← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:6635

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16-003356-21; 16-272101-20 (gev. ttz.); 16-136593-21 (gev. ttz.) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 24 juni 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [2002] te [geboorteplaats] ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:[adres] , [woonplaats] hierna te noemen: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2022. De zaak onder parketnummer 16-136593-21 is op 13 oktober 2021 door de politierechter verwezen naar de meervoudige kamer. Het onderzoek in de zaken onder de parketnummers 16-003356-21 en 16-136593-21 heeft op 10 juni 2022 op een openbare zitting plaatsgevonden. Het onderzoek in de zaak onder parketnummer 16-272101-20 heeft op diezelfde datum achter gesloten deuren plaatsgevonden. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.P. Altena en van de standpunten van verdachte en mr. O. Bolluyt, advocaat te Almere. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: parketnummer 16-003356-21 feit 1 op 9 december 2020 te Lelystad, samen met anderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2007] , heeft verkracht, dan wel (subsidiair) samen met anderen, met [slachtoffer 1] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd; feit 2 op 9 december 2020 te Lelystad samen met anderen een iPhone van [slachtoffer 1] heeft gestolen; parketnummer 16-272101-20 op 13 oktober 2019 in Lelystad samen met anderen op de openbare weg geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] ; parketnummer 16-136593-21 feit 1 op 25 mei 2021 te Lelystad, nadat hij bij een verkeersongeval schade had veroorzaakt, is doorgereden; feit 2 op 25 mei 2021 te Lelystad zonder dat hij daarvoor een geldig rijbewijs had, een personenauto heeft bestuurd. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de onder 1 van parketnummer 16-003356-21, onder parketnummer 16-272101-20 en onder 1 en 2 van parketnummer 16-136593-21 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte dient vrijgesproken te worden van het onder 2 van parketnummer 16-003356-21 ten laste gelegde feit. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 2 van parketnummer 16-003356-21 ten laste gelegde. De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de overige ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 vrijspraak feit 2 parketnummer 16-003356-21 Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van de iPhone van [slachtoffer 1] . De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde. 4.3.2 Bewijsmiddelen 4.3.2.1 Parketnummer 16-003356-21 feit 1 De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden, gelet op artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen: de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 juni 2022; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verhoor [verdachte] van 14 januari 2021, 20210114.1330.4250, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de politie Eenheid Midden-Nederland, pagina’s 211 tot en met 220 van het proces-verbaal met nummer 20210305.1200.4366; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden van 11 december 2020, genummerd PL0900-2020401114-2, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van de politie Eenheid Midden-Nederland, houdende een informatief gesprek zeden, pagina’s 1 en 2 van het proces-verbaal met nummer 20210305.1200.4366; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 1] van 16 december 2020, genummerd PL0900-2020401114-12, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] van de politie Eenheid Midden-Nederland, pagina’s 20 tot en met 28 van het proces-verbaal met nummer 20210305.1200.4366. 4.3.2.2 Parketnummer 16-272101-20 De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden, gelet op artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen: de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 juni 2022; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 18 oktober 2019, genummerd PL0900-2019308908-31, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , doorgenummerde pagina’s 318 tot en met 320 van het proces-verbaal met BVH nummer 2019308908, 2019312199; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 15 oktober 2019, genummerd PL0900-2019308908-1, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 7] , doorgenummerde pagina’s 400 tot en met 402 van het proces-verbaal met BVH nummer 2019308908, 2019312199; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever, met bijlagen, van [slachtoffer 2] van 15 oktober 2019, genummerd PL0900-2019308908-3, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina’s 404 en 405 van het proces-verbaal met BVH nummer 2019308908, 2019312199; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2019308908-2, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 8] van de politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 411 en 412 van het proces-verbaal met BVH nummer 2019308908, 2019312199. 4.3.2.3 Parketnummer 136953-21 De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden, gelet op artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen: de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 juni 2022; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 25 mei 2021, inclusief bijlagen, genummerd PL0900-2021161515-2, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 9] , doorgenummerde pagina’s 12 en 13 van het proces-verbaal met nummer PL0900-2021161515; - een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 25 mei 2021 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] van de politie Eenheid Midden-Nederland, inclusief bijlagen, genummerd PL0900-2021161515-4, doorgenummerde pagina 24 van het proces-verbaal met nummer PL0900-2021161515. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 16-003356-21 1 primairop 9 december 2020 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met meer anderen, door geweld en bedreiging met geweld en andere feitelijkheden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders - met [slachtoffer 1] afgesproken en haar naar een woning gelegen aan de [adres] laten komen en - toen die [slachtoffer 1] in de woning gelegen aan de [adres] was de achterdeur waardoor zij naar binnen is gekomen op slot gedaan en een getalsmatig en fysiek (vanwege een leeftijdsverschil) overwicht gecreëerd in die woning waardoor die [slachtoffer 1] zich niet aan die situatie kon onttrekken en - dreigende taal geuit tegen die [slachtoffer 1] en - die [slachtoffer 1] vastgepakt aan haar kleding en opgetild en tegen een muur gedrukt en - een gebalde vuist in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1] gehouden en - de telefoon van die [slachtoffer 1] uit haar zak gepakt en tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij deze pas terug krijgt als zij hem, verdachte, of zijn mededaders zou pijpen en - meermalen tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij hem, verdachte, en zijn mededaders moest pijpen en hun ballen in haar mond moest nemen en - terwijl die [slachtoffer 1] hem, verdachte en/of zijn mededader(

  1. s)aan het pijpen was, haar hand op zijn penis gelegd en haar hoofd vastgepakt en bewogen en - tegen die [slachtoffer 1] gezegd ‘ik ben gek in mijn hoofd. Als ik mijn naam ergens hoor dan ben je de lul. Dan maak ik je af’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, [slachtoffer 1] (geboren op [2007] ) hebben gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het brengen en houden van hun penissen en ballen in de mond van die [slachtoffer 1] ; 16-272101-20 op 13 oktober 2019 te Lelystad, openlijk, te weten op de openbare weg op de Kempenaar te Lelystad, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] door die [slachtoffer 2] meermalen op de grond te gooien en tegen het hoofd en/of de nek, te schoppen/trappen en te stompen/slaan; 16-136593-21 1hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Lelystad op de Zuigerplasdreef, op 25 mei 2021 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten de personenauto van [aangever] , schade was toegebracht; 2op 25 mei 2021 te Lelystad als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen onder feit 1 van parketnummer 16-003356-21 en onder de parketnummers 16-272101-20 en 16-136593-21 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: parketnummer 16-003356-21 feit 1 primair verkrachting, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; parketnummer 16-272101-20 openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen; parketnummer 16-136593-21 feit 1 overtreding van artikel 7, eerste lid onder a, van de Wegenverkeerswet 1994; feit 2 overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in de zaken met parketnummers 16-003356-21 en 16-136593-21 het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: - een jeugddetentie van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden die door de deskundigen zijn geadviseerd; - een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen jeugddetentie. De officier van justitie heeft verder gevorderd om aan verdachte een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot beperking van de vrijheid, te weten een contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , op te leggen voor de duur van 2 jaren, met 1 week hechtenis per overtreding, met een maximum van 6 maanden hechtenis. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met de persoon van verdachte, zijn aandeel in de feiten, de omstandigheid dat verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis één jaar een enkelband heeft gedragen, het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn in de zaak met parketnummer 16-272101-20. De raadsman stelt zich op het standpunt dat in de zaken met parketnummers 16-003356-21 en 16-136593-21 het adolescenten strafrecht moet worden toegepast. De raadsman heeft verzocht om verdachte een jeugddetentie conform de eis van de officier van justitie op te leggen. De raadsman heeft verzocht om daarnaast geen werkstraf meer op te leggen. Een werkstraf wordt niet geadviseerd, heeft geen meerwaarde en zou verdachte mogelijk overvragen. Een contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft, mede gelet op het tijdsverloop, geen meerwaarde. Verdachte woont inmiddels ergens anders en heeft sinds de feiten op geen enkele wijze op eigen initiatief contact met de slachtoffers gezocht. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan groepsverkrachting van een meisje dat op dat moment slechts dertien jaar oud was. Zij was gevraagd om naar de woning van verdachte te komen waar zij verdachte met een 13-jarig neefje verwachtte. In de woning trof zij echter verdachte en twee andere jongens aan die allemaal (een stuk) ouder waren dan het slachtoffer. Nadat het slachtoffer de woning was binnengegaan, heeft verdachte de deur op slot gedraaid, waardoor het slachtoffer de woning niet zonder meer kon verlaten. Vervolgens heeft een medeverdachte het slachtoffer bedreigd en haar onder andere tegen een muur geduwd. Deze medeverdachte heeft vervolgens de telefoon van het slachtoffer afgepakt en tegen het slachtoffer gezegd dat zij die pas zou terugkrijgen als zij één van de jongens zou pijpen. Het slachtoffer heeft uiteindelijk onder dwang alle drie de jongens gepijpt. Uit de verklaringen die het slachtoffer heeft afgelegd, blijkt dat zij nog geen eerdere seksuele ervaring had gehad en dat zij ontzettend bang is geweest. Verdachte en zijn medeverdachten hebben de keuze gemaakt om op bijzonder nare en hoogst verwerpelijke wijze misbruik van het slachtoffer te maken. Met hun handelen hebben zij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat feiten als deze vaak langdurige en ernstige schade kunnen toebrengen aan de geestelijke gezondheid van een slachtoffer. Dit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk. Daarnaast heeft verdachte samen met anderen de destijds pas 14-jarige [slachtoffer 2] op de openbare weg mishandeld en vernederende handelingen laten verrichten. Door zo te handelen hebben verdachte en zijn medeverdachten niet alleen de openbare orde verstoord, maar ook en vooral een vergaande inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat geweld in de openbare ruimte bijdraagt aan gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Dit geldt temeer nu de mishandeling is gefilmd en (veelvuldig) is gedeeld op sociale media. Doordat de mishandeling is gefilmd en gedeeld, is het slachtoffer nadien nog vaak geconfronteerd met deze voor hem nare gebeurtenis. Tenslotte heeft verdachte, terwijl hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs, een personenauto bestuurd. Verdachte heeft daarmee niet alleen de verkeersveiligheid en de veiligheid van andere weggebruikers in gevaar gebracht, hij heeft ook daadwerkelijk schade toegebracht aan de personenauto van [aangever] . Het is niet aan verdachte te danken dat het enkel bij materiële schade is gebleven. Nadat verdachte dat ongeval had veroorzaakt, is hij bovendien weggereden zonder zijn identiteit kenbaar te maken. Door zo te handelen heeft de verdachte het vaststellen van de aansprakelijkheid en het verhaal van de schade door het slachtoffer bemoeilijkt. Persoonlijke omstandigheden Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met: - een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 11 september 2021; - een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 7 februari 2022, uitgebracht door N. Blaauw, reclasseringswerker; - een psychologisch rapport van 25 juni 2021, uitgebracht door A.M.I. Peelen, GZ-psycholoog. Uit de psychologische rapportage volgt dat er bij verdachte geen stoornis of gebrekkige ontwikkeling in de geestvermogens is vastgesteld. Wel is er sprake van een persoonlijke anamnese van verwaarlozing als kind (in het verleden) en van ouder-kind relatieproblematiek. Verdachte heeft een disharmonisch intelligentieprofiel waarbij zijn verwerkingssnelheid ligt op laagbegaafd niveau. Voorts is bij verdachte sprake van een achterstand in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Hoewel de achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling de gedragingen en gedragskeuzes van verdachte bij de bewezenverklaarde feiten enigszins hebben beïnvloed, lijken de achterstand in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en het disharmonische intelligentieprofiel niet dusdanig verstorend te zijn dat de bewezenverklaarde feiten hem verminderd toegerekend dienen te worden. Geadviseerd wordt om verdachte het tenlastegelegde volledig toe te rekenen. Gelet op zijn persoon is de sociale omgeving waarin hij zich begeeft, naar het lijkt momenteel antisociaal en van negatieve invloed, direct recidive verhogend. Een pedagogische aanpak met sturing en structuur is noodzakelijk en mogelijk. Verdachte vertoont kinderlijker gedrag dan van zijn leeftijd verwacht mag worden. Hij vertoont meeloopgedrag en er is sprake van een beperkt zelf aansturend vermogen waarbij sprake is van beïnvloedbaarheid. Verdachte heeft baat bij een groepsgericht leefklimaat alwaar hij de mogelijkheid tot begeleiding heeft (zoals een begeleid wonen traject). Er is (voorals- nog) sprake van een afhankelijkheidsrelatie met ouders/verzorgers waarbij verdachte enigszins ontvankelijk lijkt voor het gezag van stiefvader. Er worden voldoende argumenten gezien voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Derhalve wordt geadviseerd verdachte volgens het jeugdstrafrecht te berechten. Om de achterlopende sociaal-emotionele ontwikkeling te beïnvloeden, wordt gedacht aan een leerstraf in de vorm van een sociale vaardigheidstraining (SOVA). Verdachte kan in die training beter leren om ‘nee’ te zeggen en vaardigheden opdoen in het maken van eigen keuzes ten opzichte van zijn sociale omgeving. Verdachte heeft momenteel geen passende woonplek. Geadviseerd wordt een begeleid wonen traject op te starten waarin hij begeleiding en ondersteuning krijgt. Dat wordt nodig geacht gezien de beperkingen waar verdachte mee te maken heeft. Wanneer gekozen wordt voor een woongroep dient rekening gehouden te worden met de vatbaarheid voor negatieve beïnvloedbaarheid bij verdachte. Een jeugdreclasseringsmaatregel zou dit traject kunnen waarborgen. Uit het rapport van de reclassering volgt dat het sociale netwerk van verdachte grotendeels bestaat uit vrienden waar geen positieve invloed van uitgaat en waar verdachte geen weerstand tegen durft of lijkt te kunnen bieden. Daarnaast heeft verdachte in zijn leven vele verhuizingen gekend, met steeds wisselende basisscholen en is hij opgevoed door verschillende familieleden. Vanuit pedagogisch opzicht lijkt er dan ook sprake geweest te zijn van een gebrek aan toezicht en stabiliteit wat van negatieve invloed is geweest op het functioneren van verdachte. Beschermende factoren zijn de meewerkende houding en dagbesteding van verdachte. Zo is het hem inmiddels gelukt om zijn MBO-opleiding ICT niveau 3 af te ronden. Aangezien hij van huis uit weinig stimulans heeft ontvangen en hij dit veelal op eigen motivatie en doorzettingsvermogen heeft gedaan, kan dit als een bijzondere prestatie worden beschouwd. Sinds februari 2021 staat verdachte onder toezicht van de jeugdreclassering wat over het algemeen goed en positief verloopt. Verdachte houdt zich aan alle afspraken en voorwaarden en stelt zich meewerkend en begeleidbaar op. Daarnaast geeft hij aan mee te willen blijven werken aan reclasseringstoezicht en ziet hij hier ook het nut van in. Ook geeft hij te kennen open te staan voor psychologische behandeling. Aangezien verdachte nog steeds ontvankelijk is voor behandeling, toezicht en begeleiding in pedagogisch, sociaal, emotioneel en praktisch opzicht, is de toepassing van het adolescentenstrafrecht geïndiceerd. Het risico op recidive en letselschade wordt ingeschat als gemiddeld. Indien verdachte schuldig wordt bevonden, kan onderhavig zedendelict mogelijk ook eerder verklaard worden door eerdergenoemde argumenten zoals het niet voldoende weerstand kunnen bieden tegen sociale druk dan door een zeden-gerelateerde motief. Verdachte is niet voldoende in staat gevaarlijke situaties goed in te schatten en zijn handelen hierop te anticiperen. Daaruit volgend zijn er voldoende redenen tot zorg en om hierop te interveniëren. De reclassering adviseert verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarden: begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een contactverbod met de slachtoffers. Strafoplegging In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat hij openheid van zaken heeft gegeven ten aanzien van alle feiten en heeft aangegeven spijt te hebben van hetgeen hij heeft gedaan. Verdachte komt daarin oprecht over. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte bij de verkrachting druk ervoer van een van de medeverdachten, waaraan hij zich niet durfde te onttrekken. De verklaring van verdachte op dit punt vindt ondersteuning in de verklaring van het 13-jarige slachtoffer en in hetgeen over verdachte als persoon is opgenomen in het psychologische rapport en het reclasseringsrapport. Adolescentenstrafrecht De verdachte was ten tijde van het onder feit 1 van parketnummer 16-003356-21 en het onder feit 1 en feit 2 van parketnummer 16-136593-21 bewezenverklaarde 18 jaar oud. De rechtbank ziet aanleiding om recht te doen overeenkomstig de bijzondere bepalingen voor jeugdige personen (overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh van het Wetboek van Strafrecht). Daarbij is gelet op de adviezen van de deskundigen, de persoon van de verdachte en op de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, zoals hierboven is uiteengezet. Redelijke termijn parketnummer De rechtbank heeft ook geconstateerd dat de redelijke termijn in jeugdzaken als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in de zaak met parketnummer 16-272101-20 is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen. Verdachte is in de hier bedoelde zaak op 18 september in verzekering is gesteld, terwijl het vonnis op 24 juni 2022 wordt gewezen. Dat betekent dus dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim 16 maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding zal moeten worden verdisconteerd in de hierna te vermelden op te leggen straf. De rechtbank overweegt dat, gelet op de ernst en de omstandigheden waaronder de feiten - met name de groepsverkrachting van de 13- jarige [slachtoffer 1] - zijn gepleegd, een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie in beginsel passend is. Verdachte is op 17 februari 2021 geschorst uit de voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 16-003356-21 en heeft vanaf dat moment een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Hij werkt goed mee aan de begeleiding van de jeugdreclassering en volgt een behandeling bij De Waag. Als verdachte opnieuw gedetineerd zou raken, dan worden het ingezette traject en de behandeling onderbroken en zal hetgeen tot nu toe is bereikt mogelijk teniet worden gedaan. Dat kan een nadelige invloed hebben op het recidiverisico. De rechtbank acht dit niet in het belang van verdachte en van de maatschappij. De rechtbank houdt verder rekening met de lange periode (te weten één jaar) die verdachte onder elektronisch toezicht heeft gestaan. Dat is een ingrijpende maatregel die verdachte fors heeft beperkt in zijn vrijheden. Ook houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn in de zaak met parketnummer 16-272101-20. De rechtbank zal daarom het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen jeugddetentie gelijk stellen aan de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een forse voorwaardelijke jeugddetentie met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering op. Deze voorwaardelijke jeugddetentie legt de rechtbank op om uitdrukking te geven aan de ernst van de feiten, om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en om te verzekeren dat verdachte zich de komende twee jaar zal houden aan de bijzondere voorwaarden. Gelet op hetgeen over de verdachte is opgemerkt in het psychologische rapport en het reclasseringsrapport acht de rechtbank het van belang dat verdachte zich de komende twee jaar onder behandeling blijft stellen en zich laat begeleiden door de (jeugd)reclassering. Daarnaast zal de rechtbank verdachte als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] opleggen voor de duur van de proeftijd. Gelet op het tijdsverloop en nu er geen aanwijzingen zijn dat verdachte na het plegen van de bewezenverklaarde feiten nog contact met een van beide slachtoffers heeft gezocht, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Voor locatieverbod zie de rechtbank eveneens onvoldoende aanwijzingen. Een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie, waarbij verdachte het onvoorwaardelijke deel al heeft uitgezeten, doet naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Verdachte moet nog wel de consequenties en gevolgen van zijn handelen ondervinden. Om die reden legt de rechtbank verdachte daarnaast nog een werkstraf op. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat het passend en geboden is verdachte op te leggen een jeugddetentie van 180 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, waarvan 134 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze door de deskundigen zijn geadviseerd en een contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Daarnaast legt de rechtbank verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf van 120 uren, indien verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen jeugddetentie. 9BESLAG 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen personenauto verbeurd te verklaren. 9.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht de onder verdachte in beslag genomen personenauto terug te geven aan verdachte. 9.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten een personenauto, merk Opel, kenteken [kenteken] , verbeurd verklaren. Met betrekking tot dit voorwerp is het onder 2 van parketnummer 16-136593-21 bewezen verklaarde feit begaan. 10BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.000,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder parketnummer 16-272101-20 ten laste gelegde feit. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 148,00 aan gemaakte proceskosten. Verder heeft de benadeelde partij verzocht om aan verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. 10.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen met daarbij de schadevergoedingsmaatregel. Gelet op jet tijdsverloop heeft de officier van justitie niet gevorderd de wettelijke rente op te leggen. 10.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij moet worden gematigd tot het bedrag dat in de zaak van een medeverdachte is opgelegd, te weten € 100,00 en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is. De verdediging heeft gesteld dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel geen meerwaarde heeft. 10.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt op basis van de processtukken en de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De destijds 14-jarige [slachtoffer 2] werd door oudere jongens, onder wie verdachte, mishandeld. Nadat hij weg kon rennen werd hij ingehaald, onderuitgehaald en weer mishandeld. Hij werd daarbij, terwijl hij op de grond lag, tegen zijn hoofd en lichaam getrapt. Dit moet voor hem een zeer angstige en bedreigende situatie zijn geweest. Daarbij houdt de rechtbank er ook rekening mee dat de mishandeling is gefilmd en dat deze filmpjes via internet/sociale media zijn verspreid en dat het algemeen bekend is dat het vrijwel onmogelijk is deze filmpjes van internet verwijderd te krijgen. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, nu de benadeelde partij door het door verdachte begane feit pijn en psychisch en fysiek letsel heeft bekomen. Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen immateriële schadevergoeding houdt de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de bedragen die in soortgelijke gevallen worden toegekend en de impact die het feit op [slachtoffer 2] heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 400,00 in dit geval billijk is. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling. Een lager bedrag doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op € 148,00. De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Als extra waarborg voor betaling en om te voorkomen zodat [slachtoffer 2] zelf (rechtstreeks) contact met verdachte hoeft op te nemen, zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 2] aan verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 400,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 13 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank zal, omdat verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaard minderjarig was, bepalen dat geen aanvullende gijzeling wordt opgelegd. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. 11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen: 33, 33a, 36f, 47, 63, 77a, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 242 van het Wetboek van Strafrecht en 7, 107, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994; zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 12BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder 2 van parketnummer 16-003356-21 ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het onder feit 1 van parketnummer 16-003356-21, het onder parketnummer 16-272101-20 en het onder feit 1 en feit 2 van parketnummer 16-136593-21 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het onder feit 1 van parketnummer 16-003356-21, het onder parketnummer 16-272101-20 en het onder feit 1 en feit 2 van parketnummer 16-136593-21 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het onder feit 1 van parketnummer 16-003356-21, het onder parketnummer 16-272101-20 en het onder feit 1 en feit 2 van parketnummer 16-136593-21 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 180 dagen; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (46 dagen), bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 134 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast; - als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte: * zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; * ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; * medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd: * zich in het kader van de maatregel van Toezicht en Begeleiding gedurende de proeftijd meldt bij Samen Veilig Midden-Nederland, afdeling Flevoland, Haagbeukweg 149 te Almere, telefoonnummer 088 – 966 30 00, en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht en zich houdt aan de aanwijzingen van die instelling; * zich laat behandelen door een forensische, ambulante instelling, zoals de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra deze beschikbaar is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; * verblijft in een instelling voor begeleid/beschermd wonen of maatschappelijke opvang zodra deze gevonden en beschikbaar is, nog nader te bepalen door de jeugdreclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering voor hem heeft opgesteld; * gedurende de proeftijd op geen enkele wijze, direct en/of indirect, contact zal hebben en/of zoeken met [slachtoffer 2] , geboren op [2005] en/of [slachtoffer 1] geboren [2007] . - waarbij Samen Veilig Midden Nederland, afdeling Flevoland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de (bijzondere) voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren; - beveelt dat voor het geval de verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 60 dagen jeugddetentie; Voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 16-003356-21; Beslag (parketnummer 16-136593-21 feit 2) - verklaart het volgende voorwerp verbeurd:  personenauto, merk Opel, kenteken [kenteken] ; Benadeelde partij (parketnummer 16-272101-20 - wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 400,00, bestaande uit immateriële schade; - veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2019 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; - verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 148,00; - legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 400,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2019 tot de dag van de algehele voldoening en bepaalt dat geen aanvullende gijzeling zal worden opgelegd; - bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (één van) zijn mededader(
  2. s)op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed. Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. I.G.C. Bij de Vaate, kinderrechter en O. Böhmer, rechter, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juni 2022. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 16-003356-21 1hij op of omstreeks 9 december 2020 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, door geweld of één of meer andere feitelijkhe(i)d(
  3. en)en/of bedreiging met geweld of één of meer andere feitelijkhe(i)d(en), immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader(s)- met [slachtoffer 1] afgesproken en haar naar een woning (gelegen aan de [adres] ) laten komen en/of- toen die [slachtoffer 1] in de woning (gelegen aan de [adres] ) was de (achter)deur waardoor zij naar binnen is gekomen op slot gedaan en/of een getalsmatig en/of fysiek (vanwege een leeftijdsverschil) overwicht gecreëerd in die woning waardoor die [slachtoffer 1] zich niet aan die situatie kon onttrekken en/of- dreigende taal geuit tegen die [slachtoffer 1] en/of- die [slachtoffer 1] vastgepakt aan haar kleding en/of opgetild en/of tegen een muur gedrukt en/of- een gebalde vuist in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1] gehouden en/of- de telefoon van die [slachtoffer 1] uit haar zak en/of hand(
  4. en)gepakt en/of tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij deze pas terug krijgt als zij hem, verdachte, en/of zijn mededader(
  5. s)zou pijpen en/of- meermalen, althans éénmaal, tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij hem, verdachte, en/of zijn medader(
  6. s)moest pijpen en/of zijn/hun ballen in haar mond moest nemen en/of- terwijl die [slachtoffer 1] hem, verdachte, en/of zijn mededader(
  7. s)aan het pijpen was, haar hand op zijn/hun penis gelegd en/of haar hoofd vastgepakt en bewogen en/of- tegen die [slachtoffer 1] gezegd ‘ik ben gek in mijn hoofd. Als ik mijn naam ergens hoor dan ben je de lul. Dan maak ik je af’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, [slachtoffer 1] (geboren op [2007] ) heeft/hebben gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het brengen en/of houden van zijn/hun penis(sen) en/of ballen in de mond van die [slachtoffer 1] ;( art 242 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 9 december 2020 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met [slachtoffer 1] , geboren op [2007] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft/hebben gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het brengen en/of houden van zijn/hun penis(sen) in de mond van [slachtoffer 1] ;( art 245 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 2hij op of omstreeks 9 december 2020 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een iPhone, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
  8. s)toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht ) 16-272101-20hij, op of omstreeks 13 oktober 2019 te Lelystad, althans in Nederland, openlijk, te weten op de openbare weg op/nabij de Kempenaar te Lelystad, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] door die [slachtoffer 2] (meermalen) op de grond te gooien en/of op/tegen het hoofd en/of de nek, althans het lichaam, te schoppen/trappen en/of te stompen/slaan;( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 16-136593-21 1hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Lelystad op/aan de Zuigerplasdreef, op of omstreeks 25 mei 2021 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten (de personenauto van) [aangever] ) letsel en/of schade was toegebracht;(art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994)2hij op of omstreeks 25 mei 2021 te Lelystad als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, Weg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; ( art 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.