RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/124313-22 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 25 april 2023 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1997] te [geboorteplaats] , Turkije, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] te [plaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 augustus 2022 (regie/pro forma) en 11 april 2023 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.J.M. Vreekamp en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F. Tosun, advocaat te Zaandam, alsmede de benadeelde partij mevrouw [A] naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Primair op 18 mei 2022 samen met anderen door bedreiging met geweld, door met een bijl in de richting van de kassières te bewegen, een kassalade gevuld met een geldbedrag heeft gestolen van een [supermarkt] in Utrecht; Subsidiair op 18 mei 2022 te Utrecht medeplichtig is geweest aan de onder de primair ten laste gelegde diefstal met bedreiging met geweld. 3VOORVRAGEN Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen verdachte moet zij kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4VRIJSPRAAK 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Volgens de officier van justitie heeft verdachte de overval op de [supermarkt] samen met medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) gepleegd. De officier van justitie heeft daartoe de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , zoals hij die aanvankelijk bij de politie en later als getuige bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, als uitgangspunt genomen. Uit deze verklaring blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , voorafgaand aan de overval het plan hebben opgevat om de [supermarkt] te beroven. Ze hebben een onderlinge taakverdeling gemaakt en hun bedekkende kleding op elkaar afgestemd. Zij zijn vervolgens samen naar een andere locatie gereden om de bijl te halen, waarna zij ook gezamenlijk naar de [supermarkt] zijn gegaan. De officier van justitie heeft betoogd dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] wordt ondersteund door verschillende bewijsmiddelen. Uit de camerabeelden van de [supermarkt] blijkt dat verdachte en de twee medeverdachten vermomd en met gezichtsbedekkende kleding de winkel binnenliepen. De officier van justitie acht dit opvallend, omdat het die dag zomers weer was. Uit de camerabeelden, de aangiftes van het winkelpersoneel en de verschillende getuigenverklaringen blijkt voorts dat de drie de verdachten in de winkel gezamenlijk optrokken. Te zien was dat ze bij elkaar hoorden. Zo was er overleg zichtbaar tussen de drie verdachten. De officier van justitie concludeert dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Wie binnen het samenwerkingsverband welke feitelijke handelingen heeft verricht, is in de visie van de officier van justitie niet van wezenlijke betekenis. Verdachte heeft een eigen bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan het plegen van de overval. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsvrouw stelt dat verdachte geen wetenschap had van het feit dat medeverdachte [medeverdachte 1] een overval zou plegen. Verdachte heeft bij de politie en tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris ontkend dat sprake was van een vooropgezet plan. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat de getuigenverklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] onbetrouwbaar is en niet kan worden gebruikt voor het bewijs. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft volgens de raadsvrouw niet consistent verklaard over het vooropgezette plan om de [supermarkt] te overvallen en over de rol die verdachte daarin zou hebben gespeeld. Voorts sluit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] volgens de raadsvrouw niet aan bij de verklaring die medeverdachte [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, nu uit deze laatste getuigenverklaring juist blijkt dat geen sprake was van een vooropgezet plan. Daarnaast heeft de raadsvrouw ter terechtzitting betwist dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] in voldoende mate wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Uit de camerabeelden van de [supermarkt] blijkt juist niet dat verdachte gezichtsbedekkende kleding heeft gedragen. Hij kijkt daarentegen recht de camera in. Daarnaast onderschrijven de camerabeelden juist dat verdachte geen enkele bijdrage aan de overval heeft geleverd. Verdachte heeft op het moment dat medeverdachte [medeverdachte 1] de bijl tevoorschijn haalt direct afstand genomen en de winkel verlaten. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Conclusie: vrijspraak De rechtbank is van oordeel dat het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken en overweegt daartoe als volgt. Achtergrond Het staat voor de rechtbank vast dat verdachte in de middag van 18 mei 2022 samen met medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] aanwezig was in het [straat] te [plaats] . Ook staat voor de rechtbank vast dat de drie verdachten vervolgens naar het voormalige werk van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn gereden. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft daar een bijl opgehaald. De drie verdachten zijn vervolgens samen naar een parkeerplaats nabij de [supermarkt] te [wijk] gereden. Uit de camerabeelden van de [supermarkt] blijkt dat de drie verdachten vervolgens gezamenlijk de [supermarkt] binnenlopen. Verdachten zijn ongeveer twee minuten in de winkel aanwezig en lopen daarna samen naar de kassa’s. Daar vindt vervolgens de overval plaats, waarbij medeverdachte [medeverdachte 1] de bijl tevoorschijn haalt, kassières bedreigt, een kassalade uit één van de kassa’s haalt en ten slotte het pand verlaat. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] de winkel bij aanvang van respectievelijk vlak voor de overval hebben verlaten. De rechtbank constateert dat de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten uiteenlopen over de vraag in hoeverre er sprake was van een gezamenlijk vooropgezet plan om de [supermarkt] te overvallen en over de vraag of verdachte daadwerkelijk een rol bij de overval heeft gehad. De verklaring van verdachte komt er in essentie op neer dat hij geen weet heeft gehad van het plan van medeverdachte [medeverdachte 1] om de [supermarkt] te overvallen en dat hij aan de overval geen enkele bijdrage heeft geleverd. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] komt er op neer dat hij eerder die middag, in het [straat] , samen met verdachte tot een vooropgezet plan is gekomen om de [supermarkt] te overvallen en dat hij samen met verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] een bijl is gaan halen. Verdachte zou vervolgens in de winkel aanwezig zijn geweest ter ondersteuning van de overval. [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat verdachte en [medeverdachte 1] het erover hadden gehad om met elkaar te gaan werken en bij de [supermarkt] drinken te halen. Hij heeft verklaard dat verdachte ook de dupe is, omdat [medeverdachte 1] voor de situatie heeft gezorgd. Bij de rechter-commissaris voegt hij daar nog aan toe dat hij en verdachte in de auto zijn blijven zitten bij het tuinhuisje en dat [medeverdachte 1] toen terug kwam de auto in met een tas met gereedschap. Hij heeft ook nog verklaard dat zowel hij als verdachte niets wisten van het plan van [medeverdachte 1] om een overval te gaan plegen. Beoordeling De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader(s). Van zo’n voldoende nauwe en bewuste samenwerking kan allereerst sprake zijn als die samenwerking in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Uit het dossier volgt dat de drie verdachten samen de winkel binnen komen en dan binnen even met elkaar staan te praten. Op de uitdraai van de camerabeelden is te zien dat verdachte en [medeverdachte 1] vervolgens in de rij voor kassa drie staan te wachten en dat verdachte twee drankjes bij zich heeft. [medeverdachte 1] gaat dan voor verdachte in de rij staan. Vervolgens is te zien dat [medeverdachte 1] de bijl op de grond laat vallen. Op dat moment loopt verdachte dan direct om [medeverdachte 1] heen in de richting van de uitgang. Meerdere kassières hebben verklaard dat de drie verdachten zich verdacht gedroegen toen zij in de winkel aanwezig waren, maar wat er verdacht was aan de gedragingen van de drie verdachten hebben zij niet nader geconcretiseerd. Andere getuigen, waaronder supermarktmedewerkers en klanten van de winkel, hebben alleen over het handelen van [medeverdachte 1] verklaard. Getuige [getuige] heeft daar nog aan toegevoegd dat de andere twee mannen geen actieve rol in het incident hebben gehad. Gelet op bovenstaande is van een gezamenlijke uitvoering van de overval geen sprake. Van medeplegen kan ook sprake zijn als er geen gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit heeft plaatsgevonden. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.