← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:943

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/18 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2022 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. D. van Elp), en de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder (gemachtigde: J. Launspach). Procesverloop In het besluit van 30 november 2021 (primaire besluit) heeft verweerder verzoeker verplicht medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven. De geldigheid van het rijbewijs is geschorst. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 februari 2022 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af. Overwegingen

  1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
  2. Verzoeker is een beginnend bestuurder die op 15 augustus 2021 om 01:24 uur is aangehouden in Middelburg in verband met een verkeerscontrole. Verzoeker had bloeddoorlopen ogen en zijn adem rook naar alcohol. Bij verzoeker is een ademanalyse afgenomen. De uitslag daarvan is 615 µg/L. Verweerder heeft hierna in het primaire besluit in het belang van de verkeersveiligheid de geldigheid van verzoekers rijbewijs geschorst in ieder geval totdat de uitslag van het onderzoek bekend is.
  3. Verzoeker is het niet eens met het besluit van verweerder en wil graag zo spoedig mogelijk zijn rijbewijs terug. Hij voert aan dat verweerder mede gezien de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 had moeten toetsen of het besluit evenredig is. Volgens eiser is het dat niet, omdat hij zijn rijbewijs dringend nodig heeft voor zijn werk. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat er twijfel is over juistheid van de uitslag van de ademanalyse, omdat er twee analyses zijn afgenomen met een verschil in blaastijd en blaasvolume.
  4. Bij verzoeker is een ademanalyse afgenomen. De uitslag daarvan is 615 µg/L. Als bij een beginnend bestuurder – zoals verzoeker is – de uitslag van de ademanalyse hoger is dan 570 µg/L, is verweerder op grond van de Wegenverkeerswet verplicht om verzoeker een medisch onderzoek op te leggen en zijn rijbewijs te schorsen. De ademanalyse is op juiste wijze door de politie afgenomen. Er zijn verplicht twee meetmomenten en het verschil in uitkomst van de twee ademanalyses ligt binnen de daarvoor geldende marges. Omdat verweerder op grond van de Wegenverkeerswet verplicht is om in verzoekers geval een onderzoek op te leggen en het rijbewijs te schorsen, kan verweerder niet afwijken en er is dan ook geen ruimte om rekening te houden met de belangen van verzoeker. De rechtbank begrijpt dat verzoeker veel last heeft van de schorsing van zijn rijbewijs, maar de rechter moet kijken naar het belang dat met de regelgeving wordt gediend en dat is het belang van de verkeersveiligheid. Dat belang vraagt volgens de wetgever in dit geval het opleggen van een onderzoek en het schorsen van de geldigheid van het rijbewijs. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op wat verzoeker heeft aangevoerd, niet is gebleken dat de belangen van verzoeker onevenredig worden geraakt. Mocht er wel ruimte zijn geweest om belangen te wegen dan zou die weging in het nadeel van eiser zijn uitgevallen, omdat de veiligheid van de verkeersdeelnemers belangrijker wordt gevonden. De voorzieningenrechter ziet daarom op dit moment niet in dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
  5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 februari
  6. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. ECLI:NL:RVS:2022:
  7. Artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 23, eerste lid, onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid
  8. Artikel 10 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer en artikel 5 van de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.