RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/5051 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.J.J.H. van Heerde), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 3 november
- Overwegingen
- De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
- Verweerder heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit bezwaar gericht was tegen een brief van verweerder van 11 juni
- Die brief is volgens verweerder geen besluit, omdat het een brief is waarin de specificatie van de vordering is uiteengezet.
- Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte het bezwaar heeft aangemerkt als een bezwaar dat is gericht tegen de brief van verweerder van 11 juni 2021 met de specificatie van de vordering die verweerder meent te hebben op eiser. In het bezwaarschrift is uitdrukkelijk vermeld dat bezwaar wordt gemaakt tegen het besluit van verweerder van 16 juni 2021, waarin verweerder voor het eerst aan eiser bekend maakt dat beslag is gelegd op zijn loon ter voldoening van een bestreden vordering van verweerder. Eiser wilde duidelijk hebben om welke bedragen het loonbeslag ging en wenste een specificatie van de openstaande vordering.
- De rechtbank overweegt als volgt. In eisers bezwaarschrift van 17 september 2021 wordt verwezen naar specificaties van de openstaande vordering. Deze specificaties staan niet in de brief van verweerder van 16 juni
- Daarnaast wordt in het aanvullend bezwaarschrift uitdrukkelijk vermeld dat verweerders brief van 11 juni 2021 de grondslag vormt voor de bezwaren. Eiser benoemd verder nergens de datum van het besluit waartegen hij bezwaar maakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder heeft mogen aannemen dat het bezwaar van eiser gericht was op de brief van verweerder van 11 juni
- De rechtbank overweegt verder dat op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Er is (voor zover hier van belang) sprake van een rechtshandeling in de zin van artikel 1:3 van de Awb als er een verandering optreedt in de bestaande rechten, verplichtingen of bevoegdheden of wanneer het bestaan van rechten, verplichtingen of bevoegdheden wordt vastgesteld. Uit artikel 8:1 van de Awb in samenhang met artikel 7:1 van de Awb volgt dat alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.
- De rechtbank is van oordeel dat de brief van 11 juni 2021, waartegen het bezwaar van eiser zich richt, geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. In deze brief is medegedeeld wat de specificaties zijn van de openstaande vordering. Dit is dus niet gericht op een rechtsgevolg. Van een publiekrechtelijke rechtshandeling is geen sprake.
- Ter voorlichting aan eiser merkt de rechtbank nog op dat ook de brief van 16 juni 2021, waarin is meegedeeld dat het loonbeslag is gelegd ook geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is. In deze brief is vermeld dat beslag zal worden gelegd op het loon van eiser. Dit is niet gericht op een rechtsvolg. Van een publiekrechtelijke rechtshandeling is geen sprake. Het loonbeslag dat door verweerder is gelegd is een privaatrechtelijke rechtshandeling, waartegen eiser desgewenst een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij de civiele rechter aanhangig kan maken.
- Het standpunt van verweerder dat er geen sprake is van een besluit waar eiser bezwaar tegen kon maken is dus juist. Verweerder heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Wat eiser heeft geschreven aan de rechtbank is geen reden om hier anders over te denken. Het besluit van verweerder is juist en het beroep is kennelijk ongegrond (artikel 8:54 Awb).
- Eiser krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.