RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Utrecht Zaaknummer: C/16/551948 / JE RK 23-206 Datum uitspraak: 13 februari 2023 Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van [vader] , hierna: de vader, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. C.J.P. Liefting, betreffende [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [moeder] , hierna: de moeder, wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. P.C. Smit, de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND, hierna: de GI, gevestigd te Utrecht , de familie [pleegouders] , hierna: de pleegouders, wonende te [woonplaats 3] . Het procesverloop Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoek van de vader van 3 februari 2023 met bijlagen en de brief van 9 februari 2023 met bijlagen. De feiten Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. Bij beschikking van 12 januari 2019 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna verlengd, voor het laatst tot 9 april
- Sinds 12 januari 2019 is [minderjarige] uit huis geplaatst. De kinderrechter heeft bij beschikking van 8 april 2022 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengd tot 9 april
- Het verzoek De vader verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te beëindigen, dan wel het NIFP een opdracht te geven de rechtbank te adviseren of een gang naar huis de beste optie voor [minderjarige] is en zo niet, wat dan wel. De beoordeling De kinderrechter zal de vader niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Op grond van het bepaalde in artikel 1:265d lid 2 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de met het gezag belaste ouder wegens gewijzigde omstandigheden de GI verzoeken de uithuisplaatsing te beëindigen. Uit lid 3 van dat artikel volgt dat de GI een schriftelijke beslissing neemt binnen twee weken na ontvangst van het verzoek van die ouder. Indien de GI daartoe niet, of niet tijdig, overgaat kan die ouder op grond van lid 4 van dat artikel hetzelfde verzoek aan de kinderrechter doen. Uit het verzoekschrift van de vader blijkt niet dat de vader een verzoek zoals hierboven is bedoeld heeft ingediend bij de GI. De (advocaat van) vader heeft de GI op 31 januari 2023 enkel een mail gestuurd met de tekst: “… maar het kan in het belang van [minderjarige] zijn dat Save zich openstelt voor deze gedachte; is het een idee om uit te zoeken of het inderdaad zo is dat [minderjarige] toch een verlangen heeft om terug naar huis te gaan, hoe ingewikkeld dat ook is voor hem …”. Uit deze mail aan de GI blijkt niet dat de vader de GI daadwerkelijk vraagt om de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen. Nu hij dat niet heeft gedaan heeft hij de in artikel 1:265d BW voorgeschreven route niet gevolgd. Dat maakt dat hij kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn verzoek aan de kinderrechter. De beslissing De kinderrechter: verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Deze beschikking is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Clement, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 februari
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.