RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/973 uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2023 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (gemachtigde: J.M. van Holt). Inleiding Verzoekster heeft op 18 januari 2023 een bijstandsuitkering aangevraagd. Met het primaire besluit van 7 februari 2023 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij over onvoldoende middelen beschikt om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft zij hangende het bezwaar een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank. Deze procedure gaat over dit verzoek. Beoordeling door de voorzieningenrechter 1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Verzoekster heeft echter niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat is om in haar levensonderhoud te voorzien, dat sprake is van schulden op grond waarvan acute dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting van levering van energie en water of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten. Gezien de overgelegde stukken, kan de voorzieningenrechter niet tot die conclusie komen. Dit betekent dat wat verzoekster heeft aangevoerd geen grond oplevert om te oordelen dat sprake is van een actueel financieel spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank legt dat hieronder uit. 3. De rechtbank heeft verzoekster op 3 maart 2023 gevraagd het spoedeisend belang door middel van stukken met betrekking tot de financiële situatie nader te onderbouwen. Verzoekster heeft vervolgens bij brief van 20 maart 2023 aangevoerd dat zij geen enkele bron van inkomsten heeft en hierdoor de vaste lasten niet volledig kan betalen en geld van familie en vrienden moet lenen voor boodschappen. Zij heeft hierdoor betalingsachterstanden onder andere bij haar zorgverzekeraar, de rijschool en T-Mobile. De en/of- rekening die zij samen met haar ex-partner heeft staat meer dan € 1.000,- in de min. Daarbij stelt verweerder ten onrechte dat verzoekster de beschikking zou hebben over het inkomen van haar ex-partner. Hij verdient circa € 6.200,- netto per maand, maar ontvangt dit bedrag op een zakelijke rekening waar verzoekster geen toegang toe heeft. Het klopt dat op 19 januari 2023 nog een bedrag van € 4.000,- is overgemaakt van de spaarrekening van verzoekster naar de en/of rekening, maar dit geld is direct aangewend om schulden af te lossen. Van het spaargeld van verzoekster is nu ongeveer € 420,- over waar zij de vaste lasten en boodschappen van moet betalen. Dit laatste is volgens verzoekster niet mogelijk. Daar komt nog bij dat verzoekster de zorg heeft voor haar twintigjarige zoon die niet werkt en ook geen studiefinanciering kan aanvragen door het inkomen van zijn vader. Zij heeft daarbij de volgende stukken ingediend: Een tweetal incasso’s namens Klarna; Een betalingsverzoek in verband met een theoriecursus; Een A4 waarop staat : ‘30 lessen van 60 minuten € 1.440,- betaling in termijn mogelijk’; Een uitdraai van de website van woningnetregioamsterdam.nl met betaalinformatie waarop staat: ‘Betaling succesvol verwerkt of hoeft niet te betalen’; Een A4 met daarop: ‘openstaande facturen Maart 2023 € 57,48 betaling ingepland op 26 maart 2023; Een betalingsherinnering van infomedics met betalingskenmerk eindigend op [betalingskenmerk] ; Een afschrift van een ING-betaalrekening eindigend op [rekeningnummer 1] , bladzijde 1 van 6, waaruit blijkt van een eindsaldo van -€ 1.009,91 op 12 maart 2023; Een verklaring van [A] dat zij € 2.200,- heeft geleend aan verzoekster en dat dit bedrag inmiddels is terugbetaald; Een rekeningafschrift van een Rabobank-spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 2] waaruit lijkt dat € 100,- is afgeschreven naar een andere Rabobank-rekening van verzoekster eindigend op nummer [rekeningnummer 3] en dat er een eindsaldo is van € 420,88 op 13 maart 2023. 4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met deze stukken het betoog verzoekster in de brief van 20 maart 2023 niet is onderbouwd en daarnaast geenszins het spoedeisend belang is onderbouwd. Uit de incasso’s (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.