RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/097126-21 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 15 maart 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1998] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] TE [woonplaats] , gedetineerd te P.I. Nieuwegein, hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 maart
(4)jongens in de auto zaten. […] Ik kan deze jongens als volgt omschrijven: Man 1: Blanke huidskleur; Ongeveer 1.90 meter lang; Man 2: Blanke huidskleur; Semi Aziatisch/Indonesische ogen; Man 3: Vermoedelijk Marokkaanse afkomst; Man 4: Vermoedelijk Marokkaanse afkomst; Op dat moment kwam [slachtoffer 1] naar buiten gelopen. Ik hoorde man 3 zeggen: “Ik zal eerlijk zijn, wij komen niet voor een scooter. Jij hebt mijn vrouw in het bijzijn van mijn kinderen geslagen.” Ik voelde en zag dat ik direct een vuistslag van man 1 op de linkerkant van mijn kaak kreeg. Ik voelde een pijnsteek in mijn gezicht. Ik viel van deze klap op mijn kaak achterover en viel op de grond. Ik zag en voelde dat man 3 mij sloeg en schopte. Tijdens mijn val en door de klappen had ik pijn aan mijn rechter ellenboog en aan de pink van mijn linkerhand. Ik heb pijn en letsel overgehouden van dit voorval. Getuige [getuige 1] heeft onder meer het volgende verklaard: Ik ben woonachtig op de [adres] in [woonplaats] . Ik woon daar samen met mijn man [slachtoffer 1] […]. Vandaag, 13 september 2019, omstreeks 19.45 uur, kwam ik aan bij onze woning. Ik zag dat de 4 personen voor de woning bleven hangen. Mijn zwager sprak de 4 personen aan en vroeg of er wat aan de hand was. Vervolgens [zag] ik dat er een schermutseling ontstond in de voortuin. […] Ik zag dat er volop aan mijn man en zwager werd getrokken en dat zij werden geslagen door de 4 personen. Terwijl mijn man bij de voordeur stond, […] zag ik dat persoon 3, dit is de Aziatische man, achter hem stond en uithaalde met een voorwerp gelijkend op een vuurwapen, die hij in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat de Aziatische persoon met het vuurwapen achter op het hoofd van mijn man sloeg. Ik zag dat dit men kracht gebeurde en dat het hoofd van mijn man begon te bloeden. In de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] staat onder meer het volgende: Op maandag 26 november 2019, […] hield ik, naar aanleiding van een op 13 september 2019 gepleegde mishandeling, bedreiging en openlijk geweldpleging in bureau Utrecht Noord, een meervoudige fotobewijsconfrontatie met de getuigen: [slachtoffer 2] […], [slachtoffer 1] […], en [getuige 1] […]. Bij deze confrontatie werden separaat aan de getuigen met behulp van een beeldscherm sequentieel 12 foto’s van personen getoond, waaronder een foto van de verdachte: [verdachte] […]. [getuige 1] Confrontatie met getuige [getuige 1] De foto van verdachte [verdachte] stond daarbij op plaats
- […] confronteerde ik als getuigenbegeleider […], de getuige: [getuige 1] . Ik toonde aan de getuige de foto’s van de personen sequentieel op een beeldscherm. De foto’s waren doorlopend genummerd van 1 tot en met
- Iedere foto kwam 4 seconden in beeld. Terwijl de getuige naar de selectie keek, hoorde ik dat zij uit eigen beweging duidelijk ‘ja’ zei bij foto
- […] Op mijn vraag wat zijn rol bij het feit was geweest antwoordde zij: “Hij heeft mijn man op zijn hoofd geslagen met een vuurwapen.” [slachtoffer 2] Confrontatie met getuige [slachtoffer 2] De foto van verdachte [verdachte] stond op plaats
- […] confronteerde ik als getuigenbegeleider […], de getuige: [slachtoffer 2] . Ik toonde aan de getuige de foto’s van de personen sequentieel op een beeldscherm. De foto’s waren doorlopend genummerd van 1 tot en met
- Iedere foto kwam 4 seconden in beeld. Terwijl de getuige naar de selectie keek, hoorde ik dat hij uit eigen beweging […] bij foto 9 zei: “1000% zeker” “De man op foto 9, dat was degene met het vuurwapen en fysiek geweld.” [slachtoffer 1] Confrontatie met getuige [slachtoffer 1] De foto van verdachte [verdachte] stond op plaats
- […] confronteerde ik als getuigenbegeleider […], de getuige: [slachtoffer 1] . Ik toonde aan de getuige de foto’s van de personen sequentieel op een beeldscherm. De foto’s waren doorlopend genummerd van 1 tot en met
- Iedere foto kwam 4 seconden in beeld. Terwijl de getuige naar de selectie keek, hoorde ik dat hij uit eigen beweging zei bij nummer 6: “Ja” […] “Die heeft met een […] wapen lopen zwaaien, hij wilde schieten en ik heb met hem geworsteld. . […]” Bewijsoverwegingen Op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 september 2019 te Utrecht, samen met anderen, openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat hij op diezelfde dag [slachtoffer 1] heeft bedreigd door hem een vuurwapen te tonen. Feit 1 primair Op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [getuige 1] , staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat vier personen naar het huis van [slachtoffer 1] zijn gegaan. Voornoemde aangevers en getuige verklaren alle drie over twee Marokkaans uitziende jongens, één Hollandse jongen en één Aziatische jongen. Deze jongens hebben [slachtoffer 2] geslagen en geschopt en de Aziatische jongen heeft [slachtoffer 1] met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op zijn hoofd geslagen. Gelet op de eerdere verkeersruzie die dag tussen [slachtoffer 1] en mevrouw [A] , het feit dat een van de medeverdachten de vriend is van die [A] en de uitlatingen van verdachten, volgt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat de vier jongens tezamen op zoek waren naar de fysieke confrontatie met [slachtoffer 1] . Omdat [slachtoffer 2] zich hiermee bemoeide, is ook tegen hem geweld gebruikt. Beide aangevers hebben door de geweldshandelingen van deze verdachten letsel opgelopen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of een van de daders, die in de verklaringen van aangevers en getuigen als (semi-)Aziatisch wordt aangeduid en die [slachtoffer 1] met een vuurwapen op zijn hoofd heeft geslagen, verdachte Van [verdachte] is. De rechtbank is van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord en overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank is, met de raadsvrouw, van oordeel dat op basis van de door [getuige 1] gemaakte foto van de vermeende dader niet tot een betrouwbare herkenning kan worden gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze foto te vaag om hierop een persoon te kunnen herkennen. Uit de foslo-confrontaties met getuigen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [getuige 1] komt echter duidelijk naar voren dat verdachte degene is die [slachtoffer 1] met het vuurwapen op het hoofd heeft geslagen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op basis van deze foslo-confrontaties, in combinatie met de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de getuigenverklaring van [getuige 1] , wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte een van de vier jongens is geweest die verhaal is gaan halen naar aanleiding van de verkeersruzie en dat hij samen met de medeverdachten geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Feit 2 De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich door het tonen van een vuurwapen schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 1] . Verdachte haalde dit vuurwapen immers tevoorschijn en hield dit ter hoogte van het hoofd van [slachtoffer 1] , waardoor het vuurwapen zichtbaar was voor [slachtoffer 1] . Door dit tonen van het vuurwapen in combinatie met de dreigende situatie en het gebezigde geweld, kon naar het oordeel van de rechtbank bij die [slachtoffer 1] de vrees ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Naar het oordeel van de rechtbank moet het opzet van verdachte, gelet op de omstandigheden waaronder hij het wapen heeft getrokken en getoond, hierop ook gericht zijn geweest. Partiële vrijspraak De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van het in vereniging plegen van feit 2, nu op basis van het dossier medeplegen van bedreiging niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er is immers niet gebleken van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van dit feit. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Feit 1 primair op 13 september 2019 openlijk, te weten aan de [straat] te [woonplaats] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] door - met kracht tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te stompen en tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan en te schoppen, en - met kracht met een (vuur)wapen, althans met een hard voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan, en - (daarbij) die [slachtoffer 2] ten val te brengen, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad; Feit 2 op 13 september 2019 te Utrecht, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] te tonen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: Feit 1 primair openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft; Feit 2 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van zeven maanden, met aftrek van het voorarrest, waarbij de officier van justitie rekening gehouden heeft met de toepassing van artikel 63 Wetboek van Strafrecht en de overschrijding van de redelijke termijn. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met het feit dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht (meermalen) van toepassing is alsook met de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsvrouw acht deze factoren onvoldoende verdisconteerd in de strafeis van de officier van justitie en verzoekt de rechtbank deze eis te matigen. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging en bedreiging met een vuurwapen. Dit zijn ernstige feiten die zich bovendien in een woonwijk hebben afgespeeld. Uit het dossier, het onderzoek ter terechtzittingen de op de zitting voorgelezen slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] wordt duidelijk welke impact deze handelingen van verdachte op hem en zijn familie hebben gehad. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en ook hebben zij hierdoor letsel opgelopen. Daarbij zorgen dergelijke feiten voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij, temeer nu meerdere buurtbewoners hiervan getuige waren. Persoon van verdachte Uit een de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 18 februari 2022 blijkt dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en bedreiging. Bovendien liep verdachte in een proeftijd. Met betrekking tot onderhavige zaak wilde verdachte niet met de reclassering in gesprek. Wel heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van 30 juni 2021, opgemaakt ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/097126-
- Hieruit volgen grote zorgen omtrent verdachte, maar uit het rapport blijkt ook dat verdachte geen hulp wil, waardoor mogelijke beïnvloeding van gedrag door middel van gedragsinterventies en het op deze wijze reduceren van risico’s door de reclassering niet mogelijk wordt geacht. Zowel het risico op recidive, als op letselschade, als op het onttrekken aan voorwaarden, wordt ingeschat als hoog. Geadviseerd wordt aan verdachte een onvoorwaardelijke (gevangenis)straf op te leggen. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte vier dagen in voorlopige hechtenis heeft gezeten ten aanzien van de tenlastegelegde feiten. Verdachte zit momenteel gedetineerd vanwege de veroordeling voor de zaak met parketnummer 16/324920-
- De raadsvrouw bracht ter zitting naar voren dat verdachte, mede gelet op de duur van deze detentie en de (mogelijke) v.i.-regeling tegen het einde hiervan, ten aanzien van de onderhavige zaak niet heeft meegewerkt met reclasseringstoezicht. Straf Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten. Hieruit volgt dat het uitgangspunt bij openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel ten gevolge een taakstraf van 150 uur (omgerekend 75 dagen gevangenisstraf) is en voor bedreiging met een vuurwapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en het feit dat er sprake is van recidive, kan naar het oordeel van de rechtbank met geen andere straf worden volstaan dan een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Redelijke termijn Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Verdachte is op 17 december 2019 voor het eerst verhoord door de politie. Op dat moment kon verdachte in redelijkheid verwachten dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Het vonnis wordt op 15 maart 2022 gewezen. Daarmee is de redelijke termijn met drie maanden overschreden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan verdachte, zal de rechtbank compensatie toepassen door middel van strafvermindering. Zonder de overschrijding van de redelijke termijn zou aan verdachte een (iets) hogere gevangenisstraf zijn opgelegd. Conclusie Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden passend en geboden. 9BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 15.511,
- Dit bedrag bestaat uit € 13.011,81 materiële schade en € 2.500,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte tenlastegelegde. 9.1 Het standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van het bedrag aan materiële schade heeft de officier van justitie gevorderd toe te wijzen de kosten voor de leaseauto, het eigen risico, de medische kosten, de kosten voor de sportschool en de reiskosten. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie gevorderd dit bedrag geheel toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de kosten voor de leaseauto en de sportschool af te wijzen, nu deze kosten in onvoldoende rechtstreeks verband staan met het tenlastegelegde en de vordering ten aanzien van het overige niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de complexiteit van de vordering. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat een dergelijke vordering thuishoort bij de civiele rechter. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht het bedrag te matigen. Hiertoe is een tweetal vergelijkbare zaken aangehaald (met parketnummers 22/003109-17 en 08/122753-21). 9.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in diens vordering, voor zover deze ziet op materiële schade. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde kosten heeft gemaakt, maar dat behandeling van dit gedeelte van de vordering een onevenredige belasting oplevert van het strafgeding. De rechtbank heeft bij haar overweging betrokken dat de vordering omvangrijk en complex is, alsmede dat de onderbouwing van de kosten op punten onduidelijk is. Bijvoorbeeld dat de benadeelde partij stelt dat hij slechts 70% van zijn loon doorbetaald heeft gekregen, terwijl hij op grond van zijn arbeidsovereenkomst gedurende het eerste jaar van zijn arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft op 100% loon. Ook is niet duidelijk welke reis- of medische kosten zien op het bewezen verklaarde en welke kosten zien op de verwonding die de benadeelde partij eerder die dag eveneens op 13 september 2019 had opgelopen of de kennelijk toen al bestaande arbeidsongeschiktheid van de benadeelde partij. Immateriële schade De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, nu de benadeelde partij door de door verdachte begane feiten pijn en psychisch en fysiek letsel heeft bekomen.. Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van (de gevolgen van) de feiten, de bedragen die in soortgelijke gevallen worden toegekend en de impact die de feiten op [slachtoffer 1] hebben gehad. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 1.500,- in dit geval billijk is. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 1.500,- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2019 tot de dag van de algehele voldoening. De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering. Schadevergoedingsmaatregel Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.500,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 13 september 2019tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling aan te vullen met 25dagen hechtenis. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Proceskosten Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. 10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 63, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 11BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde onder feit 1 primair en feit 2 bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart hetgeen meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Benadeelde partij [slachtoffer 1] wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2019 tot de dag van volledige betaling; verklaart de benadeelde partij wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat € 1.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2019 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling aan te vullen met 25 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed. Dit vonnis is gewezen door mr. I.G.C. Bij de Vaate, voorzitter, mrs. E.J. van Rijssen en A. Scheper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H. Lagerweij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 maart
- De oudste en jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: Feit 1 hij op of omstreeks 13 september 2019 openlijk, te weten op/aan de [straat] te [woonplaats] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] door - één of meermalen (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en/of te duwen en/of (met geschoeide voet) te schoppen en/of te trappen en/of - één of meermalen (met kracht) met een (vuur)wapen, althans met een hard voorwerp, en/of met (gebalde) vuisten tegen/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan, en/of - ( daarbij) die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ten val te brengen terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad; ( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 13 september 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met voorbedachten rade [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] - één of meermalen (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en/of te duwen en/of (met geschoeide voet) te schoppen en/of te trappen en/of - één of meermalen (met kracht) met een (vuur)wapen, althans met een hard voorwerp, en/of met (gebalde vuisten tegen/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan, en/of - ( daarbij) die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ten val te brengen ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] pijn heeft/hebben ondervonden en/of letsel heeft/hebben bekomen; ( art 301 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) Feit 2 hij op of omstreeks 13 september 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te tonen; ( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 19 december 2019, genummerd 191205.1328.09425 (documentcode), opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met
- Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina
- Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina
- Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina
- Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina
- Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , pagina
- Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , pagina
- Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , pagina
- Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , pagina
- Een proces-verbaal van meervoudige fotobewijsconfrontatie, pagina
- Een proces-verbaal van meervoudige fotobewijsconfrontatie, pagina
- Een proces-verbaal van meervoudige fotobewijsconfrontatie, pagina
- Een proces-verbaal van meervoudige fotobewijsconfrontatie, pagina
- Een proces-verbaal van tonen selectie bij meervoudige fotobewijsconfrontatie, pagina
- Een proces-verbaal van meervoudige fotobewijsconfrontatie, pagina
- Een proces-verbaal van meervoudige fotobewijsconfrontatie, pagina
- Een proces-verbaal van tonen selectie bij meervoudige fotobewijsconfrontatie, pagina
- Een proces-verbaal van meervoudige fotobewijsconfrontatie, pagina
- Een proces-verbaal van tonen selectie bij meervoudige fotobewijsconfrontatie, pagina 164.