RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 9978145 \ MC EXPL 22-3902 Vonnis van 15 maart 2023 in de zaak van [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. M.J.Th. Vrensen (handelend onder de naam Artikel 71 Bedrijfsjuristen), tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. E.J.H. van Lith. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek; - de akte uitlating van [eiseres] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. ( De rechtsvoorganger van) [eiseres] verhuurde aan [gedaagde] het appartement aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) van februari 2016 tot en met mei 2019. 2.2. In artikel 4.1 van de huurovereenkomst is bepaald dat [gedaagde] een vergoeding is verschuldigd voor de onder artikel 6 genoemde bijkomende leveringen en diensten (hierna: de servicekosten), waaronder onder meer begrepen: een vergoeding voor gas, water en elektriciteit, schoonmaakkosten, administratiekosten en verschillende kleine herstellingen. 2.3. [onderneming] B.V. (hierna: de beheerder) beheerde de woning namens [eiseres] . 2.4. Op 24 september 2021 heeft de beheerder twee afrekeningen terzake servicekosten aan [gedaagde] verzonden (zie productie 3 en 4 bij dagvaarding): een bijbetaling van € 788,43 (= totaal van € 3.464,43 minus betaald voorschot van € 2.676,00) over de periode maart 2018 tot en met februari 2019 (hierna: de eerste afrekening) en; een bijbetaling van € 149,25 (= totaal van € 818,25 minus betaald voorschot van € 669,00) over de periode maart 2019 tot en met mei 2019 (hierna: de tweede afrekening). Beide bijbetalingen zijn door [gedaagde] voldaan. 2.5. [gedaagde] heeft op 7 en op 19 november 2021 de huurcommissie verzocht om een uitspraak te doen over een aantal kostenposten op respectievelijk de tweede en de eerste afrekening. 2.6. De voorzitter van de huurcommissie heeft op 17 januari 2022 in beide zaken uitspraak gedaan en de totale servicekosten als volgt vastgesteld: € 505,15 voor maart 2018 – februari 2019 (huurcommissie zaaknummer: 390087) en € 112,78 voor maart 2019 – mei 2019 (huurcommissie zaaknummer: 393810). 2.7. [eiseres] is tegen beide uitspraken in verzet gegaan. De huurcommissie heeft op 24 maart 2022 het verzet van [eiseres] in beide zaken ongegrond verklaard (huurcommissie zaaknummers: 417519 over de eerste afrekening en 417521 over de tweede afrekening). 2.8. [eiseres] is het niet eens met deze uitspraken van de huurcommissie en legt deze kwestie daarom voor aan de kantonrechter op grond van artikel 7:262 BW. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert: I. een verklaring voor recht dat [gedaagde] voor haar huurwoning over de periode maart 2018 tot en met mei 2019: – primair – een bedrag aan servicekosten aan [eiseres] is verschuldigd overeenkomstig de berekeningen en specificaties in de afrekeningen van [eiseres] van 24 september 2021, – subsidiair – een door de kantonrechter in goede justitie vastgesteld bedrag aan servicekosten aan [eiseres] is verschuldigd dat ten nauwste aansluit op de vorderingen; II. een proceskostenveroordeling van [gedaagde] . 3.2. [gedaagde] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, ingegaan. 4De beoordeling Niet ontvankelijk (ten aanzien van de tweede afrekening) 4.1. De huurder en de verhuurder worden geacht te zijn overeengekomen wat in de uitspraak van de huurcommissie is vastgesteld, tenzij een van hen binnen acht weken na de verzending van die uitspraak een beslissing van de rechter heeft gevorderd over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht (artikel 7:262 lid 1 BW). 4.2. De uitspraak van de huurcommissie over de tweede afrekening is op 15 april 2022 verzonden en de dagvaarding is op 25 juni 2022 betekend. De dagvaarding is dus, zoals [eiseres] ook erkent, niet binnen voormelde achtwekentermijn ingediend. 4.3. Het standpunt van [eiseres] dat geen sprake was van een fictieve wilsovereenstemming (als bedoeld in artikel 7:262 lid 1 BW), omdat partijen na die uitspraak tevergeefs hebben geprobeerd om alsnog overeenstemming te bereiken, kan niet worden gevolgd. De binding aan de uitspraak van de huurcommissie gaat namelijk direct in en niet pas na ommekomst van de achtwekentermijn, zodat partijen meteen uitvoering moeten geven aan de gevolgen van de uitspraak. Als [eiseres] het niet eens is met de uitspraak, dan ligt het op haar weg om tijdig een vordering in te stellen, ook als zij meent dat de huurcommissie in strijd heeft gehandeld met het recht op hoor en wederhoor. [eiseres] heeft zelf nagelaten om tijdig een vordering in te stellen. Deze fout ligt in [eiseres] risicosfeer en kan daarom niet aan [gedaagde] worden tegengeworpen. De gevolgen van deze fout moeten daarom voor [eiseres] eigen rekening en risico blijven. Er valt dan ook niet in te zien waarom een niet-ontvankelijk verklaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zoals [eiseres] meent. 4.4. Het voorgaande betekent dat [eiseres] niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering voor zover die ziet op de uitspraak van de huurcommissie over de tweede afrekening. Dit brengt met zich dat partijen moeten worden geacht te zijn overeengekomen wat in die uitspraak door de huurcommissie is vastgesteld. 4.5. Daarbij gaat de kantonrechter ervan uit dat de (voorzitter van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.