← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2023:1845

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/2091 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2023 in de zaak tussen [eiseres] , gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.J.A. Huisman). Zitting De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van verweerder van 1 april 2022 op 3 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het opleggen van een bestuurlijke boete van € 18.000 wegens een herhaalde overtreding van de artikel 18, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Met het bestreden besluit van 1 april 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Beoordeling door de rechtbank Is eiseres terecht als werkgever aangemerkt?

  1. Verweerder heeft aan eiseres een boete opgelegd omdat hij als werkgever ten aanzien van [betrokkene] (betrokkene) niet de in artikel 18b, tweede lid, van de Wml genoemde gegevens aan de Nederlandse Arbeidsinpectie heeft verstrekt. Het gaat daarbij onder meer over gegevens waaruit blijkt of aan de werknemer loonopgaven zijn gedaan, welk loon en vakantiebijslag zijn betaald en hoeveel uren er zijn gewerkt. Omdat deze gegevens niet zijn verstrekt is volgens verweerder sprake van een overtreding.
  2. Eiseres heeft betwist dat zij werkgever is en vindt dat zij dus niet gehouden was gevolg te geven aan de verplichting van het verstrekken van de gegevens. Betrokkene heeft weliswaar arbeid verricht maar niet op grond van een arbeidsovereenkomst, maar als vennoot van een vennootschap onder firma.
  3. Volgens artikel 18b, derde lid, van de Wml is een werkgever degene in of ten behoeve van wiens onderneming, bedrijf of inrichting een persoon arbeid verricht of heeft verricht of waarvan op grond van feiten en omstandigheden naar redelijk vermoeden een persoon arbeid verricht of heeft verricht. Dit geldt behoudens tegenbewijs. Bij het bepalen of sprake is van werkgeverschap zijn de feitelijke omstandigheden van belang.
  4. Uit het boeterapport van 1 juli 2021 kan worden opgemaakt dat betrokkene achter de toonbank bij eiseres verkoopwerkzaamheden heeft verricht waarvoor hij maandelijks een vast bedrag ontving dat als loon kan worden aangemerkt. [vennoot] (de vennoot van eiseres) had het feitelijk voor het zeggen. Hij regelde feitelijk alles wat er binnen een organisatie te regelen valt, van financiën tot de inrichting van de organisatie. Hij was ook belast met de dagelijkse leiding en had zeggenschap over de werkzaamheden van betrokkene. De rechtbank verwijst in dit verband onder meer naar de verklaringen van betrokkene, van de boekhouder en de verklaringen van de vennoot. Verweerder heeft mogen aannemen dat eiseres van betrokkene de werkgever is.
  5. Eiseres heeft geen tegenbewijs ingebracht en alleen gesteld dat volgens haar van een arbeidsovereenkomst geen sprake is. Ook het uittreksel van de Kamer van Koophandel, en de vennootschapsovereenkomst waaruit blijkt dat betrokkene sinds 1 juni 2015 vennoot van de bakkerij zou zijn, doet niet af aan de feitelijke omstandigheden waaronder de werkzaamheden zijn verricht. Daarbij heeft betrokkene zelf verklaard dat hij enkel vennoot is geworden om in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige. Het beroep van eiseres op het arrest Lawri Blum, slaagt niet. Eiseres heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom dit arrest van belang is voor de beoordeling van onderhavige zaak.
  6. Aan eiseres is als werkgever de verplichting opgelegd om gegevens over de werknemer te verstrekken en daar heeft zij niet aan voldaan. Verweerder was daarom bevoegd om een boete op te leggen. Het besluit kan daarom in stand blijven. Conclusie en gevolgen
  7. Eiseres krijgt geen gelijk. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
  8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2023 door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. HvJ EG 3 juli 1986, zaak 66/85, ECLI:EU:C1986:284

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.