← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:910

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/3850 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2022 in de zaak tussen [verzoeker] te [plaats] , verzoeker en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft bezwaar ingediend tegen de door verweerder vastgestelde waarde op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ-waarde) van zijn woning aan de [adres] te [plaats] over het jaar

  1. Verweerder heeft op 25 augustus 2021 een besluit op dit bezwaar genomen en beslist dat het bezwaar ongegrond is. Verzoeker is hiertegen bij de rechtbank in beroep gegaan. Op 25 november 2021 heeft verweerder een schikkingsvoorstel gedaan aan verzoeker inzake de WOZ-waarde voor belastingjaar 2021 van de [adres] te [plaats] . Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten. Overwegingen
  2. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
  3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
  4. Alleen de kosten die gemaakt zijn door een professionele (juridische) hulpverlener kunnen worden vergoed. Omdat verzoeker geen advocaat of andere professionele juridische hulpverlener heeft, zijn er ook geen kosten die vergoed kunnen worden.
  5. De overige kosten die verzoeker noemt zijn administratiekosten. Deze kosten hoeft verweerder niet te vergoeden, omdat verzoeker geen bewijsstukken heeft meegezonden. Op het proceskostenformulier staat duidelijk vermeld dat verzoeker bewijsstukken moet meezenden met het proceskostenformulier, dit heeft verzoeker niet gedaan. De enkele stelling dat verzoeker deze kosten heeft gemaakt is onvoldoende om verweerder deze kosten te laten vergoeden.
  6. Verweerder moet wel het griffierecht aan verzoeker betalen (artikel 8:41 Awb). Dit volgt rechtstreeks uit de wet. In verzoekers geval gaat het om een bedrag van € 49,-. Verzoeker zal zich hierover tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari
  7. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.