RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/203028-22 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 22 maart 2023 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] , [postcode 1] te [woonplaats] . hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op 17 oktober 2022 en 8 maart
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Lousberg en van hetgeen verdachte en zijn raadslieden, mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam, en mr. F.J.H.M. Berndsen en mr. M.M.P.E. van Helmond, beiden advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: in de periode van 1 mei 2014 tot 11 augustus 2015 te Rotterdam, ten behoeve van de aanvraag van een hypothecaire lening bij ING Bank N.V., in vereniging werkgeversverklaringen en/of loonstroken valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst (dan wel doen opmaken of doen vervalsen) en/of opzettelijk gebruik heeft gemaakt van deze geschriften. Feit 2: in de periode van 22 april 2016 tot 1 juli 2016 en van 1 december 2016 tot 7 februari 2017 te Rotterdam, ten behoeve van de aanvraag van een hypothecaire lening bij NIBC Vastgoed Hypotheek, in vereniging werkgeversverklaringen en/of loonstroken valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst (dan wel doen opmaken of doen vervalsen) en/of opzettelijk gebruik heeft gemaakt van deze geschriften. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van verdachte overweegt de rechtbank het volgende. Ter terechtzitting heeft de verdediging een beroep gedaan op artikel 359a Wetboek van Strafvordering en zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat met het handelen door het Openbaar Ministerie inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor er geen sprake meer is van een eerlijk proces. De verdediging stelt dat sprake is van grove veronachtzaming van de belangen van verdachte bij een eerlijke behandeling van zijn zaak dan wel dat met het handelen door het Openbaar Ministerie een fundamentele inbreuk is gemaakt op de grondslagen van het strafproces, waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt. Voorts stelt de verdediging dat de redelijke termijn in die mate is overschreden dat dat tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te leiden. De officier van justitie heeft dienaangaande aangevoerd dat overschrijding van de redelijke termijn niet pleegt te leiden tot niet-ontvankelijkheid. Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het onderhavige opsporingsonderzoek aanvankelijk was gericht op andere strafbare feiten, waartoe verschillende opsporingsbevoegdheden en handhavings-middelen zijn ingezet. Die inzet was proportioneel en kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid. De rechtbank overweegt allereerst dat een overschrijding van de redelijke termijn niet zonder meer kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie (vergelijk Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Voorts overweegt de rechtbank dat ook het overigens aan het verweer ten grondslag gelegde niet kan leiden tot het oordeel dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten die van dien aard is en zodanig ernstig is dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat met het handelen van het Openbaar Ministerie met grove veronachtzaming voorbij is gegaan aan de belangen van verdachte en diens recht op een eerlijk proces. Evenmin is onderbouwd dat een fundamentele inbreuk is gemaakt op de grondslagen van het strafproces, waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt. Het feit dat aanvankelijk sprake was van een aanzienlijk ruimere verdenking dan uiteindelijk in de tenlastelegging is opgenomen, waardoor verdachte is onderworpen aan verscheidene onderzoekshandelingen en inzet van bestuursrechtelijke bevoegdheden, maakt dit alles niet anders. Van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering is niet gebleken. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen, zodat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. 4VRIJSPRAAK 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ten aanzien van beide feiten partieel vrij te spreken van het ten laste gelegde valselijk (doen) opmaken dan wel (doen) vervalsen van geschriften. De officier van justitie acht het ten aanzien van beide feiten ten laste gelegde opzettelijk gebruikmaken van valse dan wel vervalste geschriften wel wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak De rechtbank overweegt dat het procesdossier aanwijzingen bevat die een tenlastelegging van gebruikmaking van valse dan wel vervalste geschriften met betrekking tot een fictief dienstverband kunnen rechtvaardigen. Echter, gelet op de zich in het procesdossier bevindende contra-indicaties, in het bijzonder de verklaringen van toenmalige werkgevers en de bewijsstukken van salarisbetalingen, is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden geconcludeerd dat sprake was van een fictief dienstverband van verdachte en/of diens medeverdachte. Om die reden heeft de rechtbank niet de overtuiging dat de in de tenlastelegging genoemde geschriften vals waren of valselijk waren opgemaakt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van beide ten laste gelegde feiten. Bewijsverweren Gelet op de vrijspraak, behoeven de door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van het bewijs geen nadere bespreking. 5BESLAG 5.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen telefoon terug te geven aan verdachte en het in beslag genomen stroomstootwapen te onttrekken aan het verkeer. 5.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Onder verdachte is een stroomstootwapen in beslag genomen. Het voorhanden hebben van een stroomstootwapen is een strafbaar feit. De rechtbank zal krachtens artikel 36b Wetboek van Strafrecht de onttrekking aan het verkeer van het stroomstootwapen opleggen omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Daarnaast zal de rechtbank de teruggave aan verdachte als beslagene gelasten van de in beslag genomen telefoon. 6BESLISSING De rechtbank: vrijspraak - verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. beslag - verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer: o 1 stroomstootwapen (Omschrijving: M DRAA18012_564163, zwart, chassisnr: [chassisnummer] ); - gelast de teruggave aan verdachte van: o 1 telefoon (Omschrijving: Zwart, merk: Blackberry / C S2). Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak, voorzitter, mr. L.C. Michon en mr. A.E. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Buel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 maart
- Mr. Van der Wal is buiten staat dit vonnis te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 1 hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met 11 augustus 2015, in Rotterdam, althans (telkens) (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een (of meer) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en), namelijk (een of meer) loonstro(o)k(en) en/of werkgeversverklaring(en) van [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] B.V. (Dossier, p. 1248 e.v.) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, valselijk en/of in strijd met de waarheid heeft opgemaakt en/of heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen en daarvan opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid hierin, dat valselijk, immers in strijd met de waarheid, - in die werkgeversverklaring is opgenomen dat [verdachte] vanaf 3 november 2014 in vaste dienst was als intermediair bij [bedrijf 1] B.V. met een brutosalaris van € 37.700,- en € 3.016,- vakantietoeslag en/of -op de loonstrook van [bedrijf 1] B.V. aan [verdachte] is vermeld dat [verdachte] in dienst was bij [bedrijf 1] B.V. vanaf 3 november 2014 en/of over de periode van 20-4-2015 tot 17-5-2015 160 uren heeft gewerkt tegen een loon van € 2.900,- en uitbetaling vakantiegeld van € 1.792,70 en/of - in die werkgeversverklaring is opgenomen dat [medeverdachte] vanaf 1 mei 2014 in dienst was als algemeen medewerker bij [bedrijf 2] B.V. met een brutosalaris van € 24.000,- en € 1.920,- vakantietoeslag en/of -op de loonstrook van [bedrijf 2] B.V. aan [medeverdachte] is vermeld dat [medeverdachte] vanaf 1-5-2014 in dienst was bij [bedrijf 2] B.V. en dat [medeverdachte] over de periode van 01-04-2015 tot 30-4-2015 176 uren heeft gewerkt tegen een loon van € 2.000,- en bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), voornoemde valse loonstro(o)k(en) en/of werkgeversverklaring(en) heeft overlegd / doen toekomen aan ING Bank N.V., ten behoeve van een aanvraag voor een hypothecaire lening (van € 86.729,- met onderpand [adres 2] , [postcode 2] [plaats] – offerte ING Bank N.V. p. 2997 dossier, aanvullend pvb, bijlage 1). Art 225 lid 2 Wetboek van strafrecht Art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht 2 hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de perioden van 22 april 2016 tot en met 1 juli 2016 en 1 december 2016 tot en met 7 februari 2017, in Rotterdam, althans (telkens) (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een (of meer) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en), namelijk (een of meer) rapporten betreffende inkomen, bezittingen en schulden en/of aangifte(n) inkomstenbelasting (dossier, p. 759 e.v. en aanvullend proces-verbaal, bijlagen 2,3,4, en 6) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, valselijk en/of in strijd met de waarheid heeft opgemaakt en/of heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen en daarvan opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid hierin, dat valselijk, immers in strijd met de waarheid, - in het rapport betreffende inkomen, bezittingen en schulden 2015 is opgenomen dat [verdachte] in dienst zou zijn bij [bedrijf 1] B.V. en loon heeft ontvangen (in totaal € 27.014,-) en/of - in het rapport betreffende inkomen, bezittingen en schulden 2015 is opgenomen dat [medeverdachte] in dienst zou zijn bij [bedrijf 2] B.V. en loon heeft ontvangen (in totaal 14.176,-) en/of - in die aangifte inkomstenbelasting 2015 is opgenomen dat [verdachte] heeft gewerkt bij [bedrijf 1] B.V. en loon heeft ontvangen (in totaal € 38.467,-) en/of - in die aangifte inkomstenbelasting 2015 is opgenomen dat [medeverdachte] heeft gewerkt bij [bedrijf 2] B.V. en loon heeft ontvangen (in totaal € 18.080,-) en bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), voornoemd valse rapport en/of aangifte inkomstenbelasting heeft overlegd / doen toekomen aan NIBC Vastgoed Hypotheek, ten behoeve van (een) aanvra(a)g(en) voor (een) hypothecaire lening(en) (van € 497.200,- en/of € 177.800 - offertes 10 mei 2016 en 1 december 2016, dossier p. 1137, p. 1152 en aanvullend proces-verbaal van bevindingen, p. 2995). Art 225 lid 2 Wetboek van strafrecht Art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht