vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/526084 / HA ZA 21-551 Vonnis van 29 maart 2023 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , 2. [eiser sub 2], wonende te [woonplaats 1] , eisers, advocaat: mr. J.C.T. Papeveld te Waalwijk, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BDO ACCOUNTANCY TAX & LEGAL B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gedaagde, 2. [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats 2] , 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BDO CORPORATE FINANCE B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 3] , 4. [gedaagde sub 4], wonende te [woonplaats 3] , gedaagden, advocaten: mrs. H.E. van Berckel-Dekker en mr. I.W.M. Bom, 5. [gedaagde sub 5], wonende te [woonplaats 4] , gedaagde, advocaten: mrs. H.E. van Berckel-Dekker, mr. I.W.M. Bom (periode tot 1 juli 2018) en mr. E.H.W. van Nijnatten (periode vanaf 1 juli 2018), 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 6] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 4] , gedaagde, advocaat: mr. E.H.W. van Nijnatten. Eisers zullen hierna afzonderlijk [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] en gezamenlijk [eiser sub 2] c.s. (in mannelijk enkelvoud) worden genoemd. Gedaagden zullen afzonderlijk BDO, [gedaagde sub 2] , BDO CF, [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij gedaagden worden genoemd. Gedaagde 1 tot en met 4 en gedaagde 5 (over de periode tot 1 juli 2018) zullen gezamenlijk BDO c.s. (in vrouwelijk enkelvoud) worden genoemd. Gedaagde 5 (over de periode vanaf 1 juli 2018) en gedaagde 6 zullen gezamenlijk [gedaagde sub 5] c.s. (in mannelijk enkelvoud) worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met productie 1 tot en met 72; de conclusie van antwoord met productie 1 tot en met 29 van BDO c.s.; de conclusie van antwoord met productie 1 tot en met 16 van [gedaagde sub 5] c.s.; de schriftelijke mededeling aan partijen dat op 15 december 2022 een mondelinge behandeling zal worden gehouden; de brief met bijlagen van [eiser sub 2] c.s. van 24 november 2022, waarin hij onder meer zijn verzoek tot behandeling achter gesloten nader toelicht, en de schriftelijke reacties daarop van gedaagden van 29 november 2022; de rolbeslissing van 30 november 2022; de akte inbreng aanvullende producties tevens houdende akte wijziging van eis van [eiser sub 2] c.s.; de beslissing van de rechtbank van 2 december 2022 waarin zij het verzoek van [eiser sub 2] c.s. om de zaak achter gesloten deuren te behandelen afwijst en [eiser sub 2] c.s. beveelt om 1) op de mondelinge behandeling te verklaren over vertrouwelijke informatie uit de koopovereenkomst van 1 juli 2019 en 2) voorafgaand aan de mondelinge behandeling een kopie van de getekende koopovereenkomst van 1 juli 2019 in het geding te brengen; de mondelinge behandeling gehouden op 15 december 2022; de spreekaantekeningen van [eiser sub 2] c.s.; de spreekaantekeningen van BDO c.s.; de spreekaantekeningen van [gedaagde sub 5] c.s.; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling; de brief van BDO c.s. van 20 januari 2023, met opmerkingen over de inhoud van het proces-verbaal; de brief van [eiser sub 2] c.s. van 24 januari 2023, met opmerkingen over de inhoud van het proces-verbaal. 1.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat zij vonnis zal wijzen. 2Inleiding 2.1. In deze zaak staat – samengevat – de vraag centraal of gedaagden een schadevergoeding moeten betalen aan [eiser sub 2] c.s. Gedaagden hebben voor [eiser sub 2] c.s. werkzaamheden verricht (eerst) in het kader van de echtscheiding van [eiser sub 2] en (daarna) bij de overname van een onderneming waarvan [eiseres sub 1] medeaandeelhouder was. [eiser sub 2] c.s. verwijt gedaagden dat zij in de uitvoering van deze werkzaamheden afspraken niet zijn nagekomen en zij fouten hebben gemaakt. Gedaagden zijn van mening dat zij geen schadevergoeding aan [eiser sub 2] c.s. hoeven te betalen. 2.2. [eiser sub 2] c.s. krijgt van de rechtbank geen gelijk en zijn vorderingen worden afgewezen. Dat wordt hieronder toegelicht. 3Waar gaat het over? Betrokkenen 3.1. In deze zaak spelen verschillende personen en vennootschappen een rol. Voor een goed overzicht zullen eerst de (belangrijkste) betrokkenen en hun rol kort worden benoemd: [eiser sub 2] : is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres sub 1] . [eiseres sub 1] was medeaandeelhouder en bestuurder van [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ). [A] (hierna: [A] ): is de ex-echtgenoot van [eiser sub 2] . [B] : is de schoonzoon van [eiser sub 2] en enig aandeelhouder en bestuurder van [onderneming 2] BV (hierna: [onderneming 2] ). [onderneming 2] was samen met [eiseres sub 1] aandeelhouder en bestuurder van [onderneming 1] . [onderneming 1] : was de vennootschap van [eiser sub 2] en [B] . [onderneming 1] heeft verschillende dochterondernemingen. [onderneming 1] houdt onder andere 65% van de aandelen in [onderneming 3] B.V. (hierna: [onderneming 3] ). De overige aandelen in [onderneming 3] worden gehouden door de vennootschap [onderneming 4] Ltd. (hierna: [onderneming 4] ). BDO: is een accountants- en adviesorganisatie. BDO heeft jarenlang accountants- en advieswerkzaamheden verricht voor onder andere [eiser sub 2] c.s., [onderneming 1] en [onderneming 2] . [gedaagde sub 2] : is [functie] en in die hoedanigheid werkzaam bij BDO. [gedaagde sub 5] : was tot 1 juli 2018 als accountant verbonden aan BDO. Vanaf 1 juli 2018 werkt [gedaagde sub 5] vanuit zijn eigen vennootschap [gedaagde sub 6] . [gedaagde sub 5] heeft voor [eiser sub 2] werkzaamheden verricht in het kader van de echtscheiding. Eerst vanuit BDO, later vanuit [gedaagde sub 6] . BDO CF: is een onderneming die haar klanten adviseert en bijstaat op het gebied van fusies en bedrijfsovernames. BDO CF heeft voor [eiseres sub 1] en [onderneming 2] werkzaamheden verricht in het kader van de door hen gewenste verkoop van [onderneming 1] . [gedaagde sub 4] : is als partner [.] werkzaam bij BDO CF. [gedaagde sub 4] heeft werkzaamheden verricht in het kader van de overname van [onderneming 1] . [onderneming 5] B.V. (hierna: [onderneming 5] ): heeft op 1 juli 2019 de aandelen in [onderneming 1] overgenomen. [C] (hierna: [C] ): is aandeelhouder en bestuurder van [onderneming 5] . Echtscheiding [eiser sub 2] en [A] 3.2. [eiser sub 2] en [A] zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Op [2019] zijn zij gescheiden. [gedaagde sub 5] is benaderd om de echtscheiding te begeleiden. Na enkele besprekingen hebben [eiser sub 2] en [A] zich op advies van [gedaagde sub 5] laten bijstaan door eigen (financieel) adviseurs. [eiser sub 2] heeft zich laten bijstaan door BDO en (juridisch) door mr. [D] (hierna: [D] ). De overeenkomst van opdracht met BDO is op 1 mei 2018 aangegaan. Namens BDO heeft voornamelijk [gedaagde sub 5] werkzaamheden voor [eiser sub 2] verricht. Na zijn vertrek bij BDO heeft [gedaagde sub 5] zijn werkzaamheden voor [eiser sub 2] voortgezet vanuit [gedaagde sub 6] . Vanuit BDO werd vanaf dat moment [gedaagde sub 2] het aanspreekpunt voor [eiser sub 2] . [A] heeft zich laten adviseren door de heer [E] (hierna: [E] ). 3.3. In de gezamenlijke gesprekken in maart 2018 heeft [gedaagde sub 5] met [eiser sub 2] , [A] en op hun verzoek ook met [B] gesproken over de gevolgen van de echtscheiding. [gedaagde sub 5] heeft hen per e-mail laten weten dat de aandelen die [eiser sub 2] hield in [eiseres sub 1] moesten worden gewaardeerd, omdat deze aandelen behoorden tot de huwelijksgemeenschap. Omdat de waarde van de aandelen [eiseres sub 1] hoofdzakelijk werd gevormd door de waarde van de aandelen die [eiseres sub 1] in [onderneming 1] hield, moesten ook de aandelen [onderneming 1] worden gewaardeerd. [eiser sub 2] en [A] hebben BDO verzocht dit te doen. De waardering van de aandelen [onderneming 1] was ook nodig vanwege de wens van [eiser sub 2] en [B] om [onderneming 1] op termijn te verkopen. Op 16 maart 2018 hebben zij daarover gesproken met [gedaagde sub 5] . [gedaagde sub 5] heeft voor dit traject [gedaagde sub 4] en de heer [F] (hierna: [F] ) van BDO CF benaderd (later meer over dit traject). 3.4. In het kader van de echtscheiding heeft [F] richtinggevende waarderingsscenario’s opgesteld voor de aandelen in [eiseres sub 1] en [onderneming 1] . Deze waarderingsscenario’s zijn gebaseerd op verschillende waarderingsmethoden (bijvoorbeeld een waardering op basis van de EBITDA vermenigvuldigd met een bepaalde multiple en op basis van een discounted cashflow berekening). In een bespreking op 21 juni 2018 heeft [F] deze waarderingsscenario’s toegelicht aan onder andere [E] . Omdat onduidelijk was wanneer en tegen welke prijs de door [eiseres sub 1] gehouden aandelen in [onderneming 1] verkocht zouden gaan worden en [eiser sub 2] en [A] de echtscheiding op korte termijn wilden regelen, is een nabetaling conform een bepaalde staffel afgesproken. In het echtscheidingsconvenant is hierover opgenomen dat [A] een nabetaling ontvangt volgens deze staffel indien de aandelen van [eiseres sub 1] in [onderneming 1] binnen vijf jaar worden verkocht voor meer dan € 2.254.000. Verder is in het convenant opgenomen dat [eiser sub 2] en [A] de waarde van de aandelen van [eiseres sub 1] onderling vaststellen op € 1.769.000 per 1 januari 2018, waarbij de betrokken partijen ervan zijn uitgegaan dat de totale aandelenwaarde van [onderneming 1] € 4.600.000 bedraagt. [eiseres sub 1] houdt daarvan 49% met een waarde van € 2.254.000. Verkoop [onderneming 1] aan een derde (Project UP) 3.5. Na het gesprek tussen [eiser sub 2] , [B] en [gedaagde sub 5] op 16 maart 2018 heeft [gedaagde sub 4] werkzaamheden verricht voor het verkooptraject van [onderneming 1] . Op 18 mei 2018 heeft een bespreking plaatsgevonden waarin verschillende actiepunten zijn geformuleerd. [gedaagde sub 4] heeft daarna ten aanzien van de waardering van [onderneming 1] geschreven: “Vanwege de claims (motoren en UK) is een waardering niet eenvoudig / niet goed te maken”. Uiteindelijk is op 28 mei 2018 een overeenkomst van opdracht gesloten tussen [eiseres sub 1] , [onderneming 2] en BDO CF. Deze opdracht is ‘Project UP’ genoemd. [eiseres sub 1] en [onderneming 2] hadden op het moment dat zij BDO CF inschakelden voor verkoopbegeleiding al een potentiële koper voor [onderneming 1] , namelijk [onderneming 6] LLC (hierna: [onderneming 6] ) of de onder haar vallende vennootschap [onderneming 7] (hierna: [onderneming 7] ). [onderneming 7] was de grootste klant van [onderneming 3] . 3.6. In de overeenkomst van opdracht is [onderneming 7] als overnamekandidaat van [onderneming 1] benoemd en de inspanningen van de betrokken partijen waren daar in eerste instantie ook op gericht. Om tot een verkoop te kunnen komen, heeft BDO CF een stappenplan opgesteld. Dit stappenplan is opgenomen in de overeenkomst van opdracht. Stap 1 daarvan houdt een analyse van de onderneming in met als doel het opstellen van een indicatieve waardebepaling. Stap 2 is het opstellen van een informatiememorandum op basis waarvan een koper zich een oordeel kan vormen van [onderneming 1] . Stap 3 en 4 bestaan uit de onderhandelingen en de uiteindelijke transactie. 3.7. [onderneming 7] en [onderneming 1] hebben op 30 juli 2018 een geheimhoudingsovereenkomst gesloten in verband met een mogelijke overname. Vervolgens heeft op 25 maart 2019 op het kantoor van BDO CF in [vestigingsplaats 2] een bespreking plaatsgevonden. Daarbij was [eiseres sub 1] niet aanwezig. Daarna zijn verdere vragen van [onderneming 7] beantwoord en tot slot is het door BDO CF opgestelde informatiememorandum (hierna: IM) op 12 april 2019 aan [onderneming 7] gestuurd. Na toezending daarvan heeft [onderneming 7] niet meer van zich laten horen. Op 1 mei 2019 heeft [gedaagde sub 4] per e-mail aan [eiseres sub 1] laten weten op verzoek van [eiseres sub 1] de werkzaamheden in Project UP voorlopig neer te leggen. Overname door [onderneming 2] en rekening-courantschuld [eiseres sub 1] 3.8. In de tussentijd is naast [onderneming 7] ook [onderneming 2] als mogelijke overnamekandidaat benoemd en besproken. In januari 2019 is hierover gesproken tussen [eiser sub 2] , [B] en BDO CF. Op 16 januari 2019 vond dit gesprek plaats aan de hand van een door BDO CF opgestelde presentatie. Op 17 januari 2019 heeft [gedaagde sub 4] [eiser sub 2] en [B] de hoofdlijnen van het actieplan gemaild dat zij een dag eerder bespraken. Opgenomen is onder andere dat de aandelen [onderneming 1] en daarmee het “49%-deel” van [eiseres sub 1] indicatief zullen worden gewaardeerd met de EBITDA multiple methode, dat [onderneming 2] de overnamesom extern moet financieren en dat rekening-courantschulden in of voor de transactie worden afgerekend. [eiser sub 2] heeft diezelfde dag per e-mail op het actieplan als volgt gereageerd: “We hebben het niet over 49% maar over 50%. Verder OK”. In een latere e-mail van 29 januari 2019 heeft [eiser sub 2] over de voorgestelde verkoop van zijn belang aan [B] / [onderneming 2] geschreven: “In mijn optiek heeft het helemaal geen zin om deze weg in te slaan om daarna toch weer te verkopen??? Slecht plan denk ik.” In die e-mail staat verder: “In ieder geval stof genoeg om over na te denken en dat lijkt me niet verkeerd voor we weer van alles in gang gaan zetten wat bakken met geld kost en niet haalbaar is. (…) Een van de grootste issues is dividend om van die RC’s af te komen.”. Op 30 januari 2019 heeft [gedaagde sub 4] hierop per e-mail aan [B] en [eiser sub 2] als volgt gereageerd: “mede naar aanleiding van een telefoongesprek met [eiser sub 2 (voornaam)] [ [eiser sub 2] , toevoeging rechtbank] hierover stel ik voor dat we dan eerst nu gezamenlijk bespreken wat we dan wel gaan doen nu”. Het uitkooptraject onder begeleiding van BDO c.s. is vervolgens stil komen te liggen. 3.9. [B] heeft [eiser sub 2] vervolgens op 1 maart 2019 een voorstel gestuurd om de aandelen van [eiseres sub 1] in [onderneming 1] over te nemen. Dit voorstel is gelijk aan het voorstel dat BDO CF op 16 januari 2019 presenteerde. In de kern hield dit voorstel in dat [onderneming 2] de koopsom van € 2.254.000, vermeerderd met rente, in 12 jaar aan [eiseres sub 1] zou betalen en dat [eiseres sub 1] zou meedelen in de meerwaarde als [onderneming 2] [onderneming 1] succesvol zou weten te verkopen. [eiser sub 2] heeft dit voorstel afgewezen. De onderlinge verhoudingen tussen [eiser sub 2] en [B] zijn vervolgens verslechterd. 3.10. Grote zorg van [eiser sub 2] bleef de rekening-courantschuld van [eiseres sub 1] aan [onderneming 1] en de (on)mogelijkheid om die schuld af te lossen. [eiser sub 2] heeft in een e-mail van 12 maart 2019 aan BDO (in de persoon van [gedaagde sub 2] ) aangegeven dat hij de rekening-courantschuld wilde verrekenen met een dividenduitkering vanuit [onderneming 1] en graag wilde dat BDO hierbij ging helpen. In de weken daarna is er verdere emailcorrespondentie geweest tussen [eiser sub 2] , [B] , [gedaagde sub 2] , en de heer [G] (hierna: [G] ), controller bij [onderneming 3] , over de dividenduitkering. Voor zover relevant, zal hierna bij de beoordeling nader op deze correspondentie worden ingegaan. Shoot-out-regeling 3.11. Ondertussen was de onderlinge verhouding tussen [eiser sub 2] en [B] zodanig verslechterd dat verdere samenwerking tussen beiden niet reëel was. [eiser sub 2] en [B] zijn om die reden op 9 april 2019 een shoot-out-regeling overeengekomen. Die regeling hield in dat [onderneming 2] een bod zou uitbrengen op de aandelen die [eiseres sub 1] in [onderneming 1] hield en dat als [eiseres sub 1] dat aanbod weigerde, zij de aandelen die [onderneming 2] in [onderneming 1] hield moest overnemen voor de prijs die [onderneming 2] had geboden. Indicatieve waardering [onderneming 1] 3.12. Op 12 april 2019 heeft [gedaagde sub 4] een indicatieve waardering van de aandelen [onderneming 1] aan [eiser sub 2] gestuurd. In een aantal e-mails heeft [eiser sub 2] hierover vragen gesteld die door [gedaagde sub 4] zijn beantwoord. In zijn e-mail van 12 april 2019, 16.20 uur heeft [gedaagde sub 4] in reactie op een vraag van [eiser sub 2] over ‘leases’ geschreven: “Maar dit soort zaken is zeker belangrijk om bij een echte waardering ter nuancering in het plaatje mee te nemen. Dit is meer een hoogover – pricing opstelling.”. Uitvoering van de shoot-out-regeling, dividenduitkering en doorverkoop aan [onderneming 5] 3.13. Op 23 april 2019 heeft [onderneming 2] uitvoering gegeven aan de overeengekomen shoot-out-regeling. [onderneming 2] heeft een bod uitgebracht van € 3.250.000. Voor dit bedrag wilde [onderneming 2] de aandelen die [eiseres sub 1] in [onderneming 1] hield overnemen en ook de aanspraken van [eiseres sub 1] binnen [onderneming 8] B.V. (hierna: [onderneming 8] ). Dit is de vennootschap waarin het vastgoed van [onderneming 1] was ondergebracht. 3.14. Op 1 juli 2019 heeft de aandelentransactie tussen [onderneming 2] en [eiseres sub 1] plaatsgevonden. [onderneming 2] heeft de door haar gehouden aandelen in [onderneming 1] en [onderneming 8] aan [eiseres sub 1] geleverd tegen betaling van de koopsom van € 3.250.000. 3.15. Aansluitend – eveneens op 1 juli 2019 – heeft [eiseres sub 1] een overeenkomst gesloten met [onderneming 5] , op grond waarvan [eiseres sub 1] alle aandelen in [onderneming 1] en [onderneming 8] heeft verkocht aan [onderneming 5] voor een koopprijs van in totaal € 6.500.000. Het merendeel van de aandelen in [onderneming 1] en alle aandelen in [onderneming 8] zijn op 1 juli 2019 geleverd aan [onderneming 5] tegen betaling van € 4.150.000. De overige aandelen in [onderneming 1] (36,2%) zouden in drie tranches op een later moment en onder bepaalde voorwaarden worden geleverd en betaald. 3.16. Voorafgaand aan de transactie met [onderneming 5] is de rekening-courantschuld van [eiseres sub 1] aan [onderneming 1] niet verrekend. [onderneming 1] heeft deze schuld na de overname opgeëist bij [eiseres sub 1] , wat uiteindelijk heeft geleid tot een kortgedingprocedure. Op de zitting van 4 februari 2020 hebben [eiseres sub 1] en [onderneming 1] een regeling getroffen over betaling van de uitstaande rekening-courantschuld. In de regeling is verder opgenomen dat [onderneming 5] – in afwijking van de koopovereenkomst – de resterende aandelen in [onderneming 1] zal overnemen tegen een prijs van € 1.000.000. De regeling is (gelet hierop) ook ondertekend door [onderneming 5] . 3.17. Volgens [eiser sub 2] c.s. heeft hij door het handelen en nalaten van gedaagden schade geleden. [eiser sub 2] c.s. heeft gedaagden daarvoor aansprakelijk gesteld. Omdat gedaagden aansprakelijkheid hebben afgewezen, vordert [eiser sub 2] c.s., na wijziging van eis, in een (uitvoerbaar bij voorraad verklaard) vonnis: ten aanzien van BDO te verklaren voor recht dat zij jegens [eiseres sub 1] en/of [eiser sub 2] : opzettelijk onzorgvuldig heeft gehandeld; op een grof onzorgvuldige wijze heeft gehandeld; (toerekenbaar) tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst van opdracht; onrechtmatig heeft gehandeld; opzettelijk onzorgvuldig heeft gehandeld; ten aanzien van BDO CF te verklaren voor recht dat zij jegens: [eiseres sub 1] opzettelijk onzorgvuldig heeft gehandeld; [eiseres sub 1] op een grof onzorgvuldige wijze heeft gehandeld; [eiseres sub 1] (toerekenbaar) tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst van opdracht; [eiseres sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld; [eiseres sub 1] opzettelijk onzorgvuldig heef gehandeld; [eiser sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld. ten aanzien van [gedaagde sub 6] , onder de voorwaarde dat in rechte tussen haar en [eiser sub 2] en/of [eiseres sub 1] een overeenkomst van opdracht komt vast te staan, te verklaren voor recht dat zij jegens [eiseres sub 1] en/of [eiser sub 2] : (toerekenbaar) tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst van opdracht; onrechtmatig heeft gehandeld; ten aanzien van [gedaagde sub 4] te verklaren voor recht dat hij jegens [eiseres sub 1] en/of [eiser sub 2] : opzettelijk onzorgvuldig heeft gehandeld; op een grof onzorgvuldige wijze heeft gehandeld; (toerekenbaar) tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst van opdracht; onrechtmatig heeft gehandeld; ten aanzien van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 5] te verklaren voor recht dat zij jegens [eiseres sub 1] en/of [eiser sub 2] : - onrechtmatig hebben gehandeld; alle gedaagden hoofdelijk te veroordelen: tot betaling van een schadevergoeding van € 4.270.500 aan [eiser sub 2] en/of [eiseres sub 1] , of een door de rechtbank te bepalen ander bedrag, vermeerderd met de wettelijke of een door de rechtbank te bepalen rente per 1 juli 2019 tot de dag van voldoening; tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775 of een door de rechtbank te bepalen ander bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening; tot betaling van de gemaakte kosten voor de vaststelling van schade en aansprakelijkheid, begroot op € 10.355 of een door de rechtbank te bepalen ander bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening; tot vergoeding van de proces- en nakosten. 3.18. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van [eiser sub 2] c.s. dat hij aan zijn vorderingen – samengevat – de volgende verwijten ten grondslag legt: BDO, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 5] hebben informatie met betrekking tot de echtscheiding, waaronder het concept vermogensverdeling, zonder toestemming van [eiser sub 2] gedeeld met [B] ; BDO c.s. heeft uit het niets en ongevraagd voorstellen gepresenteerd voor overname door [onderneming 2] van de aandelen die [eiseres sub 1] hield in [onderneming 1] ; BDO c.s. heeft [eiser sub 2] c.s. in de onderhandelingen met [B] en [C] laten werken met een ondeugdelijke waardering en zij hebben [eiser sub 2] c.s. daar niet voor gewaarschuwd; in het kader van Project UP is geen waardering gemaakt voor de verkoop aan [onderneming 7] of een derde; BDO c.s. heeft [eiser sub 2] c.s. voorafgaand aan de transactie met [onderneming 5] niet gewaarschuwd dat de rekening-courantschuld van [eiseres sub 1] niet was verrekend. 3.19. Gedaagden hebben hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Ten eerste dient [eiser sub 2] c.s. niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen tegen [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] . Zij zijn geen partij, omdat [eiser sub 2] c.s. niet met hen, maar met BDO, BDO CF en [gedaagde sub 6] een overeenkomst heeft gesloten. Verder zijn gedaagden van mening dat zij niet toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van deze overeenkomsten en zij ook niet onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van [eiser sub 2] c.s. Tot slot hebben gedaagden gevraagd [eiser sub 2] c.s. te veroordelen in de proceskosten. 4De beoordeling 4.1. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser sub 2] c.s. af. Naar het oordeel van de rechtbank zijn gedaagden niet toerekenbaar tekortgeschoten in de verplichtingen die zij hadden tegenover [eiser sub 2] c.s. op grond van de gesloten overeenkomsten. Ook hebben zij niet onrechtmatig gehandeld. Hierna zal de rechtbank aan de hand van de vijf verwijten die [eiser sub 2] c.s. gedaagden maakt, uitleggen hoe en waarom zij tot haar oordeel is gekomen. Verwijt 1. BDO, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 5] hebben de concept-vermogensverdeling tussen [eiser sub 2] en [A] in het kader van de echtscheiding zonder toestemming van [eiser sub 2] aan [B] verstrekt 4.2. Bij de echtscheiding is [eiser sub 2] hoofdzakelijk geadviseerd door [gedaagde sub 5] . Hij trad op namens BDO en later namens [gedaagde sub 6] . [gedaagde sub 5] heeft op verschillende momenten informatie over de echtscheiding van [eiser sub 2] en [A] gedeeld met [B] , waaronder de concept-vermogensverdeling (met daarin opgenomen een waarde van de aandelen in [onderneming 1] ). De rechtbank vindt dat BDO, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 5] niet zijn tekortgeschoten door deze informatie te delen met [B] , omdat [gedaagde sub 5] erop mocht vertrouwen dat [eiser sub 2] dit goed vond. De rechtbank vindt dit om de volgende redenen. 4.3. Ten eerste heeft [gedaagde sub 5] aan het begin van het echtscheidingstraject – in maart 2018 – op verzoek van [eiser sub 2] (en [A] ) zelf met [B] gesproken over de gevolgen van de echtscheiding. [gedaagde sub 5] heeft dit bevestigd dit in zijn e-mail van 30 maart 2018 aan [eiser sub 2] en [A] . Die mail heeft [gedaagde sub 5] in cc aan [B] gestuurd. Dat [gedaagde sub 5] ook met [B] sprak, was begrijpelijk, omdat de aandelen [eiseres sub 1] in de huwelijksgemeenschap van [eiser sub 2] en [A] vielen en [eiseres sub 1] samen met de vennootschap van [B] de aandelen in [onderneming 1] hield. De echtscheiding had daarom mogelijk invloed op (de vennootschap van) [B] . 4.4. Ten tweede heeft [eiser sub 2] niet bij [gedaagde sub 5] geprotesteerd tegen het versturen van inhoudelijke informatie aan [B] . Op 30 mei 2018 heeft [gedaagde sub 5] een inhoudelijke e-mail over de scheiding aan [eiser sub 2] en [D] gestuurd. De e-mail, waar ook correspondentie met [E] deel van uitmaakt, is in cc aan [B] gezonden. Dat geldt ook voor het concept van de vermogensverdeling dat [gedaagde sub 5] op 31 juli 2018 aan [B] en in cc aan [eiser sub 2] heeft gestuurd. [eiser sub 2] wist dus dat gegevens in het kader van de echtscheiding werden gedeeld met [B] , maar hij protesteerde daar niet tegen. Tot slot heeft [eiser sub 2] [B] ook zelf ingekopieerd in zijn e-mail(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.