RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/287481-21 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 25 januari 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres: [adres] , [postcode] te [plaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T.M. van Wanrooij en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Schilder, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: op 23 oktober 2021 te Nieuwegein twee truien van de Hema heeft gestolen. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw voert geen verweer over het bewijs. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen: - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 januari 2022; - de verklaring van aangever [aangever] namens Hema B.V.. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: op 23 oktober 2021 te Nieuwegein twee truien, die aan de Hema toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. 6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op: diefstal. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat oplegging van de ISD-maatregel niet proportioneel is. Het opleggen van een ISD-maatregel zou volgens de raadsvrouw leiden tot een kale afstraffing en het enkel vastzetten van verdachte voor twee jaren. De raadsvrouw verwijst daarbij naar het reclasseringsadvies van 27 december 2021, waarin wordt aangegeven dat de reclassering geen heil ziet in het opleggen van een ISD-maatregel en de continuering en uitbreiding van vrijwillige hulpverlening het meest kansrijk acht. De raadsvrouw verzoekt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en indien de rechtbank dat noodzakelijk acht daarnaast nog een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met bijzondere voorwaarden, zoals een verplichte ambulante behandeling en begeleid wonen. Indien de rechtbank toch tot oplegging van de ISD-maatregel komt, verzoekt de raadsvrouw de rechtbank de ISD-maatregel op te leggen voor de duur van 1 jaar omdat er geen reële mogelijkheden zijn voor extramurale resocialisatie. Daarnaast verzoekt de raadsvrouw om de duur van het voorarrest in mindering te brengen, aangezien de reclassering geen mogelijkheid ziet tot behandeling waardoor de aftrek van het voorarrest niet zal leiden tot een doorkruising van de behandelmogelijkheden. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van een sanctie heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit is een veelvoorkomend feit, dat doorgaans naast ergernis ook financiële schade en overlast bij de gedupeerde bedrijven veroorzaakt. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij daaraan heeft bijgedragen. Persoon van verdachte Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een 62 pagina’s tellend strafblad van 8 december 2021 van verdachte, waaruit volgt dat verdachte vaak is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. Aan verdachte is al drie keer eerder een ISD-maatregel opgelegd, wat kennelijk niet heeft geresulteerd in het voorkomen van recidive. Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een reclasseringsadvies van 27 december 2021, uitgebracht door Reclassering Leger des Heils. Hieruit volgt dat verdachte een stelselmatige dader is, die zich vanaf zijn veertiende jaar schuldig heeft gemaakt aan overwegend vermogensdelicten. Hij gebruikt vrijwel dagelijks alcohol en softdrugs en komt (mede daardoor) niet altijd uit met zijn leefgeld dat hij ontvangt van Stadgeldbeheer Utrecht. De reclassering verwacht van een ISD-maatregel geen gedragsverandering en acht continuering en uitbreiding van vrijwillige hulpverlening het meest kansrijk. ISD-maatregel De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Bewezen is verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van 8 december 2021 blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het ten laste gelegde feit meer dan drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Het bewezen verklaarde feit in dit vonnis is begaan na tenuitvoerlegging van die straffen. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat het risico op recidive wordt ingeschat als hoog en dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten eist de veiligheid van goederen het opleggen van de ISDmaatregel. Verder constateert de rechtbank dat uit het genoemde strafblad blijkt dat ook is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen van de pleegdatum van het laatst gepleegde feit (in dit geval het bewezen verklaarde feit). Aan alle criteria voor de oplegging van de ISD-maatregel is dus voldaan. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke ISD-maatregel in dit geval niet passend. Een voorwaardelijke ISD-maatregel is dat naar het oordeel van de rechtbank wel. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op grond van de bevindingen van de reclassering en het beeld dat de rechtbank van verdachte heeft gekregen, constateert de rechtbank dat verdachte kampt met een alcoholverslaving. De rechtbank hoopt dat verdachte met zijn intrinsieke motivatie en de steun van zijn familie aan de slag gaat om zijn criminele verleden achter zich te laten en dat het ondergaan van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel niet nodig zal zijn. De raadsvrouw heeft aangegeven dat verdachte tot inkeer is gebracht toen duidelijk werd dat de ISDmaatregel zou worden gevorderd. Die motivatie heeft gebracht dat verdachte zijn alcoholgebruik volgens eigen zeggen al aanzienlijk verminderd heeft. Daar komt bij dat de reclassering de kans op een succesvolle intramurale fase van de ISD-maatregel en een aansluitend succesvolle extramurale fase van de ISD-maatregel te gering acht. De kans is groot dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel daarom niet meer zal brengen dan bescherming van de samenleving door langdurige detentie. De reclassering verwacht meer van continuering en uitbreiding van vrijwillige hulpverlening. Om deze redenen vindt de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel nu niet opportuun en zal zij de ISD-maatregel geheel voorwaardelijk opleggen. De rechtbank geeft verdachte hierbij een laatste kans om zijn goede voornemens om te zetten in daden. Indien verdachte de algemene voorwaarde, te weten dat geen nieuwe strafbare feiten gepleegd worden, toch zal overtreden, kan de ISD-maatregel alsnog tenuitvoergelegd worden. Kennelijk is het voorwaardelijk kader dan onvoldoende om de maatschappij tegen verdachte te beschermen en het risico op recidive te beperken. Het lijkt dan raadzaam verdachte dan opnieuw hulp te bieden die hij nodig heeft, hetgeen binnen de ISD-maatregel mogelijk is als verdachte daarvoor open staat. Om de mogelijkheden van de ISD-maatregel dan maximaal te kunnen benutten, is het van belang dat voldoende tijd beschikbaar is. Daarbij past niet dat de ISD-maatregel slechts voor korte duur wordt opgelegd. Daarom zal de rechtbank verdachte een geheel voorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren, waarbij de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, niet in mindering zal worden gebracht op de duur van de maatregel. De rechtbank wil de kans op succes, mocht de maatregel alsnog tenuitvoergelegd moeten worden, zo groot mogelijk laten zijn. De rechtbank stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend omdat verdachte dan geen hulp kan krijgen indien hij nogmaals de fout in gaat en de maatschappij in dat geval niet beschermd wordt. Een gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van bijzondere voorwaarden acht de rechtbank eveneens niet passend. Uit het reclasseringsrapport volgt immers dat reclasseringsbegeleiding in verschillende kaders niet heeft geleid tot gedragsverandering en substantiële recidivevermindering waardoor de reclassering niets ziet in een straf met bijzondere voorwaarden. 9TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 38p en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 10BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging maatregel - legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren; - bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - als algemene voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Dit vonnis is gewezen door mr. D. Riani el Achhab, voorzitter, mrs. J.O. Zuurmond en C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 januari
- De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 23 oktober 2021 te Nieuwegeintwee truien, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Hema, in elkgeval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomenmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; ( art 310 Wetboek van Strafrecht ) Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting. Het proces-verbaal van aangifte, van 23 oktober 2021, met nummer 211023-8-966 p. 5-8.