RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16-274964-20 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 7 maart 2023 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. E. Wiersma en van hetgeen mr. S. Melliti, advocaat te Utrecht, namens verdachte, alsmede hetgeen mr. P. Meijer, advocaat te Rotterdam, namens de benadeelde partij [benadeelde] , naar voren heeft gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: op 25 september 2020 in Utrecht openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] met lichamelijk letsel als gevolg. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4VRIJSPRAAK 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij drie personen geweld heeft zien uitoefenen op een ander persoon, dat de derde persoon uit een lichtkleurige auto kwam, het slachtoffer schopte en kort daarna weer in deze auto stapte en wegreed. [benadeelde] heeft wel verklaard dat verdachte vanaf het begin van het incident aanwezig was. Hij spreekt echter van een donkerkleurige BMW waarin de verdachten reden. Op grond van het voorgaande constateert de rechtbank dat alleen [benadeelde] verklaart over de betrokkenheid van [verdachte] , de broer van [A] . Deze verklaring wordt niet door andere bewijsmiddelen in het dossier ondersteund. Onder deze feiten en omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] . De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het ten laste gelegde feit. 5BENADEELDE PARTIJ [benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 42.425,32, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. 5.1 Het standpunt van de officier van justitie Gelet op de gevorderde vrijspraak, concludeert de officier van justitie dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 5.2 Het standpunt van de verdediging Gelet op de bepleite vrijspraak, verzoekt de raadsvrouw primair dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat het behandelen van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces is, zeker gelet op het feit dat de vordering één dag voor de zitting is ingediend en in totaal 64 pagina’s beslaat. 5.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zal de benadeelde partij in de kosten van verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. 6BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Benadeelde partij [benadeelde] verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van Rijssen, voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en G. Schnitzler, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.J.A. Barends, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 maart
- Mr. Verschoor-Bergsma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 25 september 2020 te Utrecht openlijk, te weten op de Koningin Wilhelminalaan , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde] , door: - met een mes althans met een scherp voorwerp op/in de arm althans het (boven)lichaam van die [benadeelde] te steken en/of - op/tegen het hoofd althans het lichaam te slaan, te stompen en/of te schoppen, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten een doorgesneden zenuw (in de arm) voor die [benadeelde] ten gevolge heeft gehad; (Artikel 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) (art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)