← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2023:2039

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/464 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2023 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft bij brief van 23 november 2022 verweerder verzocht om vergoeding van schade. Verweerder heeft bij brief van 19 januari 2023 het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Verzoekster heeft de rechtbank op 31 januari 2023 verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade die zij stelt te lijden. Overwegingen

  1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
  2. Verzoekster heeft verzocht om een schadevergoeding, wegens een datalek van verweerder.
  3. Artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de bestuursrechter bevoegd is om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een ander onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.
  4. Op grond van artikel 8:92, eerste lid, onder d, van de Awb bevat het verzoekschrift een opgave van de aard van de geleden of de te lijden schade en, voor zover redelijkerwijs mogelijk, het bedrag van de schade en een specificatie daarvan. Verzoekster heeft aan deze voorwaarde niet voldaan.
  5. Bij brief van 2 februari 2023 is verzoekster erop gewezen dat zij binnen vier weken na verzending van de brief een aanduiding van de oorzaak van de schade en een opgave van de aard van de geleden of specificatie daarvan dient te overleggen.
  6. Verzoekster heeft bij brief van 18 februari 2023 gereageerd, maar hierbij niet aangegeven wat de schade is die zij zou hebben geleden en tot welk bedrag.
  7. Artikel 6:6 van de Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
  8. Op grond van artikel 8:94, eerste lid, van de Awb is op het verzoek en de behandeling daarvan artikel 6:6 van de Awb van toepassing.
  9. Nu de door de rechtbank gevraagde stukken niet zijn overgelegd voldoet het verzoek om schadevergoeding niet aan in de artikel 8:92, eerste lid, onder d, van de Awb gestelde eisen en kan het dus niet worden beoordeeld.
  10. Gelet op het bepaalde in artikel 8:94, eerste lid, van de Awb is het verzoek ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk. Beslissing De rechtbank verklaart het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen rechter, in aanwezigheid van S.Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april
  11. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.