← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:876

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/1291 uitspraak van de enkelvoudige kamer van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2022 in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. M.W. van der Hulst), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder, (gemachtigde: mr. E. Ossel). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. Verweerder heeft op niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen

  1. Verweerder heeft op 4 februari 2021 een besluit (de beslissing op bezwaar) genomen. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 25 oktober 2021 heeft verweerder meegedeeld dat hij terugkomt op het besluit van 4 februari 2021 en dat hij dit besluit intrekt. Op 18 november 2021 heeft verweerder een nieuw besluit genomen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog aan verzoekster verleend. Hierbij is geen proceskostenvergoeding toegekend voor de in bezwaar gemaakte kosten. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten in bezwaar en in beroep.
  2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
  3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
  4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 2.600,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 541,-; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het aanwezig zijn bij de zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
  5. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen. Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank: - veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.600,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. De beslissing is uitgesproken op 8 maart 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. de rechter is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.