← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2023:2260

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/5770 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2023 op het beroep in de zaak tussen [eiser] uit [woonplaats] (eiser) (gemachtigde: mr. M.A. Jansen), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv) (gemachtigde: mr. R.M.H. Rokebrand). Inleiding

  1. Eiser heeft op 25 mei 2021 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Omdat een beslissing op zijn aanvraag uitbleef heeft eiser het Uwv op 21 juli 2021 in gebreke gesteld en verzocht om binnen twee weken, dus uiterlijk op 4 augustus 2021, alsnog een besluit te nemen op zijn aanvraag op verbeurte van een dwangsom.
  2. Bij besluit van 12 augustus 2021 (de buitenbehandelingstelling) heeft het Uwv eisers WIAaanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser volgens het Uwv geen vragen wilde beantwoorden op het spreekuur van de arts van 22 juli 2021, zodat eisers belastbaarheid niet kon worden vastgesteld. Omdat de buitenbehandelingstelling acht dagen na 4 augustus 2021 is genomen, heeft het Uwv eiser met het besluit van 17 augustus 2021 (het dwangsombesluit) een bedrag van € 184,-- aan dwangsommen wegens niet tijdig beslissen toegekend.
  3. Op 13 augustus 2021 heeft eiser zich opnieuw bij het Uwv gemeld, waarna hij alsnog medisch is gekeurd door een andere arts van het Uwv. Dit heeft geleid tot het besluit van 9 december 2021 waarin het Uwv eiser alsnog voor een WIAuitkering in aanmerking heeft gebracht per einde wachttijd (15 januari 2021).
  4. Eiser heeft het Uwv vervolgens verzocht om terug te komen van het dwangsombesluit, omdat hij vindt dat hij recht heeft op een maximaal bedrag aan dwangsommen nu hij pas op 9 december 2021 een besluit op zijn aanvraag heeft gekregen. Met het besluit van 23 mei 2022 (het primaire besluit) heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt. Met het besluit van 22 september 2022 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.
  5. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld en heeft zijn beroepsgronden op 11 januari 2023 aangevuld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is bij de rechtbank op 11 mei 2023 op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen
  6. Eiser voert allereerst aan dat de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag impliciet is ingetrokken met de toekenning van zijn aanvraag in het besluit van 9 december
  7. Hierdoor was het Uwv tot 9 december 2021 in gebreke om een besluit te nemen op zijn aanvraag en liepen de dwangsommen wegens niet tijdig beslissen dus tot die datum door. Eiser wijst er in de tweede plaats op dat het gelet op de gang van zaken evident onredelijk is dat het Uwv niet wil terugkomen van het dwangsombesluit. Op de zitting heeft eiser verteld dat hij in zijn beleving wél heeft meegewerkt aan het spreekuur van de arts van 22 juli 2021, maar dat de arts niet naar hem luisterde. Bovendien is het tweede medisch onderzoek op initiatief van de arts van het Uwv verzet, waardoor de beoordeling van eisers belastbaarheid nog langer op zich heeft laten wachten. Deze gang van zaken is niet aan eiser te wijten.
  8. De rechtbank volgt eiser niet. Niet ter discussie staat dat de buitenbehandelingstelling een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De buitenbehandelingstelling is een beslissing op eisers aanvraag. Het Uwv heeft eiser vervolgens met het besluit van 9 december 2021 per einde wachttijd voor een WIAuitkering in aanmerking gebracht, zodat het besluit van 9 december 2021 in de plaats is gekomen van de buitenbehandelingstelling. Dat er op dezelfde aanvraag alsnog een andere beslissing is genomen, ontneemt het besluitkarakter van de buitenbehandelingstelling echter niet. De ingebrekestelling is erop gericht om een besluit te krijgen op de aanvraag (los van de inhoud van dat besluit). Met de buitenbehandelingstelling heeft het Uwv een besluit genomen op eisers aanvraag en is dus ook de verzuimtermijn voor het Uwv geëindigd. Dit volgt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Deze beroepsgrond slaagt niet.
  9. De rechtbank ziet ook niet dat het Uwv op het dwangsombesluit had moeten terugkomen omdat de gang van zaken evident onredelijk zou zijn geweest. Eiser heeft het betoog dat hij in zijn beleving wél heeft meegewerkt aan het spreekuur van de arts van 22 juli 2021, maar dat de arts niet naar hem luisterde pas op de zitting naar voren gebracht en geheel niet concreet gemaakt. De rechtbank kan op grond daarvan dus niet tot de conclusie komen dat de gang van zaken evident onredelijk is geweest. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.
  10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. SC.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid vanN.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei
  11. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak dan kunt u binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak in hoger beroep gaan bij de Centrale Raad van Beroep. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat. Zie de uitspraak van de CRvB van 14 april 2016, ECLI:NL:CRVBB:2016:1360 Zie de uitspraak van de CRvB van 20 december, ECLI:NL:CRVB:2016:4872.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.