Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2023:2086
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/4064 rectificatie (pagina 8) uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2023 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. E. Koornwinder), en de directie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), verweerder (gemachtigde: mr. M. Arends).
Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het intrekken van de erkenning bedrijfsvoorraad voor een periode van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, waarvoor een proeftijd geldt van 6 maanden.
Met het bestreden besluit van 8 juli 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: dhr. [A] in zijn hoedanigheid als directeur van eiseres, de gemachtigde van eiseres en verweerder.
Overwegingen Feiten 1. Op 16 december 2021 heeft de toezichthouder bedrijven van de RDW een controle uitgevoerd in het autobedrijf van eiseres. Van die bedrijfscontrole is een rapport opgemaakt. Uit dat rapport blijkt dat twee voertuigen met de kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] , die in de bedrijfsvoorraad van eiseres zijn opgenomen, niet konden worden getoond. Nadien, op dezelfde dag, heeft eiseres een foto van het voertuig met kenteken [kenteken 1] en een kopie van het kentekenbewijs van het voertuig met kenteken [kenteken 2] aan verweerder toegestuurd.
Juridisch kader 3. Op grond van artikel 62, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 kan verweerder een erkenning intrekken op wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
In het Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW 2021 (Toezichtbeleidsbrief) staat aan welke verplichtingen een erkenninghouder moet voldoen. Deze verplichtingen houden onder andere in dat voertuigen binnen 5 werkdagen na aanmelding in de bedrijfsvoorraad op het bedrijfsadres of op een verifieerbare stallingslocatie binnen Nederland of in België of Duitsland maximaal 25 kilometer hemelsbreed vanaf de Nederlandse grens gemeten, getoond moeten kunnen worden. Zie artikel 4.5.3 van de Bijlage Bedrijfsvoorraad en Handelaarskentekenregeling 2021 (Bijlage) behorende bij de Toezichtbeleidsbrief. Het niet voldoen aan de toonplicht wordt aangemerkt als een categorie III-overtreding.
Het bestreden besluit 7. Volgens verweerder is ten aanzien van beide voertuigen sprake van een overtreding van artikel 4.5.3 van Bijlage behorende bij de Toezichtbeleidsbrief. Verweerder heeft daarom de erkenningsbevoegdheid bedrijfsvoorraad van eiseres tijdelijk ingetrokken voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk. Dat eiseres tijdens de controle niet alle werkplaatsen aan de toezichthouder heeft laten zien, komt voor rekening en risico van eiseres. De toezichthouder weet immers niet hoeveel werkplaatsen er zijn en welke auto waar staat. Daarnaast wordt eiseres niet gevolgd in het standpunt dat de toonplicht een belemmering is voor bedrijven die grensoverschrijdende handel wensen te verrichten en het daarom een verboden kwantitatieve uitvoeringbeperking betreft.
Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van grensoverschrijdende handel. Dat eiseres voertuigen in het buitenland heeft staan voor restauratie en/of tentoonstelling betekent niet dat deze ook in het buitenland zullen worden verkocht. Eiseres heeft dan ook beide voertuigen niet getoond, waardoor zij niet heeft voldaan aan haar verplichtingen als erkenningshouder. Dat eiseres niet opzettelijk onjuist heeft gehandeld, leidt niet tot een ander standpunt van verweerder. Verder zijn er volgens verweerder geen bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan van het beleid moet worden afgeweken. Het standpunt van eiseres dat sprake is van een sanctie met een punitief karakter wordt niet gevolgd.
De tijdelijke intrekking wordt aangemerkt als een herstelsanctie, waardoor kan worden volstaan met de beoordeling op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De opgelegde sanctie kan niet als onevenredig zwaar worden aangemerkt.
Procesbelang 8. Verweerder betwist in het verweerschrift dat eiseres nog procesbelang heeft omdat de opgelegde sanctie al is geeffectueerd in de periode 22 juli 2022 tot 5 augustus 2022 en er sprake is van een onomkeerbare situatie. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd dat sprake is van een financieel belang.
Bekendmaking besluit 10. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit door verweerder, anders dan zijn eerdere brieven, niet aangetekend naar haar is verstuurd en ook niet op grond van artikel 2:14 van de Awb per e-mail. Zij heeft het besluit niet tijdig ontvangen. Daardoor stond eiseres door de intrekking op 22 juli 2022 voor een voldongen feit. Eiseres heeft het besluit pas ontvangen nádat zij op 22 juli 2022 contact met verweerder heeft opgenomen. Toen is het besluit wel per e-mail naar haar verstuurd. Het besluit is bovendien niet afgedrukt op postpapier van verweerder, waardoor eiseres ernstig twijfelt of het besluit wel daadwerkelijk voor 22 juli 2022 is verzonden. Het besluit is verder geadresseerd aan een postbusnummer van gemachtigde dat sinds 1 juni 2022 niet meer in gebruik is. Eiseres merkt tot slot op dat ondanks de toezegging van verweerder op de hoorzitting dat het besluit pas na een uitspraak op het beroep zou ingaan, geen schorsende werking is verleend. In het bestreden besluit heeft verweerder ook niet gewezen op de mogelijkheid om een voorlopige voorziening in te dienen.
Het is immers de verantwoordelijkheid van de gemachtigde van eiseres om een eventuele adreswijziging door te geven aan verweerder. De rechtbank volgt eiseres verder niet in haar twijfel of het besluit voor 22 juli 2022 wel daadwerkelijk verstuurd is, omdat het besluit niet op briefpapier is afgedrukt. Verweerder heeft op de zitting laten zien dat het bestreden besluit op postpapier van het RDW is verstuurd en is ondertekend, waarmee verweerder voldoende tegenwicht heeft gegeven aan deze stelling van eiseres. Voor wat betreft de door eiseres gestelde toezegging dat het besluit opschortende werking heeft totdat uitspraak op het beroep is gedaan, is van belang dat dit niet blijkt uit de door eiseres overgelegde stukken.
Uit het e-mailcontact met verweerder blijkt dat een medewerker van verweerder tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat zij vermoedde dat het besluit opschortende werking zou hebben, maar dat het definitieve antwoord daarop in de beslissing op bezwaar zou worden opgenomen. Dit volgt ook uit het verslag van de hoorzitting. In het bestreden besluit is opgenomen dat de sanctie niet wordt opgeschorst, tenzij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank wordt toegewezen. De rechtbank acht verder van belang dat uit de beroepsgronden van eiseres blijkt dat zij van de mogelijkheid van het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening op de hoogte was. Daarin geeft zij immers aan ervoor te hebben gekozen geen verzoek om een voorlopige voorziening te hebben ingediend, ondanks dat dit de werking van het besluit kon opschorten.
De rechtbank is gezien dit alles van oordeel dat niet is gebleken van onzorgvuldig handelen aan de kant van verweerder.
Onaangekondigde controle 12. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte de bedrijfscontrole niet vooraf heeft aangekondigd. De controleur belde slechts tien minuten voor zijn komst. Bij een aangekondigd bezoek zou de persoon die voor de registratie van de auto’s in het bedrijf verantwoordelijk is aanwezig zijn geweest en had het misverstand over de auto met kenteken [kenteken 1] kunnen worden voorkomen. Verweerder heeft hiermee niet volgens zijn beleidsregels en daarmee onzorgvuldig gehandeld.
Onbevoegde toezichthouder 14. Eiseres voert verder aan het bestreden besluit onrechtmatig tot stand is gekomen, omdat de bedrijfscontrole niet is uitgevoerd door een bevoegde toezichthouder als bedoeld in artikel 5:14 van de Awb. Het schema met de werkverdeling van verschillende toezichthouders dat verweerder heeft toegezonden, is volgens eiseres onvoldoende, omdat het geen aanwijzingsbesluit bevat. Eiseres betwist niet dat de betreffende toezichthouder bij verweerder in dienst is en voor verweerder bedrijfscontroles uitvoert, maar wel dat deze toezichthouder door verweerder op juiste wijze is aangewezen en daarmee bevoegd was de controle bij eiseres te doen. Volgens eiseres heeft de bedrijfscontrole daarom onrechtmatig plaatsgevonden en is het intrekkingsbesluit, dat op deze controle is gebaseerd, ook onrechtmatig.
Artikel 4, onder n en 9, van de Mandaatregeling RDW bevat namelijk een categorale aanwijzing door de RDW van al haar toezichthouders om bedrijfscontroles uit te mogen voeren. Uit het overgelegde schema met de werkverdeling blijkt verder dat dhr. [toezichthouder] toezichthouder is bij team Noord-Nederland en controlebezoeken mag doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit de verweerder overgelegde stukken voldoende duidelijk is dat dhr. [toezichthouder] als bevoegde ‘toezichthouder bedrijven’ is aangewezen. Het feit dat sprake is van een categorale aanwijzing en niet een individueel aanwijzingsbesluit maakt dat niet anders. De rechtbank is verder – anders dan eiseres ter zitting heeft gesteld - van oordeel dat het niet op de weg van verweerder lag om ook de arbeidsovereenkomst met dhr. [toezichthouder] over te leggen.
De rechtbank is eens te meer van oordeel dat de controle rechtmatig is uitgevoerd, omdat het uitgangspunt is dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot een handhavingsbesluit moeten zijn gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegde gezag, door een ter zake kundig persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake kundig persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening neemt. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt afdoende dat dhr. [toezichthouder] toezichthouder is en ieder geval een deskundige medewerker van de RDW is. Uit de beroepsgronden van eiseres blijkt dat dit als zodanig ook niet wordt betwist.
Punitieve sanctie, feitenvaststelling en overtredingen 16. Eiseres voert aan dat het tijdelijk intrekken van de erkenning volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (de Afdeling) moet worden beschouwd als een punitieve sanctie. Zij verwijst hiervoor naar de uitspraak van 1 augustus 2018. Omdat het een punitieve sanctie is, worden er strengere eisen gesteld aan de feitenvaststelling en de bewijslast van verweerder dat sprake is van een overtreding. Volgens eiseres is die feitenvaststelling ten aanwezigheid van één van de auto’s binnen het bedrijf onvoldoende geweest. Verweerder heeft daarom niet (direct) tot tijdelijke intrekking van de erkenning mogen overgaan. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat, omdat er sprake is van een punitieve sanctie, de rapportage ondertekend moet zijn en voorafgaand aan de controle de cautie gegeven moet worden.
Dit heeft echter niet tot gevolg dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Ondanks dat sprake is van een punitieve sanctie, heeft verweerder de feitenvaststelling mogen baseren op de bevindingen neergelegd in de rapportage. De rapportage geeft namelijk een duidelijk weergave van hetgeen de toezichthouder, met medewerking van dhr. [A] , heeft waargenomen. De bevindingen van de toezichthouder zoals opgenomen in de rapportage worden door eiseres ook niet betwist.
Toepassen 4:84 Awb 24. Volgens eiseres is het ten aanzien van één niet getoond voertuig (en niet twee), direct opleggen van een punitieve sanctie bijzonder zwaar en daarmee onevenredig. Ten aanzien van het voertuig met kenteken [kenteken 1] heeft eiseres immers met de foto alsnog aangetoond dat deze aanwezig was op het bedrijfsadres. Verweerder had hier aanleiding moeten zien om op grond van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van zijn beleidsregels. Het geven van een waarschuwing had in dit geval meer in de rede gelegen. Daarbij weegt mee dat eiseres heeft aangegeven graag met verweerder in overleg te gaan hoe zij deze situatie binnen de bedrijfsvoering, waarbij auto's zich soms buiten de straal van 25 km bevinden voor restauratie, toch op een goede wijze kan registreren. Volgens eiseres is de opgelegde sanctie, gelet op de omstandigheden van het geval, onevenredig, ook omdat haar bedrijf nog nimmer een sanctie opgelegd heeft gekregen.
Conclusie 28. De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 18 en 22 geconcludeerd dat er sprake is van een gebrekkig besluit. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en het besluit van 8 juli 2022 vernietigen. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit in stand laten. De rechtbank heeft namelijk geoordeeld dat verweerder het niet tonen van het voertuig met kenteken [kenteken 2] op het bedrijfsadres wel als een overtreding van artikel 4.5.3 van de Bijlage behorende bij de Toezichtbeleidsbrief heeft mogen aanmerken, en dat verweerder daarom heeft mogen overgaan tot het tijdelijke intrekken van de erkenning bedrijfsvoorraad.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 8 juli 2022; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres van € 1.674,- Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. Z.E.M. van der Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2023.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 december 2021 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2021:1044.
ECLI:NL:RVS:2018:2561.
ECLI:NL:RVS:2017:618 en ECLI:NL:RVS:2018:2561.
ECLI:NL:RVS:2021:1468.
ECLI:NL:RVS:2015:2937 en ECLI:NL:RVS:2015:2936.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2936, en 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2850.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3114.
De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1438.