 met [casher 1] vraagt verdachte of er in de woning van [naam] gebeld kan worden en op 16 april 2020 zegt verdachte dat ‘ze’ een ander kantoor nodig hebben. Dat verdachte de bellers en cashers aanstuurde en daarbij de verbindende schakel vormde kan worden afgeleid uit diverse chatgesprekken. Zo blijkt uit een chatgesprek met [medeverdachte 3] op 13 februari 2020 en een gesprek met [medeverdachte 2] op 26 maart 2020 dat verdachte bepaalde wie er wanneer belde. Verdachte bepaalde ook met welke cashers er werd gewerkt. In een chatgesprek met [casher 1] op 30 december 2019 zegt hij: “Ik gooi altijd eerst naar jou als jij meerdere spa’s hebt”, hetgeen de rechtbank begrijpt als: “Ik zorg dat er altijd eerst geld naar jou wordt overgemaakt, als jij meerdere pinpassen hebt”. Verdachte stond daarnaast in contact met bellers en cashers op momenten waarop er gebeld werd met de aangevers. In een chat met [medeverdachte 5] van 3 januari 2020 zegt verdachte bijvoorbeeld dat ‘ze’ aan het bellen zijn en dat hij alles moet doorgeven. In een chatgesprek tussen verdachte en [A] van 4 augustus 2019 is te lezen dat verdachte zegt: “Is oude man dus best sloom met overmaken”. Ook zegt verdachte: “Bezig met derde”, waarop [A] antwoordt: “Moet nog 440 pinne.” Verdachte zegt vervolgens: “Als je maar pint”. Op de vraag van [A] : “Hoeveel nog?”, reageert verdachte met: “Nog 2. is nu bij omschrijving invullen. 4e komt eraan”. In een chatgesprek tussen verdachte en eerder genoemde [casher 1] van 30 december 2019 is te lezen dat verdachte zegt: “Met iemand bezig met 75K”. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij als doorgever fungeerde. Verder blijkt uit de chatgesprekken dat verdachte anderen de opdracht gaf om pinpassen te regelen. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op gesprekken tussen verdachte en [B] tussen 6 en 19 maart 2020. Verdachte heeft op de terechtzitting zijn rol als ronselaar van passen bevestigd. Ook blijkt dat meerdere mensen voor verdachte werkten als casher. Dit zijn naast medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en ook [casher 2] , [casher 1] , [casher 3] en [casher 4] . Verdachte spreekt in de chats verder over het regelen van leads, geeft tijdstippen door waarop moet worden gehandeld en spreekt over de geldbedragen en percentages die kunnen worden verdiend. Medeplegen De vraag die moet worden beantwoord is of verdachte als medepleger van de oplichting kan worden aangemerkt. Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van oplichting moet komen vast te staan dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte(n), dan wel andere (deels) onbekend gebleven medeplegers/medeplichtigen welke samenwerking was gericht op het voltooien van de oplichting. Ook moet verdachte opzet hebben gehad op die oplichting. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn faciliterende en coördinerende rol een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de oplichting van diverse aangevers. Zoals uit het voorgaande blijkt bestond de oplichting van de aangevers uit een reeks aan handelingen. Verdachtes bijdrage was hierbij essentieel voor het doen slagen van de oplichting. Verdachte zorgde voor locaties waar ongestoord kon worden gebeld en hij regelde rekeningen en passen waarop het geld werd overgemaakt. Verdachte verzorgde bovendien voor een gedetailleerde afstemming tussen de bellers en cashers. Op deze wijze konden de afhandig gemaakte geldbedragen snel veilig worden gesteld, zodat banken geen kans kregen om in te grijpen. Uit de wijze van handelen door verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte zich in de rol van facilitator en coördinator bewust was van de handelingen van de andere deelnemers aan het proces en van het uiteindelijke doel dat moest worden bereikt. Verdachte had, net als de anderen, opzet op de voltooiing van de oplichting van diverse aangevers. De rechtbank concludeert dan ook dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte heeft samen met anderen gehandeld overeenkomstig een tevoren gemaakt gezamenlijk plan, waarbij de onderlinge afstemming tussen de verdachte en zijn mededaders cruciaal was voor het voltooien van de oplichting. Hieraan heeft verdachte welbewust een wezenlijke bijdrage geleverd. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij handelde in opdracht van een persoon genaamd Vesos. Dit is echter niet aannemelijk geworden, nu het dossier daarvoor geen aanknopingspunten biedt. Maar ook als deze Vesos wel opdrachtgever zou zijn geweest, dan verandert dit niets aan de rol van verdachte en de strafrechtelijke duiding daarvan, aangezien niet is gebleken dat verdachte op enige wijze tot het vervullen van zijn rol is gedwongen. Concrete betrokkenheid Op grond van de bewijsmiddelen houdt de rechtbank verdachte medeverantwoordelijk voor de oplichting van meerdere aangevers. De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte bij de oplichting van alle in de tenlastelegging genoemde aangevers betrokken is geweest. De enkele betrokkenheid van [medeverdachte 1] als casher bij een oplichting, acht de rechtbank onvoldoende voor een bewezenverklaring van het medeplegen door verdachte. Weliswaar kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] als casher voor verdachte heeft gewerkt, maar niet valt uit te sluiten dat hij ook als casher voor anderen actief is geweest. Er is daarom meer nodig om verdachte als medepleger aan te merken in die gevallen waarin vast staat dat [medeverdachte 1] de casher was. De uit de aangiften naar voren komende modus operandi vormt op zichzelf ook onvoldoende bewijs voor betrokkenheid van verdachte als medepleger. Deze modus operandi wordt immers vaker toegepast en is daarom niet onderscheidend voor de handelwijze van verdachte. In voorkomende gevallen vormt de modus operandi echter toch een onderdeel van de bewijsconstructie. De rechtbank doelt daarbij op gevallen waarin deze naast algemene ook specifieke overeenkomsten vertoont met de modus operandi gehanteerd bij de oplichtingen waarbij de betrokkenheid van verdachte ook aan de hand van andere bewijsmiddelen kan worden vastgesteld. Een specifieke overeenkomst kan zijn een naam van de zogenaamde bankmedewerker of de naam van de zogenaamde gemachtigde incassant. Met inachtneming van het voorgaande, overweegt de rechtbank ten aanzien van de verschillende aangevers het volgende: [aangever 22] , [aangever 23] , [aangever 24] , [aangever 25] , [aangever 26] , [aangever 27] , [aangever 28] , [benadeelde 2] en [aangever 30] De raadsman heeft ten aanzien van de oplichting van deze aangevers geen verweer gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als medepleger bij de oplichting van deze aangevers betrokken is geweest. Ten aanzien van [aangever 26] merkt de rechtbank op dat de oplichtingen plaatsvonden op dezelfde dag als ook [aangever 24] , [aangever 25] en [aangever 27] zijn opgelicht, namelijk 3 januari 2020 en verdachte op die dag in een chat met medeverdachte [medeverdachte 5] opmerkt dat er 4 bellers aan het werk zijn en hij alles moet doorgeven. De modus operandi in de zaak [aangever 28] komt op een specifiek punt overeen met de modus operandi die is gehanteerd bij de oplichting van [aangever 18] en [aangever 9] en de oplichting van [benadeelde 2] . De specifieke overeenkomst houdt in dat [aangever 28] net als [aangever 18] en [aangever 9] is gebeld door een zogenaamde medewerker van de bank die zich [zogenaamde medewerker 1] noemde. Daarnaast is in die zaak ook gebeld door een medewerker die zich [zogenaamde medewerker 2] noemt. Deze naam is ook gebruikt in de zaak [benadeelde 2] . [aangever 6] en [aangever 31] De raadsman heeft ten aanzien van de oplichting van [aangever 31] ook geen verweer gevoerd. Bij de oplichting van [aangever 6] op 17 juli 2019 voor een bedrag van € 4.846,- is [medeverdachte 1] als casher betrokken geweest. In dit geval is ook sprake van een modus operandi die op een specifiek punt overeenkomst vertoont met de modus operandi die is gehanteerd bij de oplichting van [aangever 31] . Die overeenkomst ziet op het gebruik van de naam ‘ [naam] ’ als zogenaamde gemachtigde incassant. Bij [aangever 6] was dat ‘ [gemachtigde incassant 1] ’, bij [aangever 31] was dat ‘ [gemachtigde incassant 2] ’. Gelet hierop acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger bij de oplichtingen van [aangever 6] en [aangever 31] betrokken is geweest. [aangever 9] is opgelicht op 13 en 14 december 2019. Het totale benadelingsbedrag van deze oplichting is € 84.280,-. Vastgesteld kan worden dat [medeverdachte 1] op 13 december 2019 de casher was bij deze oplichting. In de nacht van 13 op 14 december 2019 voerde [medeverdachte 1] een chatgesprek met verdachte. De inhoud van deze chat sluit aan bij de wijze waarop [aangever 9] is opgelicht. Verdachte zegt namelijk tegen [medeverdachte 1] dat hij meer passen moet regelen, omdat ‘die man’ nog ongeveer € 100.000,- over heeft. Ook zegt verdachte tegen [medeverdachte 1] dat ‘hij’ precies om 09:00 uur wordt gebeld. Dat tijdstip komt overeen met het tijdstip waarop [aangever 9] voor de tweede keer telefonisch is benaderd door een zogenaamde medewerker van de bank. Bij de oplichting van [aangever 9] is daarnaast sprake van een modus operandi die specifieke overeenkomsten vertoont met de modus operandi die is gehanteerd bij de oplichting van [aangever 12] , [aangever 11] en [aangever 14] enerzijds en die van [aangever 28] en [aangever 18] anderzijds. De specifieke overeenkomst in modus operandi tussen bij de oplichting van [aangever 9] en die van [aangever 12] , [aangever 11] en [aangever 14] houdt in dat alle vier de aangevers zijn gebeld door een zogenaamde medewerker van de bank die zich [zogenaamde medewerker 3] noemde. [aangever 9] is daarnaast gebeld door een zogenaamde medewerker van de bank die zich [zogenaamde medewerker 1] noemde en die naam is ook genoemd bij de oplichting van [aangever 28] en [aangever 18] . Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger bij de oplichting van [aangever 9] betrokken is geweest. [aangever 11] Bij de oplichting van [aangever 11] op 4 januari 2020 voor een bedrag van € 5.675,- is [medeverdachte 1] als casher betrokken geweest. Daarnaast is sprake van een modus operandi die op een specifiek punt overeenkomst vertoont met de modus operandi bij de oplichtingen van [aangever 12] , [aangever 9] , en [aangever 14] . De specifieke overeenkomst houdt in dat [aangever 11] , [aangever 12] , [aangever 9] en [aangever 14] alle drie zijn gebeld door een zogenaamde medewerker van de bank die zich [zogenaamde medewerker 3] noemde. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger bij de oplichting van [aangever 11] betrokken is geweest. [aangever 12] Bij de oplichting van [aangever 12] op 28 december 2019 voor een bedrag van € 51.102,- is [medeverdachte 1] als casher betrokken geweest. Daarnaast is sprake van een modus operandi die op een specifiek punt overeenkomst vertoont met de modus operandi bij de oplichtingen van [aangever 9] , [aangever 11] en [aangever 14] . De specifieke overeenkomst houdt in dat [aangever 12] , [aangever 9] , [aangever 11] en [aangever 14] alle vier zijn gebeld door een zogenaamde medewerker van de bank die zich [zogenaamde medewerker 3] noemde. Gelet hierop acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger bij de oplichting van [aangever 12] betrokken is geweest. [aangever 13] Bij de oplichting van [aangever 13] op 2 januari 2020 voor een bedrag van € 53.373,- waren ten minste twee cashers betrokken, te weten [casher 2] en [casher 1] . Verdachte stond met beide cashers in contact en dit contact had mede betrekking op het oplichten van rekeninghouders. Dat verdachte en [casher 2] elkaar kenden volgt uit de verklaring van [getuige] bij de rechter-commissaris waar zij stelt dat zij met verdachte in contact is gekomen via haar broer [casher 2] en dat haar broer haar vertelde dat er wel jongens voor haar gingen bellen. Verder zijn chatgesprekken tussen verdachte en [casher 1] aangetroffen in de periode van 27 augustus 2019 tot en met 13 mei 2020. In deze chatgesprekken wordt regelmatig gesproken over termen die passen bij het oplichten van rekeninghouders. Zo zegt verdachte dat de “tan” moet worden doorgegeven, dat er “100K binnenkomt dus 30 voor jullie kant” en dat er “morgen nieuwe mails binnen komen”. Ook vraagt hij op enig moment aan [casher 1] of hij “spa’s” bij de hand heeft. Verder zegt verdachte tegen [casher 1] dat hij met iemand bezig is “met 75K” en dat hij altijd eerst “naar hem gooit als hij meerdere spa’s heeft”. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte met [casher 1] chat over zijn rol als casher. uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte samenwerkte met [casher 1] als hij passen had, [casher 1] op 2 januari 2020 over een pinpas beschikte om te cashen en verdachte samenwerkte met [casher 2] , acht de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor de bewezenverklaring van de betrokkenheid van verdachte als medepleger bij de oplichting van [aangever 13] . [aangever 14] Bij de oplichting van [aangever 14] op 4 januari 2020 voor een bedrag van € 82.000,- waren twee cashers betrokken, die in die hoedanigheid in contact stonden met verdachte, te weten [medeverdachte 1] en [casher 1] . De rechtbank heeft bij de bewezenverklaring van betrokkenheid van verdachte bij de oplichting van [aangever 13] reeds geconcludeerd dat verdachte samenwerkte met [casher 1] als die passen had. [casher 1] beschikte ook op 4 januari 2020 over een pinpas. Daarnaast is bij deze oplichting sprake van een modus operandi die op een specifiek punt overeenkomst vertoont met de modus operandi die is gehanteerd bij de oplichting van [aangever 9] , [aangever 11] en [aangever 12] . De specifieke overeenkomst houdt in dat [aangever 14] net als [aangever 9] , [aangever 11] en [aangever 12] is gebeld door een zogenaamde medewerker van de bank die zich [zogenaamde medewerker 3] noemde. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger bij de oplichting van [aangever 14] betrokken is geweest. [aangever 17] Bij de oplichting van [aangever 17] op 10 januari 2020 voor een bedrag van € 46.994,- was [casher 1] als casher betrokken. Zoals reeds meerdere keren is overwogen, heeft de rechtbank geconcludeerd dat verdachte samenwerkte met [casher 1] als die passen had. [casher 1] beschikte op 10 januari 2020 ook over een pinpas. Daarnaast is sprake van een modus operandi die specifieke overeenkomsten vertoont met de modus operandi die is gehanteerd bij de oplichting van [aangever 28] en [benadeelde 2] . [aangever 17] is net als [aangever 28] en [benadeelde 2] gebeld door een zogenaamde medewerker van de bank die zich [zogenaamde medewerker 2] noemde. Daarbij komt dat zowel bij de oplichting van [aangever 17] als bij die van [aangever 28] sprake was van dezelfde money mule, te weten [zogenaamde medewerker 4] . De modus operandi van de oplichting van [aangever 17] vertoont eveneens een specifieke overeenkomst met de modus operandi die is gehanteerd bij de oplichting van [benadeelde 1] . Deze specifieke overeenkomst houdt in dat [aangever 17] net [benadeelde 1] is gebeld door een man die zich voordeed als medewerker van de bank die zich [zogenaamde medewerker 5] noemde. De rechtbank acht vanwege voornoemde onderlinge samenhang bewezen dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de oplichting van [benadeelde 1] . Gelet hierop acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger bij de oplichting van [aangever 17] betrokken is geweest. [benadeelde 1] Bij de oplichting van [benadeelde 1] op 2 januari 2020 voor een bedrag van € 9.456,- is sprake van een modus operandi die op een specifiek punt overeenkomst vertoont met de modus operandi die is gehanteerd bij de oplichting van [aangever 17] . De specifieke overeenkomst houdt in dat [benadeelde 1] net als [aangever 17] is gebeld door een zogenaamde medewerker van de bank die zich [zogenaamde medewerker 5] noemde. De rechtbank acht (onder meer) vanwege deze onderlinge samenhang bewezen dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de oplichting van [aangever 17] , [aangever 28] en [benadeelde 2] . Gelet hierop acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger bij de oplichting van [benadeelde 1] betrokken is geweest. [aangever 18] Bij de oplichting van [aangever 18] op 20 januari 2020 gaat het om een bedrag van € 48.198,-, Dit bedrag komt overeen met (het totaal van) een cijfercombinatie die is aangetroffen op een screenshot van een notitie in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 3] . Dit screenshot is gemaakt op 21 januari 2020, een dag na de oplichting van [aangever 18] . Bij de cijfercombinatie staat de naam [casher 3] . In een chatgesprek tussen [medeverdachte 3] en [casher 3] van 12 februari 2020 vraagt [medeverdachte 3] aan [casher 3] wanneer deze kan werken. Ook zegt hij dat ‘ [accountnaam] ’ vraagt hoelang [casher 3] nog ploegen heeft omdat bellen fulltime moet gebeuren. Verder zegt [medeverdachte 3] tegen [casher 3] dat ‘ [bijnaam 1] ’ 100 bellers kan fixen. Op basis van het dossier koppelt de rechtbank zowel de accountnaam ‘ [accountnaam] ’ als de bijnaam ‘ [bijnaam 1] ’ aan verdachte en op grond van de inhoud van voornoemde chat stelt zij vast dat [casher 3] als beller werkzaamheden heeft verricht voor verdachte. De notitie met de naam van [casher 3] en de cijfercombinatie die gelijk is aan het bedrag waarvoor [aangever 18] is opgelicht duidt op betrokkenheid van verdachte in dit specifieke geval. Daarbij komt dat er sprake is van een modus operandi die op een specifiek punt overeenkomst vertoont met de modus operandi die is gehanteerd bij de oplichting van [aangever 28] en [aangever 9] . De specifieke overeenkomst houdt in dat [aangever 18] net als [aangever 28] en [aangever 9] is gebeld door een zogenaamde medewerker van de bank die zich [zogenaamde medewerker 1] noemde. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger bij de oplichting van [aangever 18] betrokken is geweest. [aangever 25] , [aangever 24] en [aangever 27] In de IPhone 6S van [verdachte] is een notitie aangetroffen die voor het laatst bleek te zijn aangepast op 3 januari 2020 waarin een aantal reeksen getallen onder elkaar staan weergegeven, steeds aangeduid met een letter. Deze getallen komen op twee cijfers na overeen met de stortingen zoals gedaan door verschillende aangevers van 3 januari 2020 en de rechtbank gaat er dan ook vanuit dat deze getallen betrekking hebben op de door de aangevers overgemaakte bedragen naar de betreffende money mule rekeningen. Ten aanzien van de twee verschillen (in de zaak [aangever 25] werd € 1.897 overgemaakt en staat in de notitie het getal 1894 en in de zaak [aangever 24] werd € 1.898,- overgemaakt en staat in de notitie 1808) oordeelt de rechtbank dat dit zodanig kleine verschillen zijn dat die zijn aan te merken als kennelijke verschrijvingen. Benadelingsbedrag Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting van de hiervoor genoemde aangevers voor een bedrag van in totaal € 563.256,67. Vrijspraak [aangever 3] , [aangever 4] , [aangever 5] , [aangever 7] en [aangever 10] Bij de oplichting van de aangevers [aangever 3] , [aangever 4] , [aangever 5] , [aangever 7] en [aangever 10] kan enkel worden vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte 1] betrokken is geweest als casher. Zoals hiervoor overwogen acht de rechtbank dit onvoldoende om tot een bewezenverklaring van medeplegen van oplichting door verdachte te komen. Dat betekent dat de rechtbank verdachte van het medeplegen van de oplichting van deze aangevers zal vrijspreken. [aangever 8] Bij de oplichting van [aangever 8] is geld overgeboekt naar de rekening van money mule [benadeelde 3] . Deze money mule kan in verband worden gebracht met medeverdachte [medeverdachte 2] , gelet op de door haar afgelegde getuigenverklaring. Uit onderzoek door de ING blijkt dat de limiet van de bankpas van money mule [benadeelde 3] was verhoogd vanaf een IP-adres dat in gebruik was op het adres [adres] te [woonplaats] . Dit is het adres van verdachte, maar dat gold ten tijde van het ten laste gelegde ook voor [medeverdachte 2] . Gelet hierop, in samenhang bezien met de verklaring van money mule [benadeelde 3] , komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte [medeverdachte 2] de beschikking heeft gehad over de bankpas van money mule [benadeelde 3] . Voor betrokkenheid van verdachte hierbij en dus bij de oplichting van [aangever 8] bevat het dossier geen aanwijzingen. Dat betekent dat de rechtbank verdachte van het medeplegen van deze oplichting zal vrijspreken. [aangever 15] , [aangever 16] , [aangever 19] , [aangever 20] en [aangever 21] Bij de oplichting van deze aangevers zijn er geen concrete feiten en omstandigheden die aan verdachte kunnen worden gekoppeld. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat hij bij deze oplichtingen als medepleger betrokken is geweest, zodat zij verdachte hiervan ook zal vrijspreken. Feit 3 Juridisch kader witwassen Op grond van artikel 420bis, eerste lid en onder b, van het Wetboek van Strafrecht is schuldig aan witwassen degene die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf. Of een meervoud aan gedragingen kan worden gekwalificeerd als het maken van een “gewoonte”, zoals ten laste gelegd onder artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld. Beoordeling De rechtbank leest de tenlastelegging van feit 3 in samenhang met het dossier en het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen van oplichting. Op basis hiervan gaat de rechtbank ervan uit dat het ten laste gelegde witwassen ziet op handelingen die zijn verricht met de opbrengst van het onder feit 2 ten laste gelegde misdrijf. De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan oplichtingen voor een bedrag van in totaal € 563.256,67. Verdachte en zijn mededaders hebben dit geld verworven en voorhanden gehad. Het geld is bij de cashers binnengekomen en vervolgens, gelet op de chatgesprekken waarin is gesproken over vergoedingen voor werkzaamheden en verdeelsleutels, verdeeld onder de deelnemers aan de oplichting, waaronder verdachte, de bellers en de money mules. Het geld is dus ook overgedragen. Het geld is daarnaast gebruikt en omgezet. Bij verdachte zijn immers geen grote hoeveelheden contant of giraal geld aangetroffen. In de woning van verdachte lagen wel diverse luxe goederen en aankoopbewijzen van luxe goederen. De rechtbank wijst op een bon van Louis Vuitton met een totaalbedrag van € 4.900,-, cash betaald, diverse aankoopbewijzen voor een totale waarde € 3.454,- cash betaald, en hotelrekeningen met een totale waarde van € 1.674. Verder is er een bitcoinwallet aangetroffen met daarin ongeveer 5,7 bitcoin. In chatgesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 5] , verdachtes toenmalige partner, wordt diverse malen gesproken over luxe goederen die [medeverdachte 5] van verdachte heeft gekregen, zoals een ‘Fendi tas’, ‘Loubou laarzen’ en een ‘Louis Vuitton Bumbag’. Ook laat [medeverdachte 5] weten dat ze zou begrijpen dat ze van verdachte rustig aan moet doen als hij geen ‘crimi’ zou zijn. Verder blijkt uit een chatgesprek met [bedrijf 1] op 10 maart 2020 dat verdachte een auto heeft gekocht voor zichzelf voor € 60.000,-. Dit bedrag heeft hij contant betaald. Verdachte bespreekt met de lease maatschappij een constructie waarmee de auto wel van verdachte wordt, maar niet op zijn naam komt te staan, zodat ‘ze’ de auto niet kunnen afpakken. Niet is gebleken dat verdachte in de periode waarin voornoemde uitgaven zijn gedaan beschikte over een legale inkomstenbron van dien hoogte, dat hij in staat was om alle hiervoor genoemde goederen aan te schaffen. De chatgesprekken met [medeverdachte 5] en [bedrijf 1] duiden er juist op dat de gelden een criminele herkomst hebben. De rechtbank neemt aan dat verdachte de opbrengst uit de oplichtingen waarbij hij als medepleger betrokken was, heeft aangewend om onder meer deze goederen te verwerven. Gelet op het voorgaande heeft verdachte de opbrengst uit de oplichtingen samen met de bij de diverse oplichtingen betrokken anderen verworven, voorhanden gehad, en overgedragen, en heeft hij daarna het hem toekomende deel, waarvan de rechtbank niet kan vaststellen hoeveel dat precies is geweest maar in ieder geval minder dan de totale opbrengst uit de oplichtingen waarbij hij betrokken was, deels zelf en deels samen met [medeverdachte 5] gebruikt en omgezet. Dit levert een bewezenverklaring van witwassen op, in vereniging gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders wisten dat het geld afkomstig was uit de oplichtingen, is sprake van opzetwitwassen. Omdat het witwassen ziet op geldbedragen die afkomstig zijn uit oplichtingen die herhaaldelijk en gedurende een periode van ongeveer een jaar zijn gepleegd, kan ook worden bewezenverklaard dat verdachte en zijn mededaders van het witwassen een gewoonte hebben gemaakt. Nu de rechtbank ten aanzien van het bedrag van € 563.256,67,-, voortkomend uit de oplichtingen, vaststelt dat naast het voorhanden hebben ook sprake is van overdragen, gebruiken en omzetten is de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing. Vrijspraak ten laste gelegd geldbedrag De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag van € 724.148,54. Niet bewezen is immers dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting van rekeninghouders voor dat bedrag. De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 563.256,67,- en zal verdachte voor het overige vrijspreken. Samenloop De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de oplichting en het witwassen geen sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Een dergelijke samenloop wordt alleen aangenomen indien de bewezen verklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet (meer dan enigszins) uiteenloopt. De oplichting en het witwassen leveren wel wezenlijk verschillende verwijten op. De belangen die met de twee feiten worden beschermd lopen immers sterk uiteen. In geval van oplichting wordt het belang beschermd van een specifiek persoon tegen bedrog. In geval van witwassen gaat het primair om de bescherming van de integriteit van het financiële en economische verkeer in het algemeen. In dit geval is de opbrengst van de oplichting gebruikt om luxe goederen et cetera aan te schaffen. Die handelingen liggen ten grondslag aan het delict witwassen en niet de oplichting zelf. Ook is geen sprake van een voortgezette handeling. Voor het plegen van de oplichting enerzijds en het witwassen anderzijds is immers een ander wilsbesluit nodig. Feit 4 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de heling van niet-openbare gegevens. De niet-openbare gegevens waarop de tenlastelegging ziet, betreffen zogenaamde leads. Dat zijn lijsten met onder meer rekeningnummers en telefoonnummers van personen. Uit de chatgesprekken kan worden afgeleid dat deze leads waren bedoeld voor de oplichting van rekeninghouders, oftewel, het plegen van een misdrijf. Niet vastgesteld kan echter worden dat deze leads ook door misdrijf zijn verkregen. Dat is wel nodig om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het onder feit 4 ten laste gelegde feit. Dat betekent dat de rechtbank verdachte van dit feit zal vrijspreken. Feit 5 De rechtbank acht ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van computervredebreuk door wederrechtelijk in het bancaire systeem van [benadeelde 3] binnen te dringen. Daargelaten of het ten laste gelegde een bewezenverklaring oplevert van binnendringen in een geautomatiseerd werk, oordeelt de rechtbank dat slechts vastgesteld kan worden dat er vanuit de woning van verdachte is ingelogd op de internetbankierenapplicatie van de rekening van [benadeelde 3] , maar niet dat verdachte hierbij op enige wijze betrokken is geweest. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar overwegingen bij de vrijspraak van verdachte voor de oplichting van [aangever 8] . De rechtbank zal verdachte ook van dit feit vrijspreken. Feit 1 Juridisch kader deelname aan een criminele organisatie In artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven strafbaar gesteld. Deze strafbaarstelling heeft betrekking op de persoonlijke betrokkenheid van een verdachte bij een criminele organisatie. Voor het aannemen van een organisatie als hier bedoeld moet sprake zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen twee of meer personen. Voor de deelneming aan die organisatie is van belang dat verdachte bij de organisatie hoort en een bijdrage levert aan het verwezenlijken van het doel van de organisatie. Verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat het doel van de organisatie het plegen van misdrijven is en hij moet opzet hebben op het deelnemen aan die organisatie. Als uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het doel van de organisatie of een aan die organisatie ondersteunende handeling heeft verricht, dan volgt daaruit zijn wetenschap met betrekking tot dat doel. De verdachte hoeft niet bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Beoordeling De rechtbank stelt aan de hand van de eerder besproken feitelijkheden vast dat aan het plegen van de verschillende strafbare feiten een samenwerkingsverband ten grondslag ligt. Binnen dat samenwerkingsverband werd gehandeld volgens een planmatige aanpak met een bepaalde rolverdeling en structuur. Dat was met name nodig voor het succesvol laten verlopen van de beoogde en gerealiseerde oplichtingen. Daarbij waren de onderlinge communicatie en een zorgvuldige afstemming tussen de betrokkenen van cruciaal belang. De structuur blijkt uit de afspraken die werden gemaakt over de verdeling van het geld. De periode waarin de verschillende oplichtingen zijn gepleegd, beslaat ongeveer een jaar. De rechtbank leidt hieruit af dat sprake was van een organisatie met een bepaalde duurzaamheid. Dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven, blijkt uit de overwegingen van de hiervoor besproken strafbare feiten. In de zaak van verdachte zijn het medeplegen van oplichting en het medeplegen van witwassen bewezenverklaard. Deelname door verdachte aan de criminele organisatie Dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie volgt met name uit zijn coördinerende rol. Zoals eerder overwogen, was deze rol noodzakelijk voor de onderlinge communicatie en een zorgvuldige afstemming tussen de verschillende schakels die samen tot de oplichting van rekeninghouders moesten leiden. De frequentie waarmee verdachte chatgesprekken voerde over de oplichtingspraktijken, onderstreept de intensiteit van de deelname van verdachte aan de criminele organisatie. De opbrengst van de oplichtingen heeft verdachte als medepleger witgewassen. Dat verdachte op de hoogte was van de afspraken die golden binnen de organisatie, kan mede worden afgeleid uit de inhoud van de chatgesprekken die hij met de medeverdachten voerde. Hiermee staat vast dat verdachte heeft bijgedragen aan het verwezenlijken van het gezamenlijke doel van de organisatie om misdrijven te plegen. Uit de bewezenverklaarde feiten volgt dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Uit het dossier blijkt niet dat medeverdachte [medeverdachte 5] enige directe betrokkenheid had bij de oplichtingen. Wel blijkt van betrokkenheid van [medeverdachte 5] bij het witwassen. Haar bijdrage aan het witwassen ziet echter slechts op het profiteren van een beperkt deel van het witwasbedrag. Dat alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat zij niet als medepleger van de criminele organisatie kan worden aangemerkt. Dit geldt ook voor zover ten laste is gelegde dat het samenwerkingsverband mede bestond uit medeverdachte [medeverdachte 4] , omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte ook met hem heeft samengewerkt bij het plegen van de bewezenverklaarde oplichtingen. In de zaken van verdachte is het ten laste gelegde plegen van heling van niet-openbare gegevens en computervredebreuk niet bewezenverklaard. Dat betekent dat ook niet bewezenverklaard kan worden dat het oogmerk van de criminele organisatie waaraan verdachte heeft deelgenomen mede was gericht op het plegen van dat misdrijf. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte daarom vrijspreken. De rechtbank hanteert als ingangsdatum van de periode waarin verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie de datum waarop verdachte de eerste oplichting als medepleger heeft begaan, te weten die van [aangever 6] op 17 juli 2019. Als einddatum van de deelname aan de criminele organisatie hanteert de rechtbank de datum van aanhouding van verdachte en een aantal van zijn medeverdachten, te weten 18 mei 2020. 6BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: Feit 1: in de periode van 17 juli 2019 tot en met 18 mei 2020 te Amersfoort en/of te Veendam, althans in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk 1. het plegen van oplichting als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht, en 2. het plegen van (gewoonte)witwassen als bedoeld in artikel 420ter en 420bis Wetboek van Strafrecht; Feit 2: in de periode van 17 juli 2019 tot en met 18 mei 2020, te Amersfoort en/of te Veendam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een of meer geldbedragen, in totaal 563.256,67 EURO, te weten; 4. [aangever 6] tot afgifte van 4.846,- EURO (aangifte PL0600-2019328681), en 6. [aangever 31] tot afgifte van 20.000,- EURO (aangifte PL0600-2019351866), en 7. [aangever 23] tot afgifte van 2.327,67 EURO (aangifte PL0600-2019553121), en 8. [aangever 22] tot afgifte van 14.250,- EURO (aangifte PL0100-2019323054), en 10. [aangever 9] tot afgifte van 84.280,- (aangifte PL0600-2019568197), en 12. [aangever 11] tot afgifte van 5.675,- EURO (aangifte PL1700-2020010052), , en 13. [aangever 12] tot afgifte van 51.102,- EURO (aangifte PL0900-2019391708), en 14. [benadeelde 1] tot afgifte van 9.456,- EURO (aangifte PL0900-202003559en 15. [aangever 13] tot afgifte van 53.373,- EURO (aangifte PL1300-2020007045), en 16. [aangever 24] tot afgifte van 37.633,‐ EURO (aangifte PL1100-2020002586), en 17. [aangever 25] tot afgifte van 9.487,- EURO (aangifte PL1700-2020008830), en 18. [aangever 26] tot afgifte van 18.890,- EURO (aangifte PL0100-2020007454), en 19. [aangever 27] tot afgifte van 8.979,- EURO (aangifte PL0900-2020005565), en 20. [aangever 14] tot afgifte van 82.000,- EURO (aangifte PL0600-2020010031), en 22. [aangever 28] tot afgifte van 27.478,- EURO (aangifte PL1700-2020008062) en 23. [benadeelde 2] tot afgifte van 28.461,- EURO (aangifte PL1100-2020008680), en 25. [aangever 17] tot afgifte van 46.994,- EURO (aangifte PL0600-2020020243), en 26. [aangever 18] tot afgifte van 48.198,- EURO (aangifte PL0100-2020020244), en 27. [aangever 30] tot afgifte van 9.827 EURO (aangifte PL01500-2020127841) door telkens voorgenoemde geldbedragen op/naar bankrekeningen van een of meerdere zogenaamde money-mules te (laten) storten/over te (laten) boeken, waarna voorgenoemde geldbedrag(
  3. en)opgenomen werden bij verschillende bankautoma(a)t(
  4. en)door een of meerdere mededaders, en door telkens - meerdere van de voorgenoemde personen een e-mail te sturen waarin werd medegedeeld dat een “nieuwe incassant is gemachtigd” van de bankrekening van die voorgenoemde personen en vervolgens die personen telefonisch te benaderen en/of te doen laten benaderen door iemand die zich voordeed als een beveiliger/medewerker van de ABN Amro bank, Rabobank of ING Bank, of - meerdere van de voorgenoemde personen direct telefonisch te benaderen en/of te doen laten benaderen door iemand die zich voordeed als een beveiliger/medewerker van de ABN Amro bank, Rabobank en ING Bank, en - daarbij een telefoonnummer welke afkomstig leek te zijn van de ABN Amro bank, Rabobank of ING Bank, een zogenaamd gespooft telefoonnummer, te (laten) gebruiken, en - daarbij voorgenoemde personen te verwijzen naar de website van de ABN Amro bank, Rabobank of ING Bank ter controle/herkenning van het telefoonnummer waarmee gebeld werd, en/of - meerdere van de voorgenoemde personen ertoe te bewegen om inloggegevens voor internetbankieren en/of een code en/of TAN-code, althans een autorisatiecode, voor de autorisatie van het inloggen en/of van een overschrijving in te vullen, en/of - meerdere van voorgenoemde personen mede te delen dat de bankrekening van voorgenoemde personen gehackt zou zijn en dat er een (grote) incasso of geld overboeking naar het buitenland zou gaan plaatsvinden of dat er getracht is geld van de bankrekening te halen, en - voorgenoemde personen mede te delen dat het geld op de bankrekening van voorgenoemde personen veiliggesteld kon worden door dat geld over te boeken naar een of meerdere zogenaamde (beveiligde) kluisrekeningen of veilige/beveiligde bankrekeningen, en - vervolgens aan voorgenoemde personen telefonisch door te geven naar welke zogenaamde kluisrekeningen en/of veilige/beveiligde bankrekeningen het geld overgeboekt kon worden, en/of - meerdere voorgenoemde personen het programma Teamviewer te laten installeren om het overboeken naar de zogenaamde kluisrekeningen of veilige/beveiligde bankrekeningen te vergemakkelijken, opdat voorgenoemde personen het geld niet zouden kwijt raken; Feit 3: in de periode van 17 juli 2019 tot en met 18 mei 2020 te Amersfoort en/of te Veendam en/of te Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders, voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen van in totaal € 563.256,67 EURO voorhanden gehad en verworven en overgedragen en telkens voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedragen omgezet en daarvan gebruik gemaakt, terwijl, verdachte en zijn mededaders wisten dat voorgenoemde voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 7STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Geen kwalificatie-uitsluitingsgrond voor (een deel van) het witwasbedrag (feit 2) De rechtbank stelt voorop dat noch de tekst van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht, noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Uit de wetsgeschiedenis volgt echter ook dat in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Van het totaalbedrag van € 563.256,67 heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte en zijn mededaders dit bedrag, dat afkomstig is uit een door henzelf begaan misdrijf, hebben verworven en voorhanden gehad. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat verdergaande witwashandelingen, zoals het overdragen, gebruikmaken en omzetten van dat geld hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat het gehele geldbedrag van het onder 2 bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen en daarmee een strafbaar feit oplevert. Er zijn geen gronden om verdachte voor (een deel van) dit bedrag te ontslaan van alle rechtsvervolging. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: Feit 1 Deelneming aan en criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; Feit 2 Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd; Feit 3 Medeplegen van gewoontewitwassen. 8STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9OPLEGGING VAN STRAF 9.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 66 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht om opheffing van de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan de officier van justitie is gevorderd. Volgens hem is de gevorderde straf te hoog, in vergelijking met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Een gevangenisstraf van 24 tot maximaal 30 maanden is in de visie van de raadsman redelijk. Daarbij moet rekening worden gehouden met het tijdsverloop sinds de pleegdata van de bewezen verklaarde feiten. Voor opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bestaat volgens de raadsman geen aanleiding. Hij heeft dan ook verzocht de schorsing te continueren, zonder de voorwaarden die zien op het reclasseringscontact en het contactverbod. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Inleidende opmerkingen met betrekking tot de strafoplegging Bij de oplegging van een straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken. De ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd Verdachte heeft zich samen met anderen in de eerste plaats schuldig gemaakt aan de oplichting van 19 particuliere rekeninghouders van diverse banken. Het totale benadelingsbedrag van deze oplichtingen bedraagt € 563.256,67. Dit heeft hij gedurende de periode van ongeveer een jaar in georganiseerd verband, op planmatige en geraffineerde wijze gedaan. Door deze planmatige en geraffineerde handelwijze waren verdachte en zijn mededaders in staat om in relatief korte tijd veel slachtoffers te maken en grote geldbedragen te innen. Het geld dat verdachte en zijn medeverdachten van de slachtoffers afhandig hebben gemaakt, bestond in een aantal gevallen uit spaargeld dat was bedoeld om in de oude dag van deze slachtoffers te voorzien. De slachtoffers vertrouwden erop dat zij dit geld op een veilige manier hadden ondergebracht bij de bank. Het vertrouwen dat banken een veilige plek zijn om spaargeld te bewaren, is door verdachte en zijn medeverdachten ernstig geschaad. En dat geldt ook voor het vertrouwen van de slachtoffers in het digitale betalingsverkeer in het algemeen. In deze tijd, waarin online betalen aan de orde van de dag is en natuurlijke personen hiervan afhankelijk zijn, is dit vertrouwen van groot belang. Het schaden van het vertrouwen in het digitale betalingsverkeer heeft daardoor niet alleen negatieve gevolgen voor de slachtoffers van deze zaak, maar ook voor de maatschappij in het algemeen. Het handelen in georganiseerd verband is bewezenverklaard als deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank ziet in het dossier aanwijzingen dat verdachte als deelnemer aan die organisatie nog meer oplichtingen heeft gepleegd dan op de tenlastelegging staan vermeld. De chatgesprekken die zich in het dossier bevinden geven immers een beeld van een doorlopend proces van bellen, cashen en andere activiteiten die nodig waren om tot een geslaagde oplichting van rekeninghouders te komen. Verdachte stuurde bellers, cashers en money mules aan tot diep in de nacht en vanaf vroeg in de ochtend. Meerdere bellers waren gelijktijdig voor hem actief en in één van de gesprekken benoemde hij dat bij wekelijks tonnen aan contant geld voorhanden had. Uit de gesprekken komt ook naar voren dat verdachte ging over de verdeling van de opbrengst. Dat alles duidt erop dat verdachte een coördinerende en daarmee een grote, belangrijke rol vervulde in het geheel. De rechtbank zal dit ten nadele van verdachte meewegen. Verdachte heeft zich als medepleger ten slotte schuldig gemaakt aan het witwassen van de opbrengst van de oplichtingen. Daarmee heeft hij de integriteit van het financiële en economische verkeer ondermijnd. Ook dat is schadelijk voor de maatschappij in het algemeen. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij voor deze nadelige gevolgen van zijn handelen geen oog heeft gehad. Hij heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële belangen en daarbij niet stil gestaan bij de gevolgen voor de slachtoffers en de maatschappij. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De justitiële documentatie van verdachte van 6 december 2021 laat zien dat hij eerder voor vermogensfeiten is veroordeeld. Het betreffen met name veroordelingen door de politierechter voor lichtere strafbare feiten, de laatste in 2016. Een zwaardere veroordeling dateert van 2011. Dat betekent dat op basis van de justitiële documentatie van verdachte geen sprake is van relevante recidive die strafverzwarend werkt. Relevant is wel dat verdachte voor deze strafzaak reeds 334 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Deze voorlopige hechtenis is in april 2021 geschorst tot aan het moment van de uitspraak. Over de persoonlijke omstandigheden van verdachte is verder weinig naar voren gebracht. Er is over hem ook geen reclasseringsrapport opgemaakt. Er zijn dan ook geen bijzondere persoonlijke omstandigheden die de rechtbank zal meewegen bij de strafoplegging. De straf Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld. Bij de raadpleging van de oriëntatiepunten vormt de bewezenverklaring van de rechtbank het uitgangspunt. Het zwaartepunt van de bewezenverklaring in deze zaak wordt gevormd door de gepleegde oplichting van 19 rekeninghouders. Voor dergelijke oplichtingen bestaan geen landelijke oriëntatiepunten voor de rechtspraak. Er bestaan weliswaar oriëntatiepunten voor fraude in het algemeen, maar deze oriëntatiepunten doen onvoldoende recht aan de ernst en aard van de oplichtingen zoals hier aan de orde. De rechtbank zal daarom vooral kijken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Net als in vergelijkbare zaken is de rechtbank in deze zaak van oordeel dat met geen andere straf kan worden volstaan dan met het opleggen van een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Bovendien dient deze straf van aanzienlijke duur te zijn. De rechtbank wil namelijk dat hiervan een afschrikwekkend effect uitgaat, nu deze manier van oplichting relatief gemakkelijk is uit te voeren en de gevolgen voor slachtoffers groot is. De rechtbank betrekt hierbij dat verdachte zich aan meerdere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Daarbij is geen sprake van eendaadse samenloop. Wel hangen de verschillende strafbare feiten met elkaar samen, zodat de overige bewezenverklaarde feiten in strafverzwarende zin worden betrokken. De rechtbank neemt in strafverminderende zin mee dat verdachte niet van de gehele opbrengst van de oplichtingen heeft geprofiteerd. De opbrengst werd steeds volgens een bepaalde verhouding verdeeld onder alle betrokkenen, waarvan verdachte er één was. De raadsman heeft nog aangevoerd dat in het voordeel van verdachte moet worden meegenomen dat het om oude feiten gaat en dat de overschrijding van de redelijke termijn in zicht komt. De rechtbank gaat hier niet in mee. Van een overschrijding van de redelijke termijn is nog geen sprake en ook overigens ziet zij in de ouderdom van de feiten geen aanleiding voor strafvermindering. De aard van de feiten kenmerkt zich bovendien door complexiteit, hetgeen leidt tot langdurig onderzoek. De rechtbank concludeert dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, in dit geval passend is. De rechtbank komt daarmee tot de oplegging van een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd. Daaraan ligt onder meer ten grondslag dat de rechtbank tot een andere, beperktere bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 en vrijspraak van de feiten 4 en 5 is gekomen. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Voorlopige hechtenis Dit veroordelend vonnis vormt op grond van artikel 75, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering een zelfstandige grond voor voorlopige hechtenis. De rechtbank acht het maatschappelijk niet aanvaardbaar als verdachte, van wie thans de betrokkenheid bij ernstige vermogensfeiten is vastgesteld, mede gelet op de rol die hij daarin had, een (eventueel) hoger beroep in vrijheid zou mogen afwachten. Gelet hierop zal de rechtbank met ingang van de datum van dit vonnis de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis opheffen. Niet gebleken is van zwaarwegende (persoonlijke) omstandigheden die daaraan in de weg staan. 10BESLAG 10.1 De in beslag genomen goederen Onder verdachte is een groot aantal goederen in beslag genomen. Als bijlage III bij dit vonnis is de beslaglijst gevoegd, waarop alle in beslag genomen goederen staan vermeld. Het betreft zowel conservatoir beslag, als strafvorderlijk beslag. 10.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag moet worden gehandhaafd, voor zover dat is gelegd op conservatoire titel. Het betreft steeds goederen van waarde. Verder heeft de officier van justitie verzocht om verbeurdverklaring van alle op de beslaglijst opgenomen gegevensdragers, zoals telefoons en laptops. Dat geldt ook voor de gegevensdragers die niet zijn onderzocht doordat deze niet uitgelezen konden worden. Niet uitgesloten kan worden dat hierop gegevens staan die, bij teruggave, gebezigd kunnen worden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Stortingsbewijzen en aankoopbonnen maken onderdeel uit van het dossier. Hierover hoeft in de visie van de officier van justitie geen beslissing te worden genomen. 10.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om teruggave van de in beslag genomen auto van het merk Audi A6, kenteken [kenteken] , en van de in beslag genomen auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken] . Volgens de raadsman bevinden zich geen stukken in het dossier waaruit blijkt dat hierop beslag op conservatoire titel is gelegd. Ook is niet gebleken dat deze auto’s door middel van of uit baten van een strafbaar feit zijn verkregen, noch dat met behulp van deze auto’s het feit is begaan. Er is daarom ook geen grond voor verbeurdverklaring van deze auto’s. De raadsman heeft zich verder verzet tegen verbeurdverklaring van de in beslag genomen gegevensdragers, voor zover niet vast staat dat hiermee een bewezenverklaard strafbaar feit is begaan. Voor die gegevensdragers bestaat geen juridische grondslag voor verbeurdverklaring. 10.4 Het oordeel van de rechtbank Verbeurdverklaring De rechtbank is van oordeel dat alleen een grond bestaat voor verbeurdverklaring, voor zover het in beslag genomen goed door middel van of uit de baten van een strafbaar feit is verkregen, voor zover met betrekking tot het in beslag genomen goed een strafbaar feit is begaan, dan wel voor zover met behulp van het in beslag genomen goed een strafbaar feit is begaan. Dat betekent dat geen grond bestaat voor verbeurdverklaring van de in beslag genomen gegevensdragers waarvan niet is gebleken dat deze bij het plegen van de oplichtingen zijn gebruikt. Deze gegevensdragers moeten daarom worden teruggegeven aan verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de volgende goederen op de lijst in beslag genomen voorwerpen, die staan onder het kopje ‘verbeurd verklaren’, wel voor verbeurdverklaring in aanmerking komen, omdat met behulp hiervan de bewezenverklaarde oplichtingen zijn gepleegd. Het gaat om de volgende goederen: MD3R019160_597740 Apple Iphone 11 MD3R019160_597763 Telefoon, Apple Iphone 7 MD3R019160_597764 Apple Iphone 6S Verder komen voor verbeurdverklaring in aanmerking die goederen en geldbedragen waarop strafvorderlijk beslag is gelegd en waarvan aannemelijk is dat deze door middel van of uit de baten van een strafbaar feit zijn verkregen. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte deze goederen en geldbedragen heeft aangeschaft dan wel verkregen uit de opbrengst van de door hem als medepleger begane oplichtingen dan wel uit de opbrengst van zijn deelname aan de criminele organisatie. Het gaat om de volgende goederen en geldbedragen: MD3R019160_599757 5,73357045 BTC MD3R019160_679442 [kenteken] , Audi, A6 , avant PL0600-00002021193521- EUR 3.290,65 (leeg) [adres] [woonplaats] MD3R019160_597742 1 x 20, 1x 10, 1 x 5 MD3R019160_597869 Mercedes [kenteken] Rijdbaar MD3R019160_602308 Trui Stone IslandNieuw in verpakking €200,- MD3R019160_602311 Louis Vuitton zonnebril. MD3R019160_597741 Tasje MD3R019160_597744 Polo MD3R019160_597745 Polo MD3R019160_597746 Polo MD3R019160_597747 Polo MD3R019160_597748 Polo MD3R019160_597749 Polo MD3R019160_597750 trui MD3R019160_597751 Bodywarmer MD3R019160_597752 trui MD3R019160_597753 Polo MD3R019160_597754 schoenen MD3R019160_597756 8 x 50, 1 x 20, 1 x 10 MD3R019160_597757 1 x 100, 18 x 10, 4 x 5, 147 x 20, 49 x 50 MD3R019160_597758 4 x 100, 1 x 200 MD3R019160_597759 14 x 500, 1 x 50 Pakistan rupee MD3R019160_597769 trainingsjack MD3R019160_597770 Hoody MD3R019160_597771 Jack MD3R019160_597772 Bodywarmer MD3R019160_597773 trainingsjack + broek MD3R019160_597774 Jas MD3R019160_597783 stukjes bank biljetten Ook de in beslag genomen bankpas van [rekeninghouder 1] komt voor verbeurdverklaring in aanmerking, omdat met behulp van deze bankpas de oplichting van [aangever 8] is gepleegd. De bankpas staat op de lijst als volgt vermeld: MD3R019160_597781 Bankpas tnv [rekeninghouder 1] Teruggave aan verdachte Zoals hiervoor overwogen, komen wel voor teruggave in aanmerking die gegevensdragers waarvan niet vast staat dat deze bij het plegen van de oplichtingen zijn gebruikt. Ook komen voor teruggave in aanmerking aankoopbewijzen, facturen en stortingsbewijzen. Ten aanzien van deze goederen bestaat niet langer een strafvorderlijk belang. Een kopie hiervan kan worden opgenomen/achterblijven in het dossier. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte van de volgende goederen: MD3R019160_597777 ING stortingsbewijs MD3R019160_597743 Factuur de Bijenkorf MD3R019160_597755 LV bon MD3R019160_597775 factuur Mercure hotel MD3R019160_597776 factuur Mercure hotel twv 897,- MD3R019160_597778 briefje met codes MD3R019160_597780 Diverse administratie MD3R019160_597782 Bankpas nr. [nummer] MD3R019160_597739 MOBIELE TELEFOON MD3R019160_597760 blanco pas MD3R019160_597761 HP desktop MD3R019160_597762 Lenovo Laptop MD3R019160_597765 MOBIELE TELEFOON MD3R019160_597766 Laptop MSI MD3R019160_597767 MOBIELE TELEFOON INCL HOES MD3R019160_597768 Nokia MD3R019160_597779 HP laptop Conservatoir beslag Voor zover op de hiervoor genoemde goederen ook conservatoir beslag rust, blijft dit hierop rusten. De beslissingen van de rechtbank hebben enkel betrekking op het strafvorderlijk beslag. 11BENADEELDE PARTIJ 11.1 De vorderingen ABN AMRO bank De ABN AMRO bank heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 610.045,49, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade ontstaan door (gedeeltelijke) vergoeding van de schade van de slachtoffers van oplichting (feit 2), te weten [aangever 15] , [aangever 14] , [aangever 11] , [aangever 27] , [aangever 26] , [aangever 24] , [aangever 25] , [aangever 13] , [benadeelde 1] , [aangever 10] , [aangever 9] namens [bedrijf 2] BV, [aangever 28] , [aangever 16] en [aangever 17] . Op de terechtzitting heeft de ABN AMRO bank de vordering verhoogd met een bedrag van € 28.334,47, betreffende de aan toegezegde vergoeding van de materiële schade van [benadeelde 2] . Er is ook schade vergoed aan andere rekeninghouders. Daarnaast heeft de ABN AMRO bank als proceskosten de vergoeding van onderzoekskosten gevorderd ten bedrage van € 9.840,-. Rabobank De Rabobank heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 65.612,92, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade ontstaan door (gedeeltelijke) vergoeding van de schade van slachtoffers van oplichting (feit 2), te weten [aangever 18] , [aangever 6] , [aangever 20] en [aangever 21] . In het gevorderde bedrag aan materiële schade zitten ook onderzoekskosten begrepen ten bedrage van € 1.080,-. ING bank De ING bank heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 20.016,67, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade ontstaan door (gedeeltelijke) vergoeding van de schade van slachtoffers van oplichting (feit 2), te weten [aangever 7] , [aangever 9] en [aangever 30] . In het gevorderde bedrag aan materiële schade zitten ook onderzoekskosten begrepen ten bedrage van € 180,-. Particuliere benadeelde partijen [aangever 16] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 3.765,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [aangever 18] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 48.448,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 48.198,- aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade. [aangever 31] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 19.558,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [aangever 10] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd, maar vordert geen schadevergoeding. [aangever 9] heeft zich namens [bedrijf 2] BV als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 88.101,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 83.101,- aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade. Daarnaast wordt € 100,- aan proceskosten gevorderd. [aangever 14] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 86.151,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [aangever 17] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 46.994,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [aangever 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 11.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, na vergoeding door de ABN AMRO bank van een bedrag van € 7.816,35 van haar totale schade van € 18.816,35. [aangever 12] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 51.102,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [aangever 27] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 8.979,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [aangever 5] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 5.341,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 4.841,- aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade. [aangever 24] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd, maar heeft geen schadevergoeding gevorderd. [benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd maar heeft haar vordering van € 28.461,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, op de terechtzitting ingetrokken. [aangever 13] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd, en vordert een bedrag van € 54.850,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [aangever 8] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 42.195,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [aangever 25] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 9.487,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [aangever 11] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 5.675,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [aangever 15] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 9.338,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [aangever 19] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 17.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. 11.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen volledig voor toewijzing vatbaar zijn, behalve voor zover het gaat om het volgende: De vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 12] , [aangever 14] , [aangever 24] , [aangever 15] , [aangever 25] , [aangever 16] , [aangever 27] en [aangever 11] zijn geheel door de ABN AMRO bank vergoed. Deze benadeelde partijen moeten daarom in hun vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Van de vordering van [aangever 18] is de materiële schade vergoed door de Rabobank. De benadeelde partij moet daarom in dat gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De gevorderde immateriële schade van € 250,- is wat de officier van justitie betreft voor toewijzing vatbaar. Van de vordering die [aangever 9] namens [bedrijf 2] BV heeft ingediend, is een gedeelte van de materiële schade door de banken vergoed. De ING bank heeft een bedrag van € 7.000,- vergoed. ABN AMRO bank heeft een bedrag van € 71.907,- vergoed. Dat betekent dat van de gevorderde materiële schade een bedrag € 15.494,- resteert dat voor toewijzing vatbaar is. De gevorderde proceskosten van € 100,- voor Stichting [stichting] zijn volgens de officier van justitie niet toewijsbaar. Van de gevorderde immateriële schade is wat de officier van justitie betreft een bedrag van € 500,- voor toewijzing vatbaar. Voor het overige gedeelte van de gevorderde materiële en immateriële schade moet de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor zover de vordering ziet op de gemaakte proceskosten, moet de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Van de vordering van [aangever 8] is een gedeelte van € 16.949,40 van de materiële schade door de ABN AMRO bank vergoed. Dat betekent dat van de gevorderde materiële schade een bedrag € 25.246,- resteert dat voor toewijzing vatbaar is. Voor het overige gedeelte van de vordering moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Van de vordering van [aangever 17] is een gedeelte van € 1.165,- door de ABN AMRO bank vergoed. Dat betekent dat van de gevorderde materiële schade een bedrag € 45.829,- resteert dat voor toewijzing vatbaar is. Voor het overige gedeelte van de vordering moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. 11.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voor toewijzing vatbaar zijn, voor zover de oplichting bewezen is verklaard, deze vorderingen zien op de gevorderde materiële schade die nog niet is vergoed en voor zover deze voldoende zijn onderbouwd. Onvoldoende onderbouwd zijn volgens de raadsman de gevorderde onderzoekskosten van de ABN AMRO- en de Rabobank en de proceskosten van [aangever 9] . Indien een hoger bedrag wordt gevorderd dan het bedrag waarvoor de benadeelde partij is opgelicht, dient het toe te wijzen bedrag te worden gematigd tot het bedrag in de bewezenverklaring. Voor het overige gedeelte van het gevorderde bedrag ontbreekt dan immers het causaal verband. De immateriële schade die door enkelen is gevorderd is volgens de verdediging niet voor toewijzing vatbaar. 11.4 Het oordeel van de rechtbank Schadevergoedingsmaatregel Vooruitlopend op de beoordeling van de vorderingen van de verschillende benadeelde partijen overweegt de rechtbank dat zij de schadevergoedingsmaatregel op zal leggen bij toe te wijzen vorderingen van natuurlijke personen. De schadevergoedingsmaatregel is er namelijk om natuurlijke personen te ontlasten bij de inning van schadevergoeding. Een rechtspersoon mag in beginsel geacht worden zelf de wegen te kennen om een vordering te incasseren, in tegenstelling tot een natuurlijke persoon. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om van dit beginsel af te wijken. Verder maakt de rechtbank ten aanzien van de gevorderde schadevergoedingsmaatregel door de particuliere rekeninghouders de volgende opmerkingen. In geval van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel bij de toewijzing van de vorderingen van de particuliere rekeninghouders zal daaraan vervangende gijzeling worden verbonden. Voor de bepaling van de omvang van de vervangende gijzeling is het bepaalde in artikel 36f, vijfde lid, juncto artikel 24c, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Hieruit volgt dat de totale vervangende gijzeling ten minste een dag en ten hoogste een jaar mag belopen. Deze maximale duur aan vervangende gijzeling wordt in de oriëntatiepunten van het LOVS gehanteerd bij een schadebedrag van € 74.000,- en meer. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in geval van feiten gepleegd vóór 25 juli 2020 vervangende gijzeling geldt van ten hoogste [verbalisant 3] dagen. Zoals hierna zal blijken zullen de vorderingen van benadeelde partijen worden toegewezen tot grote geldbedragen. Deze geldbedragen zullen tezamen ook meer bedragen dan € 74.000,-. De rechtbank zal de vervangende gijzeling van in totaal [verbalisant 3] dagen naar rato verdelen over de toe te wijzen vorderingen van de benadeelde partijen. ABN AMRO bank Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering toewijzen voor zover deze ziet op de vergoeding van de materiële schade van [aangever 14] (€ 87.151,-), [aangever 27] (€ 8.979,-), [aangever 26] (€ 11.330,-), [aangever 24] (€ 37.695,-), [aangever 25] (€ 9.484,-), [aangever 13] (€ 54.850,-), [benadeelde 1] (€ 9.456,-), [aangever 9] , namens [bedrijf 2] BV (€ 71.907,-), [aangever 28] (€ 27.478,-), [aangever 17] (€ 1.165,-), [benadeelde 2] (€ 28.334,47) en [aangever 11] (5.675,-). In totaal betreft dit een bedrag van € 353.504,47. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor zover deze ziet op schade die is vergoed aan slachtoffers die niet in het bewezenverklaarde feit voorkomen. Ten aanzien van deze slachtoffers is namelijk geen sprake van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het door verdachte gepleegde strafbare feit. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaren, voor zover deze ziet op de onderzoekskosten die zijn gemaakt ten behoeve van slachtoffers die niet in het bewezenverklaarde feit voorkomen. Door de ABN AMRO bank is niet onderbouwd hoeveel tijd is besteed aan de afhandeling per slachtoffer. Op basis van haar schattingsbevoegdheid bepaalt de rechtbank dat per slachtoffer één uur aan arbeid redelijk is. Het arbeidsloon bepaalt zij, conform de vordering van de ABN AMRO bank, op € 120,- per uur. Van de slachtoffers die deel uitmaken van de vordering, staan er 11 in de bewezenverklaring. Dat betekent dat van de gevorderde onderzoekskosten een bedrag van € 1.320,- voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige gedeelte van de gevorderde onderzoekskosten niet-ontvankelijk verklaren. Het totaal toe te wijzen bedrag aan materiële schade komt daarmee op € 354.824,47,-. Dit schadebedrag dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente. Door de bank zijn de aangevers op verschillende momenten tussen begin januari en eind maart 2021 schadeloos gesteld. Om die reden zal de rechtbank als ingangsdatum van de wettelijke rente de datum midden in die periode nemen te weten 15 februari 2021 tot de dag van volledige betaling. Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader(
  5. s)hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. Rabobank Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering toewijzen voor zover de vordering ziet op de vergoeding aan [aangever 18] (€ 48.198,-) betaald op 12 februari 2020 en [aangever 6] (€ 4.826,-) betaald op 2 augustus 2019. In totaal betreft dit een bedrag van € 53.024,-. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor zover deze ziet op schade die is geleden door slachtoffers die niet in het bewezenverklaarde feit voorkomen. Ten aanzien van deze slachtoffers is namelijk geen sprake van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het door verdachte gepleegde strafbare feit. De gevorderde onderzoekskosten komen gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Net als bij de vordering van de ABN AMRO bank bepaalt de rechtbank op basis van haar schattingsbevoegdheid dat per slachtoffer één uur aan arbeid redelijk is. Het arbeidsloon bepaalt zij, conform de vordering van de Rabobank, op € 120,- per uur. Dat betekent dat van de gevorderde onderzoekskosten een bedrag van € 240,- voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige gedeelte van de gevorderde onderzoekskosten niet-ontvankelijk verklaren. Het totaal toe te wijzen bedrag aan materiële schade komt daarmee op € 53.264,-. Dit schadebedrag dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 februari 2020 over € 48.198,- en € 120,- ( [aangever 18] ) vanaf 2 augustus 2019 over € 4.826,- en € 120,- ( [aangever 6] ), zijnde de data waarop de benadeelde de vergoedingen aan de rekeninghouders heeft betaald, tot de dag van volledige betaling, tot de dag van volledige betaling. Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader(
  6. s)hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. ING bank Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering toewijzen voor zover de vordering ziet op de vergoeding aan [aangever 9] (€ 10.535,80) en [aangever 30] (€ 9.257,91). In totaal betreft dit een bedrag van € 19.793,71. De gevorderde onderzoekskosten ten bedrage van in totaal € 180,- komen ook voor vergoeding in aanmerking. Het totale toe te wijzen bedrag aan materiële schade komt daarmee op € 19.793,71. Dit schadebedrag zal worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 januari 2021 over € 9.257,91 en € 90,- ( [aangever 30] ) en vanaf 20 januari 2021 over € 10.535,80 en € 90,- ( [aangever 9] ), zijnde de data waarop de benadeelde de vergoedingen aan de rekeninghouders heeft betaald, tot de dag van volledige betaling. Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader(
  7. s)hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. Particuliere benadeelde partijen [aangever 16] De rechtbank zal [aangever 16] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu zij verdachte vrijspreekt van de oplichting van [aangever 16] . Ten aanzien van deze benadeelde partij is dus geen sprake van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het door verdachte gepleegde strafbare feit. [aangever 16] zal worden veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. [aangever 18] Vaststaat dat de benadeelde partij [aangever 18] als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [aangever 18] afwijzen voor zover de vordering ziet op de materiële schade. Dat betreft een bedrag van € 48.198,-. Dit deel van de vordering is immers al door de Rabobank vergoed, zodat geen sprake meer is van materiële schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezenverklaarde feit. Voor zover de vordering ziet op immateriële schade, zal de rechtbank deze ook afwijzen. Dat betreft een bedrag van € 250,-. De gevorderde immateriële schade ziet in dit geval op schade ten gevolge van een vermogensdelict. Immateriële schade komt op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek in beginsel alleen voor vergoeding in aanmerking als sprake is van lichamelijk letsel. Onder omstandigheden komt ook geestelijk letsel voor vergoeding in aanmerking, maar dan moet het bestaan van dat letsel wel door concrete gegevens worden onderbouwd, bijvoorbeeld door een verklaring van een psychiater of een psycholoog. De rechtbank is van oordeel dat er van dergelijk geestelijk letsel geen sprake is. De toelichting van de benadeelde partij dat hij slapeloze nachten heeft en gevoelens van wantrouwen en schaamte, is hiervoor, hoe vervelend ook, onvoldoende. Ook is geen sprake van een situatie waarbij de aard en ernst van de normschending zodanig zijn dat deze meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat een aantasting van persoon ook zonder concrete onderbouwing kan worden aangenomen. In de omstandigheid dat de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen als gevolg van schadeloosstelling door de bank ziet de rechtbank aanleiding om verdachte hoofdelijk te veroordelen in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt. Deze kosten zijn begroot op nihil. [aangever 31] Vaststaat dat de benadeelde partij [aangever 31] als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 19.558,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 5 augustus 2019 tot de dag van volledige betaling. Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader(
  8. s)hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 31] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 19.558,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 5 augustus 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 72 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 31] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Verdachte zal ook hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. [aangever 10] De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [aangever 10] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu zij verdachte vrijspreekt van de oplichting van [aangever 10] . Ten aanzien van deze benadeelde partij is dus geen sprake van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het door verdachte gepleegde strafbare feit. [aangever 10] zal worden veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. [aangever 9] Vaststaat dat de benadeelde partij [aangever 9] als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [aangever 9] afwijzen voor zover zijn vordering ziet op de materiële schade die al door de ING- en ABN AMRO bank is vergoed. Dat betreft een bedrag van in totaal € 82.442,80. In zoverre is immers geen sprake meer van materiële schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezenverklaarde feit. Voor zover de vordering ziet op immateriële schade, zal de rechtbank deze ook afwijzen. Dat betreft een bedrag van € 5.000,-. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen zij naar aanleiding van de vordering van [aangever 18] over immateriële schade heeft overwogen. Ook in het geval van [aangever 9] is het bestaan van het voor toewijzing van de gevorderde immateriële schade noodzakelijke geestelijk letsel niet aannemelijk geworden. Ook is geen sprake van een situatie waarbij de aard en ernst van de normschending zodanig zijn dat deze meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat een aantasting van persoon ook zonder concrete onderbouwing kan worden aangenomen. De gevorderde proceskosten die zien op een bijdrage aan de Stichting [stichting] komen ook niet voor vergoeding in aanmerking. Dat zijn immers geen proceskosten die zien op het indienen van de onderhavige vordering. De rechtbank ziet deze kosten ook overigens niet als materiële schade rechtstreeks geleden als gevolg van de oplichting. In de omstandigheid dat de vordering wordt afgewezen als gevolg van schadeloosstelling door de bank ziet de rechtbank aanleiding om verdachte hoofdelijk te veroordelen in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt. Deze kosten zijn begroot op nihil. De gevorderde proceskosten die zien op een bijdrage aan voorde Stichting [stichting] komen ook niet voor vergoeding in aanmerking. Dat zijn immers geen proceskosten die zien op het indienen van de onderhavige vordering. De rechtbank ziet deze kosten ook overigens niet als materiële schade rechtstreeks geleden als gevolg van de oplichting. [aangever 14] Vaststaat dat de benadeelde partij [aangever 14] als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [aangever 14] afwijzen, nu haar vordering ziet op schade die al door de ABN AMRO bank is vergoed. Dat betekent dat ten aanzien van deze benadeelde partij geen sprake meer is van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezenverklaarde feit. In de omstandigheid dat de vordering wordt afgewezen als gevolg van schadeloosstelling door de bank ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. [aangever 17] Vaststaat dat de benadeelde partij [aangever 17] als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [aangever 17] afwijzen voor zover deze ziet op de materiële schade die al door de ABN AMRO bank is vergoed. Dat betreft een bedrag van € 1.156,-. In zoverre is geen sprake meer van materiële schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezenverklaarde feit. Het overige gedeelte van de vordering is wel voor toewijzing vatbaar. Dat betreft een bedrag van € 45.838,-. Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader(
  9. s)hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 17] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 45.838,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 januari 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 144 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 17] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Verdachte zal ook hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. [aangever 3] De rechtbank zal de benadeelde partij [aangever 3] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu zij verdachte vrijspreekt van de oplichting van [aangever 3] . Ten aanzien van deze benadeelde partij is dus geen sprake van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het door verdachte gepleegde strafbare feit. [aangever 3] zal worden veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. [aangever 12] Vaststaat dat de benadeelde partij [aangever 12] als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 51.102,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 december 2019 tot de dag van volledige betaling. Benadeelde partij [aangever 12] staat weliswaar als benadeelde rekeninghouder genoemd op de bijlage van de vordering van de ABN AMRO bank, maar niet gebleken is dat aan deze benadeelde partij een vergoeding is toegekend door de ABN AMRO bank. Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader(
  10. s)hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 12] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 51.102,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 december 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 144 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 12] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Verdachte zal ook hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. [aangever 27] Vaststaat dat de benadeelde partij [aangever 27] als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering afwijzen, nu deze ziet op schade die al door de ABN AMRO bank is vergoed. Dat betekent dat ten aanzien van deze benadeelde partij geen sprake meer is van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezenverklaarde feit. In de omstandigheid dat de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen als gevolg van schadeloosstelling door de bank ziet de rechtbank aanleiding om verdachte hoofdelijk te veroordelen in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt. Deze kosten zijn begroot op nihil. [aangever 5] De rechtbank zal de benadeelde partij [aangever 5] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu zij verdachte vrijspreekt van de oplichting van [aangever 5] . Ten aanzien van deze benadeelde partij is dus geen sprake van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het door verdachte gepleegde strafbare feit. [aangever 5] zal worden veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. [aangever 24] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd, maar heeft geen schadevergoeding gevorderd. Dat betekent dat er geen grondslag voor vergoeding is. De rechtbank zal [aangever 24] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. [aangever 24] zal worden veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. [benadeelde 2] De rechtbank neemt geen beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] , nu zij deze op de terechtzitting heeft ingetrokken. [aangever 13] Vaststaat dat de benadeelde partij [aangever 13] als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering afwijzen, nu deze ziet op schade die al door de ABN AMRO bank is vergoed. Dat betekent dat ten aanzien van deze benadeelde partij geen sprake meer is van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezenverklaarde feit. In de omstandigheid dat de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen als gevolg van schadeloosstelling door de bank ziet de rechtbank aanleiding om verdachte hoofdelijk te veroordelen in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt. Deze kosten zijn begroot op nihil. [aangever 8] De rechtbank zal de benadeelde partij [aangever 8] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu zij verdachte vrijspreekt van de oplichting van [aangever 8] . Ten aanzien van deze benadeelde partij is dus geen sprake van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het door verdachte gepleegde strafbare feit. [aangever 8] zal worden veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. [aangever 25] Vaststaat dat de benadeelde partij [aangever 25] als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering afwijzen, nu deze ziet op schade die al door de ABN AMRO bank is vergoed. Dat betekent dat ten aanzien van deze benadeelde partij geen sprake meer is van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezenverklaarde feit. In de omstandigheid dat de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen als gevolg van schadeloosstelling door de bank ziet de rechtbank aanleiding om verdachte hoofdelijk te veroordelen in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt. Deze kosten zijn begroot op nihil. [aangever 11] Vaststaat dat de benadeelde partij [aangever 11] als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering van [aangever 11] afwijzen, nu deze ziet op schade die al door de ABN AMRO bank is vergoed. Dat betekent dat ten aanzien van deze benadeelde partij geen sprake meer is van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezenverklaarde feit. In de omstandigheid dat de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen als gevolg van schadeloosstelling door de bank ziet de rechtbank aanleiding om verdachte hoofdelijk te veroordelen in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt. Deze kosten zijn begroot op nihil. [aangever 15] De rechtbank zal de benadeelde partij [aangever 15] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu zij verdachte vrijspreekt van de oplichting van [aangever 15] . Ten aanzien van deze benadeelde partij is dus geen sprake van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het door verdachte gepleegde strafbare feit. [aangever 15] zal worden veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. [aangever 19] De rechtbank zal de benadeelde partij [aangever 19] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu zij verdachte vrijspreekt van de oplichting van [aangever 19] . Ten aanzien van deze benadeelde partij is dus geen sprake van schade die rechtstreeks voortvloeit uit het door verdachte gepleegde strafbare feit. [aangever 19] zal worden veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. [benadeelde 1] De rechtbank zal de vordering van [benadeelde 1] afwijzen. De vordering ziet uitsluitend op immateriële schade. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij naar aanleiding van de vordering van [aangever 18] over immateriële schade heeft overwogen. In het geval van [benadeelde 1] is de gevorderde immateriële schade onvoldoende onderbouwd. De praktijkondersteuner van de huisarts heeft in een brief van 3 december 2021 weliswaar geschreven dat [benadeelde 1] lijdt aan klachten die passen bij een acute stressstoornis, maar er is geen verklaring van een psycholoog of psychiater waarin wordt bevestigd dat van een dergelijke stoornis daadwerkelijk sprake is. [benadeelde 1] zal worden veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. 12TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 57, 140, 326, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 13BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder 4 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Beslag - verklaart de volgende voorwerpen verbeurd: MD3R019160_597740 Apple Iphone 11 MD3R019160_597763 Telefoon, Apple Iphone 7 MD3R019160_597764 Apple Iphone 6S MD3R019160_599757 5,73357045 BTC MD3R019160_679442 [kenteken] , Audi, A6 , avant PL0600-00002021193521- EUR 3.290,65 (leeg) [adres] [woonplaats] MD3R019160_597742 1 x 20, 1x 10, 1 x 5 MD3R019160_597869 Mercedes [kenteken] Rijdbaar MD3R019160_602308 Trui Stone IslandNieuw in verpakking €200,- MD3R019160_602311 Louis Vuitton zonnebril. MD3R019160_597741 Tasje MD3R019160_597744 Polo MD3R019160_597745 Polo MD3R019160_597746 Polo MD3R019160_597747 Polo MD3R019160_597748 Polo MD3R019160_597749 Polo MD3R019160_597750 trui MD3R019160_597751 Bodywarmer MD3R019160_597752 trui MD3R019160_597753 Polo MD3R019160_597754 schoenen MD3R019160_597756 8 x 50, 1 x 20, 1 x 10 MD3R019160_597757 1 x 100, 18 x 10, 4 x 5, 147 x 20, 49 x 50 MD3R019160_597758 4 x 100, 1 x 200 MD3R019160_597759 14 x 500, 1 x 50 Pakistan rupee MD3R019160_597769 trainingsjack MD3R019160_597770 Hoody MD3R019160_597771 Jack MD3R019160_597772 Bodywarmer MD3R019160_597773 trainingsjack + broek MD3R019160_597774 Jas MD3R019160_597781 Bankpas tnv [rekeninghouder 1] MD3R019160_597783 stukjes bank biljetten - gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen: MD3R019160_597777 ING stortingsbewijs MD3R019160_597743 Factuur de Bijenkorf MD3R019160_597755 LV bon MD3R019160_597775 factuur Mercure hotel MD3R019160_597776 factuur Mercure hotel twv 897,- MD3R019160_597778 briefje met codes MD3R019160_597780 Diverse administratie MD3R019160_597782 Bankpas nr. [nummer] MD3R019160_597739 MOBIELE TELEFOON MD3R019160_597760 blanco pas MD3R019160_597761 HP desktop MD3R019160_597762 Lenovo Laptop MD3R019160_597765 MOBIELE TELEFOON MD3R019160_597766 Laptop MSI MD3R019160_597767 MOBIELE TELEFOON INCL HOES MD3R019160_597768 Nokia MD3R019160_597779 HP laptop Benadeelde partijen ABN AMRO bank (feit 2) wijst de vordering van de ABN AMRO bank toe tot een bedrag van € 354.824,47; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de ABN AMRO bank van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2021 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; verklaart de ABN AMRO bank voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt verdachte ook hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; Rabobank (feit 2) wijst de vordering van de Rabobank toe tot een bedrag van € 53.264,-; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de Rabobank van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2020 over € 48.318,- en vanaf 2 augustus 2019 over € 4.946,- tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; verklaart de Rabobank voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt verdachte ook hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; ING bank (feit 2) wijst de vordering van de ING bank toe tot een bedrag van € 19.793,71; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de ING bank van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente 1 januari 2021 over € 9.347,91 en vanaf 20 januari 2021 over € 10.625,80 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; verklaart de ING bank voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt verdachte ook hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; [aangever 16] (feit 2) verklaart [aangever 16] niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt [aangever 16] in de kosten door verdachte gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; [aangever 18] (feit 2) wijst de vordering van [aangever 18] af; veroordeelt verdachte hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij begroot op nihil; [aangever 31] (feit 2) wijst de vordering van [aangever 31] toe tot een bedrag van € 19.558,-; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [aangever 31] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2019 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [aangever 31] aan de Staat € 19.558,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2019 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 72 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
  11. s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; veroordeelt verdachte ook hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; [aangever 10] (feit 2) verklaart [aangever 10] niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt [aangever 10] in de kosten door verdachte gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; [aangever 9] (feit 2) wijst de vordering van [aangever 9] af; veroordeelt verdachte hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij begroot op nihil; [aangever 14] (feit 2) wijst de vordering van [aangever 14] af; veroordeelt verdachte hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij begroot op nihil; [aangever 17] (feit 2) wijst de vordering van [aangever 17] toe tot een bedrag van € 45.838,-; wijst de gevorderde materiële schade van € 1.156,- af; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [aangever 17] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2020 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [aangever 17] aan de Staat € 45.838,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2020 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 144 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(
  12. s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; veroordeelt verdachte ook hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; [aangever 3] (feit 2) verklaart [aangever 3] niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt [aangever 3] in de kosten door verdachte gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; [aangever 12] (feit 2) wijst de vordering

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.