← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:905

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/4911 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers). Procesverloop Bij besluit van 21 juli 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om de kinderbijslag op naam van eiser te zetten vanaf het eerste kwartaal van 2019 afgewezen. De kinderbijslag is met terugwerkende kracht op naam van eiser gezet vanaf het tweede kwartaal van

  1. Bij besluit van 19 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart
  2. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
  3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
  4. Eiser wil met terugwerkende kracht de kinderbijslag op zijn naam hebben in plaats van op naam van zijn ex, zodat hij aanspraak kan maken op het kindgebonden budget vanaf
  5. Hij voert aan dat hij eerder niet op de hoogte was van de mogelijkheid om een kindgebonden budget aan te vragen. Toen hij was gescheiden van zijn vrouw en zij co-ouderschap kregen, was deze situatie nog niet aan de orde. Eiser heeft begrepen dat de bedoeling van de maximale terugwerkende kracht van één jaar is dat de Svb niet tussen vechtende exen in komt te staan. Deze situatie is niet van toepassing op eiser. Tot slot vindt eiser dat de Svb rekening moet houden met zijn persoonlijke financiële situatie.
  6. De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) schrijft dwingend voor dat het recht op kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag wordt ingediend. In het geval van eiser is dit vanaf het tweede kwartaal van
  7. Vanwege uitvoeringskosten is in 2016 de bepaling veranderd in die zin dat er geen uitzondering meer is om de kinderbijslag langer dan een jaar geleden in te laten gaan na een aanvraag. De wetgever heeft de Svb geen mogelijkheid geboden om van deze bepaling af te wijken.Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de Svb het verzoek van eiser, door het verzoek als een nieuwe aanvraag aan te merken en niet als een verzoek om terug te komen op een eerder besluit, juist heeft beoordeeld. De aanvraag in het verleden is immers door zijn ex-partner ingediend en niet door hemzelf. De Svb heeft daarom terecht besloten dat de kinderbijslag niet vanaf het eerste kwartaal van 2019 op naam van eiser gezet wordt.
  8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. N.L.K.J. Li, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart
  9. griffier rechter (de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen) Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, 34 273, nr. 3, pag. 2 en 13.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.