RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.310925.20 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 11 mei 2023 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1991] te [geboorteplaats] (Marokko), wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 maart 2021, 9 juni 2021, 23 augustus 2021, 12 januari 2022 en 14 oktober 2022 en de inhoudelijke behandelingen van 6, 9, 13, 14 en 16 februari 2023. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 20 maart 2023. Op 31 maart 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en is het onderzoek ter terechtzitting direct hervat en voortgezet op 20 april 2023. Het onderzoek ter terechtzitting is opnieuw gesloten op 28 april 2023. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. H.C. van Ooijen en van hetgeen verdachte en haar raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht. 2INLEIDING ONDERZOEK 31NIX20 In de periode van 3 november 2019 tot 29 februari 2020 werden in diverse plaatsen in Duitsland acht (pogingen tot) plofkraken van geldautomaten gepleegd. Begin maart 2020 werd er via een Europees Onderzoeksbevel, afkomstig van de Staatsanwaltschaft Osnabrück, informatie ontvangen over een aantal gepleegde plofkraken in de deelstaat Nedersaksen. Bij in ieder geval twee van de opgeblazen pinautomaten was de aanval gericht op een pinautomaat van de firma [onderneming 1] , type Procash 4000. Bij deze plofkraken werd geen geld buitgemaakt. Van de andere zes plofkraken slaagden er drie. Eind januari 2020 werd er door een man, die opgaf te zijn genaamd [A] , bij een bedrijf in Duitsland via het mailadres [e-mailadres] een pinautomaat besteld van het merk [onderneming 1] , type Procash 4000. Ook is er door de besteller contact gelegd met het bedrijf middels het telefoonnummer: [telefoonnummer] . " [A] " hoefde geen speciale uitvoering, wilde een zogenaamde "Reloader" en wilde deze "zo snel mogelijk" hebben. De rekening moest worden verstuurd en op naam gezet worden van de firma [onderneming 2] , [adres] , [plaats] in Spanje. De pinautomaat moest geleverd worden op het adres [adres] te [plaats] . Naar aanleiding van bovenstaande bevindingen vermoedden de Duitse autoriteiten dat de pinautomaat van dit type werd aangeschaft om deze technisch te onderzoeken en voor proefontploffingen te benutten, teneinde in de toekomst succesvolle aanvallen op geldautomaten voor te bereiden en uit te voeren. Vervolgens is een onderzoek gestart dat zich aanvankelijk richtte op het achterhalen van de identiteit van [A] . Op basis van diverse onderzoeksbevindingen was het vermoeden van de politie dat dit [B] betrof. Door de Duitse politie werd er plaatsbepalings- en afluisterapparatuur in de betreffende pinautomaat geplaatst. Deze pinautomaat werd daadwerkelijk geleverd op de [adres] in [plaats] . Tussen 19 maart 2020 en 14 juli 2020 worden er nog eens vijf pinautomaten besteld en geleverd op de [straat] . Op basis van onderzoeksbevindingen uit Duitsland en Nederland is op 1 april 2020 het onderzoek Nix gestart. Gedurende het onderzoek zijn de volgende verdachten in beeld gekomen: [B] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [verdachte] . [B] is op [2020] overleden na een explosie op de [adres] te [plaats] , waardoor zijn vervolging op grond van artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht is komen te vervallen. De bevindingen naar aanleiding van zijn overlijden zijn vastgelegd in Zaaksdossier 8. Het gehele onderzoek is vastgelegd in 10 zaaksdossiers. In het onderstaande overzicht is schematisch weergegeven welke personen in welk zaaksdossier verdachte zijn. Zaaksdossier 1: Deelname aan crimineel samenwerkingsverband (CSV) Zaaksdossier 2: Plofkraak Wachtendonk (Duitsland) Zaaksdossier 3: Poging plofkraak Geldern (Duitsland) Zaaksdossier 4: Poging Plofkraak Alpen-Veen (Duitsland) Zaaksdossier 5: Brandstichting Audi S5 Cabrio Vlijmen Zaaksdossier 6: Aantreffen Audi A27 Zaaksdossier 7: Diefstal, brand Audi RS4 [kenteken] Zaaksdossier 8: Explosie [adres] [plaats] Zaaksdossier 9: Aantreffen explosieven [plaats] Zaaksdossier 10: Dodelijk ongeval A2 Zaaksdossier 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Verdachten [medeverdachte 3] X X X X X X [medeverdachte 2] X X X X X X [medeverdachte 1] X X X X X [medeverdachte 4] X X [medeverdachte 5] X X X X [verdachte] X X 3TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting van 12 januari 2022 nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de periode van 1 juli 2020 tot en met 8 december 2020 te Nederland en/of Duitsland met [B] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] en/of anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van plofkraken; Feit 2: zich in de periode van 1 juli 2020 tot en met 8 december 2020 te ’s-Hertogenbosch samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van plofkraken; Feit 3: in de periode van 17 oktober 2020 tot en met 25 oktober 2020 te 's-Hertogenboschde explosieve stoffen acetonperoxide (TATP), ammoniumnitraat en/of flitspoeder voorhanden heeft gehad. 4VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 5WAARDERING VAN HET BEWIJS 5.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. Blijkens haar aan de rechtbank overgelegde schriftelijke requisitoir baseert de officier van justitie de bewezenverklaringen op – kort samengevat – de OVC-gesprekken, de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting, processen-verbaal van bevindingen van politie omtrent het aantreffen van explosieven op 25 oktober 2020 en een NFI-rapport “Explosievenonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van vermeende explosieve stoffen in een berging in [plaats] op 25 oktober 2020”. 5.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich, overeenkomstig zijn aan de rechtbank overgelegde pleitnota, – kort samengevat – op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie (feit 1). De raadsman betwist het bestaan van zo’n organisatie en stelt dat verdachte daar in ieder geval geen wetenschap van had. Voorts was, als wordt aangenomen dat zo’n organisatie heeft bestaan, de rol van verdachte in de ten laste gelegde periode dusdanig beperkt dat niet kan worden gesproken van een wezenlijke en structurele bijdrage aan dat criminele samenwerkingsverband. De raadsman heeft daarvoor onder meer aangevoerd dat de voor verdachte belastende verklaringen afgelegd door medeverdachte [medeverdachte 1] onbetrouwbaar zijn. De rechtbank kan volgens de verdediging die verklaringen niet tot het bewijs bezigen omdat de verdediging haar ondervragingsrecht niet effectief heeft kunnen uitoefenen, terwijl het dossier verder geen steun geeft voor die belastende verklaringen. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feiten 2 en 3, nu verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd. Ten aanzien van feit 2 (voorbereidingshandelingen) stelt de raadsman wel dat de periode ingekort moet worden. 5.3 Het oordeel van de rechtbank 5.3.1 Algemeen De rechtbank bespreekt hieronder de gebezigde bewijsmiddelen en zal hier vervolgens een bewijsoverweging aan wijden. De rechtbank begint met de bespreking van de ten laste gelegde feiten onder 2 en 3 die zien op de voorbereidingshandelingen en het voorhanden hebben van explosieven (zaakdossier 9). Tot slot zal het onder 1 ten laste gelegde feit, het criminele samenwerkingsverband (zaaksdossier 1), besproken worden. De rechtbank gaat op grond van wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit, welke bewijsmiddelen telkens slechts worden gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten. 5.3.2 Identificatie Veel van het bewijsmateriaal in het onderzoek 31Nix20 bestaat uit afgeluisterde telefoongesprekken en opnames vertrouwelijke communicatie (OVC), waarin de afgeluisterde personen elkaar en anderen veelal met bijnamen aanspreken. De rechtbank gaat daarom eerst in op de koppeling van specifieke telefoonnummers en bijnamen aan de verschillende verdachten in het onderzoek. Telefoonnummers In het onderzoek 31NIX20 zijn verschillende telefoongesprekken opgenomen en afgeluisterd. Dit betreffen onder andere gesprekken gevoerd met en door de gebruikers van de onderstaande nummers. Uit het proces-verbaal bevindingen inhoudende de telefonische contacten van [verdachte] blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : Sinds [2020] werden de gesprekken van het telefoonnummer [telefoonnummer] geïntercepteerd. Uit de opgenomen en beluisterde tapgesprekken is gebleken dat het telefoonnummer in gebruik is bij [verdachte] , geboren op [1991] . Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte] een vriendin betrof van [B] . Uit diverse tapgesprekken is gebleken dat [verdachte] telefonisch contact heeft met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Deze persoon wordt door [verdachte] zowel [bijnaam 4] als [medeverdachte 1] genoemd. In een tapgesprek geeft de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] aan woonachtig te zijn op nummer [.] . In politiesystemen wordt opgegeven dat het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik is bij: [medeverdachte 1] , geboren op [2000] , wonende [adres] , [plaats] . Gezien het bovenstaande is het aannemelijk dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer]. Uit opgenomen en beluisterde telefoongesprekken blijkt dat [verdachte] geregeld telefonisch contact heeft met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] welke door haar [bijnaam 2] / [bijnaam 2] / [bijnaam 2] (fon) wordt genoemd. Uit de tapgesprekken is gebleken dat [bijnaam 2] eveneens een contact was van [B] . Het telefoonnummer [telefoonnummer] staat blijkens CIOT op naam van [medeverdachte 3] , [adres] te [plaats] . Uit het verhoor van [verdachte] van 6 januari 2021 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : V: jouw telefoonnummer? A: [telefoonnummer]. Uit de verklaring van verdachte [medeverdachte 3] afgelegd als getuige op de zitting van 6 februari 2023 blijkt – zakelijke weergegeven – het volgende : De voorzitter vraagt verdachte of hij de gebruiker is van het telefoonnummer eindigend op *[telefoonnummer]. De verdachte antwoordt dat dit zijn telefoonnummer is. Uit het proces-verbaal bevindingen inhoudende identificatie gebruiker * [telefoonnummer] blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : + [telefoonnummer] : Na het beluisteren en uitwerken van de gesprekken kan worden gesteld dat de gebruiker van dit toestel is: Achternaam: [medeverdachte 2] Voornamen: [.] Geboren: [2000] Uit de bevraging van het nummer *[telefoonnummer] bij het CIOT blijkt dat het nummer is afgegeven aan bovengenoemde [medeverdachte 2] . Het betreft een abonnement afgesloten bij de provider Tele2. Uit het proces-verbaal bevindingen inhoudende identificatie gebruiker * [telefoonnummer] blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : + [telefoonnummer] : Na het beluisteren en uitwerken van de gesprekken kan worden gesteld dat de gebruiker van dit toestel is:Achternaam: [medeverdachte 4]Voornamen: [.] Geboren: [1997]Uit het bevragen van het nummer *[telefoonnummer] bij het CIOT blijkt dat het nummer is afgegeven aan bovengenoemde [medeverdachte 4] . Het betreft een abonnement afgesloten bij de provider T-Mobile. Uit het proces-verbaal bevindingen inhoudende identificatie gebruiker * [telefoonnummer] blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : Uit onderzoek is gebleken dat het mobiele nummer [telefoonnummer] (*[telefoonnummer]) in gebruik was bij [B] . De rechtbank komt op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen tot de conclusie dat de volgende telefoonnummers toebehoren aan de volgende personen: + [telefoonnummer] : + [telefoonnummer] : [verdachte] ; + [telefoonnummer] : + [telefoonnummer] : [medeverdachte 1] ; + [telefoonnummer] : + [telefoonnummer] : [medeverdachte 3] ; + [telefoonnummer] : + [telefoonnummer] : [medeverdachte 2] ; + [telefoonnummer] : + [telefoonnummer] : [medeverdachte 4] ; + [telefoonnummer] : + [telefoonnummer] : [B] . Bijnamen Uit het verhoor van [medeverdachte 1] blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : V: Wat voor bijnaam had [medeverdachte 2] ? A: [bijnaam 3] Uit het verhoor van [verdachte] blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : V: Hoe werd [B] genoemd? A: [bijnaam 5] . Uit het proces-verbaal bevindingen vaststelling identiteit [medeverdachte 5] blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : Uit deze opgenomen en uitgewerkte gesprekken is gebleken dat [medeverdachte 3] zeer geregeld contact heeft met iemand die door hem “ [medeverdachte 5] ” alsmede [bijnaam 6] wordt genoemd. Uit een OVC-gesprek in de nacht van 4 november 2020 blijkt dat [medeverdachte 3] het kenteken van de Volkswagen Polo gebruikt door [medeverdachte 5] / [bijnaam 6] uit zijn hoofd weet en noemt het kenteken [kenteken] . Genoemd voertuig staat op naam van de vriendin van [medeverdachte 5] . Uit 19 politiemutaties is gebleken dat de daadwerkelijke gebruiker van het voertuig [medeverdachte 5] bleek te zijn. Uit een uitgewerkt OVC-gesprek sessienummer 12935 en 12936 blijkt dat genoemde [medeverdachte 5] een kind heeft genaamd [D] , welke op [.] april jarig is. Uit bevraging in de Gemeentelijke Basisadministratie is gebleken dat [medeverdachte 5] en [C] de ouders zijn van: [D] , geboren op [2019] . Gezien bovenstaande is aannemelijk dat als door [medeverdachte 3] met dan wel over [bijnaam 6] en of [medeverdachte 5] wordt gesproken hiermee [medeverdachte 5] wordt bedoeld. Meerdere personen die in het onderzoek 31NIX20 een rol hebben gespeeld worden met bijnamen aangeduid in de onderlinge communicatie. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat aan de volgende personen de volgende bijnamen worden toegeschreven: [medeverdachte 3] : [bijnaam 1] / [bijnaam 2] ; [medeverdachte 2] : [bijnaam 3] ; [medeverdachte 1] : [bijnaam 4] ; [B] : [bijnaam 5] ; [medeverdachte 5] : [bijnaam 6] . Deze bijnamen worden meermaals aangehaald in het vonnis en daarmee worden dan de bovenstaande personen bedoeld. 5.3.3 Feit 2: voorbereidingshandelingen Partiële vrijspraak gedachtestreepjes 1 en 2 Als voorbereidingshandelingen zijn onder andere tenlastegelegd de deelneming aan het plannen van een of meer plofkraken in Duitsland door te spreken en/of afspraken te maken over de locatie van de pinautomaten, benodigde (huur)voertuigen, data, tijdstippen, benodigde hoeveelheden geld en/of benodigd aantal personen voor het uitvoeren van plofkraken (gedachtestreepje 1) en de deelneming aan een of meer voorverkenningen bij Duitse bankautomaten (gedachtestreepje 2). Op grond van artikel 46 Wetboek van Strafrecht is de voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft. De voorbereidingsmiddelen zijn limitatief opgesomd. Het spreken over plofkraken en het mee gaan op voorverkenningen, zonder dat – kort gezegd – iets stoffelijks is gebruikt, is geen middel dat in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar is gesteld. Praten over plofkraken, hoe concreet ook, is niet strafbaar. Nu niet is ten laste gelegd dat verdachte bij het plannen van plofkraken of de deelname aan voorverkenningen voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen heeft gebruikt (bestemd voor het begaan van plofkraken) zal de rechtbank verdachte vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging. 5.3.4 Feit 3: voorhanden hebben van explosieven [plaats] Partiële vrijspraak gedachtestreepjes 2 en 3 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een hoeveelheid (van ongeveer 356 gram) ammoniumnitraat en een hoeveelheid (van ongeveer 336 gram) flitspoeder voorhanden heeft gehad. Uit het proces-verbaal van bevindingen aangetroffen explosieven van 28 oktober 2020, pagina’s 86-88 (zaaksdossier 9), volgt wel dat verbalisanten op 25 oktober 2020 stoffen hebben aangetroffen in de berging van [adres] te [plaats] en dat deze zijn gewogen inclusief vershoudbakje dan wel zakje. De heer [E] van de Explosieven Opruimingsdienst herkent de ene stof als ammoniumnitraat en vermoedt dat de andere stof flitspoeder betreft. Deze stoffen zijn vervolgens tot ontploffing gebracht. Er zijn monsters genomen van de stoffen, maar uit het procesdossier kan de rechtbank niet afleiden dat deze stoffen zijn getest door het NFI. Uit de in het dossier aanwezige testresultaten van het NFI van stoffen aangetroffen in de berging (van in totaal vijf monsters / SIN-nummers – zie p. 18 van het FO dossier) blijkt bovendien dat er alleen een hoeveelheid TATP en aluminiumpoeder is aangetroffen. De rechtbank kan daarom niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat verdachte ook ammoniumnitraat en flitspoeder voorhanden heeft gehad. De rechtbank zal verdachte van deze twee gedachtestreepjes vrijspreken. 5.3.5 Bewijsmiddelen ten aanzien van feiten 2 en 3, overige gedachtestreepjes Verdachte heeft de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen: - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 februari 2023; - het OVC010-gesprek in de woning van [verdachte] met sessienummer 20195; - een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen aangetroffen explosieven, van 28 oktober 2020; - een geschrift, te weten een NFI-rapport “Explosievenonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van vermeende explosieve stoffen in een berging in [plaats] op 25 oktober 2020; - een geschrift, te weten een sporenmatrix Kelderbox [plaats]. De rechtbank acht voor de feiten 2 en 3 de periode van 1 juli tot en met 25 oktober 2020 – het moment waarop de explosieve stoffen in de berging in [plaats] zijn aangetroffen – bewezen. 5.3.6 Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1: crimineel samenwerkingsverband Instructie uitvoering plofkraak Uit het OVC010-gesprek in de woning van [verdachte] met sessienummers 20196 en 20197 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : N: ben je daar heen geweest? A: Nee ik heb een filmpje gezien. N: heb je die film? A: Ja. A: En hier stonden ook die Pinnies...hier stond 1 pinnie dus vandaar dat ik weet, en ik weet dat hij altijd die filmpjes maakt, laat die het zo zien Uit het proces-verbaal stemherkenning [B] instructiefilmpje onderzoek Basalt blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : Vanuit het onderzoek 31NIX20 werd duidelijk dat de explosievenstof TATP mogelijk geleverd was door iemand uit Groningen. Door de districtsrecherche Groningen bleek onderzoek naar het voornoemde incident te zijn ingesteld onder de onderzoeknaam “Basalt”. Met verkregen toestemming vanuit onderzoek Basalt werd een veiliggesteld instructiefilmpje door ons onderzocht voor een stemherkenning. Dit bestand betrof een video (een instructiefilmpje), waarbij door een persoon duidelijk werd gemaakt hoe je vanuit het uitgifte gedeelte van een ATM, merk [onderneming 1] , bij het kluisgedeelte kon komen. Dit werd duidelijk gemaakt door middel van het inbrengen van een rolmaat, welke werd uitgeschoven en via een opening van uitgifte in het kluisgedeelte uitkwam. Door een mannelijke stem werd het voornoemde ook duidelijke gemaakt. (…) Uit deze vergelijking hebben wij vastgesteld dat de stem toebehoort aan de verdachte [B] in het instructiefilmpje vanuit onderzoek Basalt. Uit een OVC-sessie uit ATM6 met sessienummer 5192, van 15 juli 2020 te 20:00:52 uur blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : 20:06 uur: [B] heeft de achterkant van de ATM geopend, kijkt er binnen en verricht handelingen. 20:12 uur: [B] is nu (zichtbaar) vergezeld van [medeverdachte 4] . Samen kijken zij in de ATM, terwijl handelingen worden verricht. Uit een OVC- sessie uit ATM 6 met sessienummer 5194, van 15 juli 2020 te 20.10.54 uur blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : [B] : Zit het erin?[medeverdachte 4] : Ja, hij zit erin[B] : [ntv] nog meer buigen, misschien beter[medeverdachte 4] : Ik ga vanaf hier effe buigen..[geluiden gelijkend op metaalgeluiden hoorbaar]...oke....[ntv][B] : En wat die hoerenkind doet, gaat naar achteren, dus dan trek je die deur gewoon naar achteren... deze...Want die scherm [fon] zit nu daar vast. Je kan niets met die scherm doen.... [ntv].....Meer naar achter, gaan we deze slotje mollen of met een schaar of met een slijpie. Heb je kans dat het slotje.[ntv] precies als je dit stukje wegslijpt, snap je...[klop en tikgeluiden hoorbaar][medeverdachte 4] : ....[ntv]..[B] : Als je een goeie accu hebt of gewoon benzine, 2 seconden ben je doorheen..half minuutje ben je doorheen.[medeverdachte 4] : je moet die elektrische dingen hebben man! (...) 47469..[ntv], ..[werkgeluiden hoorbaar] Het is in principe.... ik moet ..jij moet voor mij iemand vinden, die voor mij dit erop last.......Want kijk, als ik hem zo ga buigen. Dan zie je, gaat hier verstopt raken. [medeverdachte 4] : Ja, klopt [B] : Snap je? Hij moet echt, eentje moet gewoon recht blijven. [.] : [ntv] [B] : [ntv] ....zo dik mogelijk blijft zodat ie lekker ook, gewoon, hij moet erop lassen. ... Hij moet een andere stuk buigen en dan erop lassen. Hier, op deze randje [fon].... Met zo’n buiging. Dus gewoon zo. Gewoon..... drie centimeter, vier centimeter, naar beneden. [medeverdachte 4] : Tamam (is goed) [B] : Negentig graden. Het is 90 graden...90 graden naar beneden. [medeverdachte 4] : zo staat die te ver maar maar hij moet [ntv] [B] : Zonder, dat ie niet afgeknepen is. ..[ntv].. weet dat ongeveer ook. Dit zal ongeveer 3, 4, 5 centimeter, 10 centimeter, 15, 20, 25, 30.... Als dit werkt dan is het perfect. Uit het proces-verbaal bevindingen belangrijke gesprekken TA002 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : In gesprek 41115 is [.] [rechtbank: [medeverdachte 4] ] in gesprek met een op dat moment onbekend ander persoon welke gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] waar gesproken wordt over [bijnaam 7] . Dit betreft de bijnaam van [medeverdachte 3] . nn: heb je " [bijnaam 7] " (fon) nog gesproken [medeverdachte 4] : ja broer is al geregeld he broer, ik heb het tegen jou gezegd (klinkt als) nn: ik heb hem gesproken en hij zegt tegen mij: ik ga knallen gewoon (…) nn: (lachen) wanneer gaat ie beginnen? [medeverdachte 4] : eee (klinkt als) eerst volgende ritje naar Duitsland gaat hij nn: ja maar kan hij alles? Je moet hem leren [medeverdachte 4] : hij kan alles broer hij is vaak bij mij gekomen (gescheiden kanalen beluisterd) Uit het OVC012-gesprek in de Volkswagen Polo van [medeverdachte 3] met sessienummer 9320 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : [medeverdachte 3] : Ja, maar [bijnaam 8] , ik knal de nieuwe open, die Wolf niet open knalt. En die [.] ( [.] ) ook niet open knalt, ik knal ze moeder open vriend. (…) [medeverdachte 3] : Jaa....maar Bakko (fon.) is wel snel, snel. Athans, die van [bijnaam 8] , Moge Allah hem beschermen. [bijnaam 8] maakte hem zo, dat die na aanal (knal) geen rook komt en zo. (…) [medeverdachte 3] : (…) [bijnaam 8] , Moge Allah hem naar Paradijs brengen, nam mij mee naar Marbella, hij had daar een loods, op mijn moeders dood, [bijnaam 8] , hij heeft gewoon een loods in Marbella, er zitten daar vier naast elkaar. Ik heb op hen alle vier getraind, gewoon. Gezweet, gezweet in die Loods. Taakverdeling en regels Uit het OVC010-gesprek in de woning van [verdachte] met sessienummer 20071 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : [Rechtbank: [verdachte] wordt in dit gesprek aangeduid met de letter [.] ] [verdachte] : hij stond constant paraat voor hun. En dat missen ze nu. Ze kunnen de auto’s hebben ze hebben de spullen, hebben alles maar de achterwacht die is er niet die ontbreekt. A: Met hoeveel zijn ze? : Zijn verschillende groepjes, maar in ieder geval zn directe groep is gewoon 3. A: 3 jongens? : ja en dan 1 eigenlijk hiervandaan maar tellen we ff niet mee. (…) : Deze jongens zijn niet zo, mss ken je hem wel [bijnaam 1] , hij heet [medeverdachte 3] (…) [medeverdachte 3] is zn achternaam, (…) A: Maar je hebt het broertje van [.] , ..en wie nog meer? [verdachte] : [bijnaam 3] [ [medeverdachte 2] ] noemen ze hem. Uit het verhoor van [medeverdachte 1] blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende: V: waar parkeerde je de auto dan als je terug kwam? A: bij [verdachte] onder. (…) V: je had het erover dat je telefoon een dag weg geweest is, toen zat WickR erop, wat deed je daarmee? A: communiceren, met [bijnaam 5] af en toe, en met [bijnaam 2] , hoe het ging en of ik [verdachte] nog had gezien. In een groep word je toegevoegd zoals in WhatsApp, ging allemaal over locaties dat soort dingen. V: wie zaten er in die groep allemaal? (…) A: [verdachte] niet, [bijnaam 5] wel, [bijnaam 2] , [bijnaam 3] en nog heel veel anderen. Wij waren het groene vakje. Uit het OVC005-gesprek in de Duitse Audi Q3 met sessienummer 70 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : [medeverdachte 1] : leest een bericht voor, [B] is boos. [medeverdachte 3] : Ja man maar we gaan toch vandaag, ntv (…) [medeverdachte 1] : hij reageert niet dat is goed. (…) [medeverdachte 3] :: reageer dan ook man, hij gaat mij niet slaan maar ik weet dat hij me eruit kankert dan moet ik achter zijn rug om gaan werken broer, ik wil dat niet jongen. (…) Uit de verklaring van [medeverdachte 3] afgelegd op de zitting van 6 februari 2023 blijkt – zakelijke weergegeven – het volgende : De voorzitter vraagt verdachte of hij verantwoording moest afleggen bij [B] , bijvoorbeeld als de plofkraak niet was gelukt, dat hij verantwoording moest afleggen over waarom het niet gelukt was. De verdachte antwoordt bevestigend. De voorzitter vraagt verdachte of [B] ook degene was die bepaalde of de groep weer op pad moest, bijvoorbeeld als het niet gelukt was. De verdachte geeft aan het inderdaad zo werkte. Uit het verhoor van [medeverdachte 1] blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende: A: [verdachte] vroeg mij of ik goed kan rijden, dat weet iedereen in [plaats] , ze zei wil je geld verdienen, goed geld, ik zeg wat dan, ze zegt ik leer je iemand kennen, dan kwam [B] . (…) naar [verdachte] , ze zei wil je geld verdienen, ze vroeg hoe was het, ik zeg hij [rechtbank: [B] ] is zo gek als een deur. Ze zegt je hoeft alleen jongens heen en weer te brengen, ik zeg cocaïne doe ik niet, nee zei ze ploffen. [Rechtbank: over Wachtendonk] ieder zijn deel, ik moest vijftien procent afstaan voor [verdachte] (…). V: hoe noemde [bijnaam 2] [bijnaam 5] ? A: [bijnaam 8] . Want hij had hem alles geleerd V: wat deed je met de auto? A: chippen, banden na laten kijken, was mijn auto ik ben verantwoordelijk voor de auto en de Jongens. Uit het OVC012-gesprek in de Volkswagen Polo van [medeverdachte 3] met sessienummer 9138 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : [medeverdachte 3] : gunning is niks pakken. Weet je wat [bijnaam 8] [rechtbank: bijnaam [B] ] tegen mij zei, ik had [bijnaam 3] en zo geregeld, hij zei, luister? Hij zei, hij gaat gewoon werken, doe gewoon dom, hij zei, ik pak 5% van hem en 5% van hem en die krijg je van mij aan het einde van de avond en ik zei tegen hem: “Nee, dat hoef van mij niet”. Doel van de organisatie: uitvoeren van plofkraken Uit de verklaring van [medeverdachte 3] afgelegd op de zitting van 6 februari 2023 blijkt – zakelijke weergegeven – het volgende : De voorzitter vraagt of verdachte aanwezig was bij de plofkraak in Wachtendonk op 8 augustus 2020. De verdachte antwoordt dat hij hierbij aanwezig was. De voorzitter vraagt wie de auto bestuurde. De verdachte antwoordt dat [medeverdachte 1] reed. De voorzitter vraagt of het OVC012-gesprek (pagina 320 van het zaaksdossier 1) in de Volkswagen Polo van verdachte met sessienummer 9021N over de plofkraak in Wachtendonk gaat. De verdachte antwoordt dat dit gesprek over de plofkraak in Wachtendonk gaat. De voorzitter vraagt wiens idee het was om specifiek naar de bank in Wachtendonk te gaan. De verdachte antwoordt dat dit [B] zijn idee was. Uit het OVC012-gesprek in de Volkswagen Polo van [medeverdachte 3] met sessienummer 9021N blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : [medeverdachte 3] : Hé mattie, deze jongens, die kanker boys toen ik met hun had gewerkt.. [bijnaam 3] en die jongen uit [plaats] , was voor allebei hun eerste keer. Nnm: Oh, qua rijden. [medeverdachte 3] : Ja. het was voor hun allebei, voor hun allebei was eerste keer een plof voor hun. Uit het OVC-gesprek in de woning van [verdachte] met sessienummers 20194 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : [verdachte] is in de woning met een nnman ( [bijnaam 3] ). In verwijzing naar het opgemaakte proces-verbaal vaststelling identiteit/stemherkenning [medeverdachte 2] [.] .amb is duidelijk geworden dat de man in de woning in onderstaand gesprek [medeverdachte 2] (bijnaam [bijnaam 3] ) betreft: nnman: want die, [bijnaam 2] had tegen mij gezegd, ik ga weer inshallah meer ploffen, dus okay, hij is gewoon een beetje veranderd sinds die [verdachte] : ja nnman: sinds die doekoe heeft gepakt. (…) [verdachte] : Waarom had jij het bij [bijnaam 5] ? snap niet dat jij het bij [bijnaam 5] had, waarom heb je het niet bij je oom gelaten? nnman: Niet mn oom, ik had zat plek, ik ben die dag samen met [bijnaam 5] (bijnaam [B] ) in de auto, en met [bijnaam 2] (bijnaam [medeverdachte 3] ), hij zegt tegen mij, toen in Nieuwegein waren, hij zegt, waar ga je je geld houden? Ik zeg ik hou het bij mezelf, toen zei [bijnaam 2] , je kan het beter bij [bijnaam 5] laten, je weet toch is gewoon veilig, dit en dat, ging niet gewoon dit en dat. Uit het OVC008-gesprek in de BMW M140i met sessienummer 021630 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : gesprek 2 nnm 1 is [bijnaam 4] buiten voertuig en [B] zit in voertuig. [medeverdachte 3] : Hij is niet afgegaan. oke en daarna ntv. [B] : ben je bij de kluis geweest. [medeverdachte 3] : ik kon daar niet bijkomen he, er was geen gat niets was verwoest. [B] : enige wat de oplossing is 73, en dat hij 4 dagen heeft lopen wachten das enigste, als ik zeg geld maken is werken, en niet dit dat bla bla. Ik zei je hebt in je eigen kaarten gespeeld, wijze les voor volgende keer. werken is werken (…) [B] : Wholla ik zeg tegen jou, je denkt dat je slim bent. en dan fout nee vriend we gaan het allemaal oplossen, samen ... kies .. we zijn hier met de groep als een man, als een team gezamenlijk, als we gaan verdelen is ook door vier. Dus morgen gaan die spullen gefixt worden. [medeverdachte 3] : ntv Deelnemingshandelingen Uit het OVC010-gesprek in de woning van [verdachte] met sessienummer 20067 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : [Opmerking Rechtbank: ‘ [.] ’ in dit gesprek is [verdachte] ] [verdachte] : ken je dat huisje in Groningen die is eh, opgeblazen, die jongen die is gepakt, met vrienden, hij leverde. (…) is heel erg gevaarlijk daar niet van, maar, niet knutselen is gewoon een proces, is gewoon een formule je hebt, daar ben ik ook echt bang voor, ..ik heb 1 keer besteld, A: wat heb je besteld? [verdachte] : 1 van die grondstoffen, A; wat is dat? [verdachte] : ooh hoe heet dat ook al weer...waterstofperoxide, A: ja, kun je gewoon in de winkel halen. [verdachte] : Dat kun je niet in de winkel kopen. A: Waterstofperoxide? [verdachte] : niet 20% haha, of hoeveel was het 17?,.. 19 ik weet niet meer. Moetje echt he,.kan je niet in een winkel kopen. Winkel is max 5% volgens mij, A: maar hoe heb je het besteld dan? [verdachte] : [.] . Uit verhoor van [verdachte] blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende: A: toen hij in Spanje was vroeg hij mij over die waterstof peroxide, of ik dat wilde bestellen (…) dat is begin juli geweest, heb ik dat besteld, ik ging naar Spanje, als ik in Spanje zou zijn zou dat spul binnen komen, hij zei dat het een grondstof is voor de explosieven (…) A: (…) Ik had zoiets van je [rechtbank: [B] ] bent iemand die er helemaal in zit, een soort crimineel meesterbrein, dit was zijn doel, hij had geen ander doel meer in het leven.(…) V: wat was zijn rol dan? A: hij was een soort leider, hij zocht jongens (…) die laatste maand was hij alleen maar bezig met groepjes, hij bereidde alles voor om een plofkraak te plegen. (…) V: hoe weet jij van die geldautomaten in Spanje? A: dat heeft hij verteld, dat was het eerste wat hij vertelde, toen wij in Spanje waren, vertelde hij dat hij daar jongens had opgeleid, dat hij daar pinautomaten had staan, ik kwam er later achter dat hij ook pinautomaten in Nederland had, in augustus juli vertelde hij dat (…) A: (…) hij had een fles waterstof peroxide nodig. V: hoeveel procent moest dat zijn? A: weet ik niet, maar niet 5 procent watje in de winkel kan kopen. (…) V: Hoe verkregen de jongens dat pakketje? Het werd in jouw woonkamer gemaakt, A: dan moest ik het afgeven, R: werd het in je woning opgehaald? A: ik heb het naar buiten gebracht, ik weet niet aan wie ik het afgegeven heb, kan ook zijn dat zo maar iemand het kwam ophalen die het weer af moest geven. V: hoe vaak heb je dat afgegeven? A: 2 keer. V: en dat pakketje wat was terug gebracht? A: dat was 1 van die keren, toen moest ik de inhoud er uit doen, in een nieuw zakje doen en opnieuw tapen, ik weet nu wel hoe ik een ontsteking moest maken, dat wist ik toen niet, met wit en zwart van dat, radio, van de versterker of zo (…) A: nee, want toen met die ijzeren pizza schuif, hij had geen lasser, die maakte die pizzaschuiven te dik of zo, ik zei dat kan met karton, hij zei kan je dat alsjeblieft maken ik geef je de afmetingen, ik dacht o had ik mijn mond maar gehouden, het is een langwerpig vierkantje V: een kartonnetje waar dingen op genoteerd waren. A: ja de centimeters, dat heb ik daarop gezet, hij had mij die afmetingen gegeven. (Opmerking verbalisanten: Foto van aangetroffen dummy kartonnen pizzaschuif wordt getoond, die aangetroffen is op de [straat] na dood [B] ) V: als ik je een foto laat zien van die Dummy, herken je hem dan? A: ja alleen dit dan. (Opmerking verbalisanten: verdachte wijs de pizzaschuif aan en niet het steel gedeelte) Uit het OVC008-gesprek in de BMW van [B] met sessienummer 102552 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende : A : [verdachte] J : [B] A: Het 3e pakketje, die is nou klaar hè? J: Die ga ik dan maar voor die jongens gebruiken die ik vandaag nog ga zien met die scooter.. ntv A: Ja,: Ik denk ook dat dit het beste pakketje is die ik heb gemaakt. J: Dat is wel zeker. A: Ik weet dat wel zeker...en het beste poeder, hier zit die poeder in die uh..langer gedroogd heeft, het allerlangst, dat moet ik vandaag ook doen de rest effe eruit halen,.. J: ...ntv...pizza's A: Pizza, een is al gemaakt. J: daar ben ik ook mee gaan werken, je hebt nu gezien hoe die ontsteker werkt...NTV A: Jawel maar even (rijgeluiden) dinges halen....die aansteker J: Oh jaj ja Bewijsoverwegingen Overwegingen met betrekking tot het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet tot het bewijs gebezigd kunnen worden, omdat zij geen (voldoende) effectieve mogelijkheid heeft gehad om die verklaringen te toetsen op hun betrouwbaarheid. Uit het dossier volgt dat de verklaringen op meerdere punten niet deugen en [medeverdachte 1] een leugenachtige verklaring heeft afgelegd. Het lijkt erop dat [medeverdachte 1] door zijn verklaring zijn eigen rol ten aanzien van de strafbare feiten probeert te verkleinen en de rol van verdachte en de medeverdachten wil vergroten. De door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen bij de politie over de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten worden niet in belangrijke mate ondersteund in andere bewijsmiddelen, zodat sprake is van een situatie waarop de Vidgen-jurisprudentie ziet. Het gebruiken van dit bewijsmiddel is onverenigbaar met de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie uitgebreide verklaringen afgelegd, welke verklaringen belastend zijn voor hemzelf en de andere verdachten. Uiteindelijk is [medeverdachte 1] , na heropening van het onderzoek ter terechtzitting, gehoord bij de rechter-commissaris waarbij hij een beroep heeft gedaan op het verschoningsrecht. De rechtbank stelt daarmee vast dat de verdediging geen gebruik heeft kunnen maken van een adequate en effectieve ondervragingsgelegenheid om de verklaring van [medeverdachte 1] op betrouwbaarheid te toetsen. Volgens de jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal van de politie voor zover inhoudende een door enig persoon in het opsporingsonderzoek afgelegde, voor de verdachte belastende verklaring, niet zonder meer ongeoorloofd in het licht van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en, in het bijzonder, niet onverenigbaar met artikel 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM. Van die ongeoorloofdheid is in elk geval geen sprake wanneer de verdachte weliswaar niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, maar die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen, in die zin dat de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Sole or decisive? De vraag die beantwoord moet worden, is of de verklaring van [medeverdachte 1] als “sole or decisive” bewijs dient te worden beschouwd. Voor de beoordeling hiervan is van doorslaggevend belang in hoeverre de verklaring van [medeverdachte 1] steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat steunbewijs moet, zo volgt uit voornoemde overweging van de Hoge Raad, betrekking hebben op die onderdelen van de haar belastende verklaring die de verdachte betwist. In het geval van verdachte bij dit ten laste gelegde feit: dat zij heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van het steunbewijs in het licht van de bewijsvoering als geheel. Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] volgt dat verdachte hem heeft gevraagd te gaan rijden voor ‘ploffen’ en dat hij een deel van de buit aan haar moest afstaan. Verdachte heeft dit uitdrukkelijk betwist. Naar het oordeel van de rechtbank vinden de verklaringen van [medeverdachte 1] als het gaat om de deelname van [verdachte] aan de criminele organisatie in overwegende mate steun in andere bewijsmiddelen. Dat verdachte heeft deelgenomen aan de organisatie volgt in belangrijke mate uit haar eigen verklaringen, hetgeen reeds voldoende is om haar als deelnemer van de criminele organisatie te kunnen kwalificeren en nader is uitgewerkt in de hiernavolgende bewijsoverwegingen. De verklaring van [medeverdachte 1] dat verdachte hem heeft geworven als driver en/of hij een percentage van de opbrengsten aan haar moest afstaan, is niet van doorslaggevende betekenis voor de beoordeling voor de betrokkenheid van verdachte bij dit tenlastegelegde feit. Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin de bewezenverklaring alleen of in beslissende mate (sole or decisive) berust op de verklaringen van [medeverdachte 1] . De aanwezigheid van dit (steun)bewijs maakt dat het toepassen van de verklaringen van [medeverdachte 1] voor het bewijs niet ongeoorloofd is en niet onverenigbaar is met artikel 6, eerste en derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen. De rechtbank heeft tot slot geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en ziet zijn verklaringen dan ook niet als leugenachtig. Grote delen van de verklaringen van [medeverdachte 1] zijn immers ook belastend voor hemzelf en vinden daarbij steun in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verdachte zelf en tap- en OVC-gesprekken. Crimineel samenwerkingsverband Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij heeft deelgenomen aan een crimineel samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht, die tot oogmerk had (het voorbereiden van) diefstal met braak vooraf gegaan door het tot ontploffing brengen van geldautomaten (hierna: plofkraken). Het plegen van plofkraken vereist een zekere mate van organisatie en ook al snel de betrokkenheid en samenwerking van meerdere personen. Zo moet een bankfiliaal worden uitgekozen, moeten vluchtroutes worden verkend, moeten explosieven (of gas) en andere benodigdheden worden geregeld en dienen daders over een – bij voorkeur snel – vervoersmiddel te beschikken. De vraag is daarom of de voorbereiding van en het plegen van plofkraken in deze zaak op een zodanige wijze is gebeurd dat dit het (gewone) medeplegen overstijgt en dus sprake is van een crimineel samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is en licht dat hierna toe. Juridisch kader Voor een veroordeling voor dit feit is nodig dat aan drie vereisten is voldaan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.