RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/2024 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2023 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de korpschef van politie (gemachtigde: mr. S. Maas). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 6 januari 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 april 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. De gemachtigde van verweerder was met bericht van verhindering niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiser is op 19 november 2021 gebeld door [contactpersoon] , inspecteur van de politie (hierna: de contactpersoon). Op diezelfde dag heeft deze contactpersoon aan eiser een e-mail gestuurd, waarin staat dat als eiser aangifte wil doen bij de politie of informatie over een lopende zaak wil hij daarvoor contact met de contactpersoon kan zoeken. Al het contact van eiser met de politie verloopt vanaf dat moment via de contactpersoon, e-mails of telefonische vragen aan anderen binnen de politie zullen niet meer worden beantwoord. Dit wordt intern vastgelegd. Dat komt omdat eiser boos is en scheldt in de gesprekken die hij voert en ervoor zorgt dat een gesprek niet mogelijk is. Ook vraag eiser te veel tijd van de politie. 2. Eiser heeft op 3 december 2021 onder meer verzocht om inzage op grond van artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg), dan wel op grond van de Wob, in alle e-mails van de contactpersoon over diens ondernomen acties om zijn e-mail van 19 november 2021 kracht bij te zetten. Ook vraagt eiser op grond van artikel 25 van de Wpg om de meldingen en communicatie die hij heeft uitgezet naar het call-centrum en/of andere delen van de landelijke politie. Eiser wil verder kennis nemen van alle politiemutaties van het call-centrum en de schriftelijke communicatie vanaf 15 augustus 2021 tot 1 december 2021. Hij wil kunnen vaststellen wat er over hem is geschreven in de politiesystemen om daarna een verzoek op grond van artikel 28 van de Wpg te kunnen indienen. 3. Deze zaak gaat alleen om het verzoek van eiser voor zover dat is gebaseerd op de Wob. Op eisers verzoek dat is gebaseerd op de Wpg heeft verweerder op 21 januari 2022 een afzonderlijk besluit genomen. Dat besluit ligt hier niet ter toetsing voor. 4. In het bestreden besluit in deze zaak heeft verweerder het Wob-verzoek van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat er volgens verweerder geen sprake is van een verzoek als bedoeld in artikel 3 van de Wob. Uit de aard en inhoud van het verzoek blijkt dat eiser inzage wil in politiegegevens op grond van artikel 25 van de Wpg om daarna een verzoek tot verwijdering of correctie te kunnen doen op grond van artikel 28 van de Wpg. Eiser heeft de Wob alleen genoemd om er zeker van te zijn dat er geen informatie buiten beschouwing wordt gelaten bij de behandeling van zijn verzoek om inzage. Uit het verzoek blijkt niet dat het is gericht op openbaar making van documenten, maar dat eiser de stukken wenst te krijgen met het oog op het uitoefenen van zijn recht op grond van artikel 28 van de Wpg. Daarmee vallen de documenten niet onder de Wob. Daar komt bij dat eiser al inzage heeft gehad in de gevraagde documenten op grond van de Wpg. Subsidiair stelt verweerder dat sprake is van misbruik van recht. Vanwege vele procedures over besluiten op grond van de Wpg is eiser bekend met de werkwijze van de politie om geen politiegegevens te verstrekken. Het verstrekken van deze gegevens op grond van de Wob zou het omzeilen van deze vaste werkwijze met zich meebrengen. Verweerder gaat er daarom vanuit dat eiser met zijn Wob-verzoek bewust heeft geprobeerd om de vaste werkwijze van de politie te omzeilen. Dit geeft blijkt van kwade trouw. 5. Eiser bestrijdt dat hij misbruik zou hebben gemaakt van zijn bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen. Daarvan is ook niet gebleken. Eiser heeft op grond van artikel 3, eerste lid van de Wob ook het recht om bij verweerder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid in te dienen. Dat eiser bij zijn Wob-verzoek onverplicht redenen heeft genoemd doet daaraan niet af. Dat verweerder het niet geschikt vindt om schriftelijke informatie uit het politiesysteem BHV te verstrekken, is niet van belang. Alleen informatie die op grond van de artikelen 10 en 11 van de Wob geweigerd mag worden, hoeft verweerder niet te verstrekken. Is sprake van een Wob-verzoek? 6. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de hoofdregel is dat dat wanneer iemand met een beroep op de Wob een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en/of met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat is alleen anders als
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.